Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 - São Tomé, 31 oktober 1641), bijgenaamd "Houtebeen", was een admiraal van de West-Indische Compagnie (WIC) tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Als kaper maakte hij veel buit bij zijn overvallen op Spaanse en Portugese schepen, beladen met goud en zilver. Slavenschepen liet hij echter gewoonlijk ongemoeid, aangezien hij zich niet kon voorstellen wat men met een dergelijke “lading” zou moeten aanvangen.Men zie bijvoorbeeld zijn reizen van 1626, 1631 en 1631-1632, zoals beschreven door Johanna van Overeem. Jol werd in de Republiek als een volksheld beschouwd vanwege zijn grote moed, zijn bijzondere bekwaamheid als navigator en zijn menswaardige behandeling van krijgsgevangenenGerben Graddesz Hellinga, Pioniers van de Gouden Eeuw, Walburg Pers, Zutphen 2007.; dit laatste in tegenstelling tot veel boekaniers, die bemanningen van veroverde schepen simpelweg overboord plachten te zetten.Zo memoreert Onno Zwier van Haren in zijn De Geusen (1771) een gelegenheid waarbij Jol een Duinkerker kaperschip had veroverd, en op uitdrukkelijke instructie van de Staten Generaal alle gevangenen twee aan twee gebonden overboord moest laten werpen. Volgens Van Haren beende Jol gedurende die strafoefening het dek van zijn schip op en neer, en riep hij - van tijd tot tijd met zijn dreigende vinger naar Den Haag wijzend - uit: ‘Voor uwe rekening, mijne heeren de Staten, voor uwe rekening!’

Biografie "Houtebeen" Zijn bijnaam "Houtebeen" kreeg hij nadat hij in een gevecht gewond was geraakt en een been van hem moest worden afgezet. Dit werd vervangen door een houten been. Ook bij andere naties was hij als "Houtebeen" bekend: Pie de Palo in het Spaans, Perna de Pau in het Portugees en Pied de Pol in het Frans. De Spanjaarden noemden hem ook wel El Pirata. Jan Vos dichtte over hem:

Nog in 1704 memoreerde de Spaanse zeeheld Blas de Lezo het houten been van Jol, toen na de Zeeslag bij Málaga Lezo’s linkerbeen moest worden geamputeerd. De Spanjaard stelde zich daarbij Jol ten voorbeeld als een zeeman die grootse daden verrichtte en grote beroemdheid verwierf, ondanks zijn theoretische handicap.Cesáreo Fernández Duro, Historia de la Armada española desde la unión de los reinos de Castilla y Aragón vol. 6 p. 129, Madrid 1895-1903. Verrichtingen in West-Indië thumb|Het beleg van Recife in 1630.Jol, afkomstig uit een Scheveningse schippersfamilie, ging in 1626 in dienst bij de West-Indische Compagnie en stak negen keer de Atlantische Oceaan over om de Spanjaarden en Portugezen in de West (de Braziliaanse kust en de Caraïben) te bestrijden.

In 1629 veroverde hij het Braziliaanse eiland Fernando de Noronha, en behield het enige tijd tegenover een overmacht van 400 Portugezen onder Rui Calaza Borges. Francisco Augusto Pereira da Costa, Anais Pernambucanos II: 1591-1634 p. 481, Pernambuco 1951. Het eiland werd in 1635 heroverd door de WIC, en bleef tot 1654 als Pavonia deel uitmaken van Nederlands-Brazilië. Ook aan het daaropvolgende beleg van Recife in 1630 nam Jol deel, onder kapitein-generaal Hendrick Lonck. Zo ondernam hij op zijn jacht De Otter met het smaldeel van Lonck een gewaagde manoeuvre, waarbij ze vlak voorlangs het zeefort van Recife zeilden en het door een gezamenlijk bombardement van hun scheepskanons tot overgave trachtten te dwingen.Claes Jansz. Visscher, Gezicht op Olinda vanaf het water, Amsterdam 1630.

Met commandeur Jan Jansz. van Hoorn overviel hij in 1633 de steden Trujillo in Honduras en San Francisco de Campeche in Yucatán (Nieuw-Spanje). Tijdens de onderhandelingen die de Nederlanders met gouverneur Juan de Miranda voerden over de brandschatting die de Spanjaarden voor Trujillo moesten opbrengen, diende Jol als een van de twee vrijwillige Nederlandse gijzelaars in het Spaanse kamp.thumb|left|De verovering van Trujillo en San Francisco de Campeche in 1633 onder Van Hoorn.

In februari 1635 bezocht Jol als een van de eerste WIC-vertegenwoordigers het recent door Van Walbeeck ingenomen Curaçao, en bracht hem de nadrukkelijke opdracht van de Heren XIX over om het eiland niet te verlaten. Daarna overviel hij met een krijgslistJol kleedde zijn dekmatrozen in de militaire gewaden van de Orde van Christus en de Orde van Sint-Jacob, voer op klaarlichte dag de haven in met de Spaanse vlag in top, en deed de gouverneur van de stad zo geloven dat het om een Spaans eskader ging. de haven van Santiago de Cuba, en overmeesterde vervolgens in diverse zeegevechten 11 vijandelijke schepen, waaronder het Spaanse admiraalsschip en viceadmiraalsschip van Cartagena de Indias.

Aan het einde van deze succesvolle expeditie werd hij echter in de buurt van Duinkerke gevangengenomen door een eskader van zeven Duinkerker kapers onder leiding van Jacob Collaert, die hem pas ruim een half jaar later weer uitleverde. Zijn beroemde jacht De Otter werd nadien waarschijnlijk gebruikt door de kapers.Aldus de internetpagina van Maritime Stepping Stones (MaSS).thumb|Overzicht van de buit die Jol met zijn jacht De Otter behaalde tijdens zijn reis van 1631-1632, gepubliceerd in de Courante uyt Italien, Duytslandt, &c.Courante uyt Italien, Duytslandt, &c., 12 juni 1632.

Zilvervloot In 1637 viel hij als commandeur van een eigen eskader brutaalweg één der rijkst beladen gekonvooieerde koopvaarders uit de Spaanse Zilvervloot aan, en maakte die buit. In 1638 werd hij benoemd tot admiraal van de WIC, en deed in die functie een aanval op de gehele Zilvervloot onder Don Carlos de Ibarra. Deze actie mislukte echter door tegenstand van zijn kapiteinsUit de privé-correspondentie van Hugo de Groot met zijn zwager Nicolaas van Reigersberch blijkt dat het ging om Allert Jansz. van Griet, Andries Wouters, Michiel Thomassen, Dirck Thijssen, Joachim Gijsen, Samuel Lucassen en Claes Holbuyck., die zich (hetzij uit lafheid, hetzij uit jaloezie dat Jol met voorbijgaan van ouderen in rang tot admiraal was benoemd) aan de strijd onttrokken.Caspar van Baerle, Nederlandsch Brazilië onder het bewind van Johan Maurits Grave van Nassau 1637-1644, Samuel Pierre l'Honoré Naber (ed.), ’s-Gravenhage 1923.

Voor zijn persoonlijke dapperheid tijdens deze aanval beloonden de Staten-Generaal hem met een gouden ketting met medaille. De gerechtelijke procedure tegen zijn rebelse kapiteins sleepte echter bijzonder lang aan, en leidde uiteindelijk tot slechts matige straffen. Lieuwe van Aitzema vermeldt in zijn Historie of verhael van saken van staet en oorlogh, in ende omtrent de Vereenigde Nederlanden (1655-1671) de volgende bestraffingen voor de kapiteins in kwestie: 'Een van de Capiteyns of Schippers wiert sijn Geweer op het Schavot voor sijn voeten gebroocken; met confiscatie van sijn verdiende maent-gelden ende bannissement: een ander wierden desgelijcks sijn maent-gelden geconfisqueert, d’andere wierden gecondemneert simpelijck in de Misen van Justitie ende kosten van ghevanckenis'. Jol was over de gang van zaken zo verbolgen, dat hij zijn positie bij de WIC opzegde en in dienst trad bij de VOC.Aldus de privé-correspondentie van Hugo de Groot met zijn zwager Nicolaas van Reigersberch. Tijdens de Slag bij Duins het daaropvolgende jaar commandeerde hij zijn eskader dan ook vanaf een schip van de VOC.

thumb|left|Het verwoesten van de suikerplantages nabij Salvador da Bahia in 1640.In 1640 leverden admiraals Jol (inmiddels weer terug in dienst bij de WIC) en Lichthart de Tweede Slag bij Salvador da Bahia, waar zij onder meer 27 Portugese suikerfabrieken ontmantelden in de streek rondom Salvador da Bahia, als vergelding voor de schade die Portugese strijders eerder aan de plantages in het Nederlandse gebied hadden aangericht.

Na afloop van deze slag ondernam Jol een tweede (en laatste) poging om de Zilvervloot te overmeesteren, doch zijn zoektocht naar de Spaanse vloot werd bemoeilijkt doordat de zijne in een heftige orkaan verzeild raakte. Bovendien hielden de Spanjaarden angstvallig hun schepen in de havens van Vera Cruz en Cartagena de Indias, zolang als Jols vloot in het Caraïbisch gebied verbleef. Met gevoel voor historie plunderde Jol hierop de Spaanse bezittingen in de baai van Matanzas (waar Piet Hein twaalf jaar eerder de Zilvervloot in handen was gevallen), en voorzag zijn schepen aldaar in alle rust van water en andere nodige zaken.

Slag bij Duins thumb|Tijdens de Slag bij Duins bewaakte Jol de Spaanse noordflank (zie cijfer 7 op bovenstaande plaat). Tijdens de Slag bij Duins in 1639 voerde Jol als viceadmiraal van de Staatse vloot het bevel over een eskader van tien schepen Onder leiding van Jol op VOC-schip Jupiter, met kapiteins Reyndert de Rob, Jacob Struyck, Gerrit Fredericksz Capiteyn, Cornelis de Sayer, Dirck Claessz, Andries Cornelissz, C. Brustens, Arent Ackersloot en C. Jarsveldt., waarmee hij op last van Maarten Tromp onder meer de vluchtroute afgrendelde voor de noordelijke flank van de Spaanse Armada. Volgens sommige bronnen Keith Milton, The Battle of the Downs & the Eighty Years’ War, Military Heritage, oktober 2002. was Jol degene die tijdens de slag met vijf van zijn schepen het galjoen Santiago van admiraal Francisco Feijóo Sotomayor van het Galicische eskader omsingelde en het, na een 18 uur durend gevecht, tot overgave wist te dwingen.

Door de overwinning van de Nederlanders op de Spaanse vloot ging de hegemonie van de Spanjaarden op de Europese wateren voorgoed verloren. Daniël Heinsius schreef op de overwinning het gedicht Don Spek,"Spek" was een scheldnaam voor een Spanjaard, inzonderheid voor een Spaans soldaat, blijkbaar als mager en hongerig beschouwd. waarin hij de spot drijft met de Spaanse bevelhebber Don Antonio de Oquendo en er een aantal Nederlandse Dons van eigen maaksel tegenover stelt (waaronder Jol als Don Houtebeen):thumb|left|Jols viceadmiraalsschip tijdens de Slag bij Duins, de Oostindiëvaarder Jupiter.

Voor zijn verrichtingen tijdens de Slag bij Duins ontving Jol een beloning van 100 ducatons. Tevens werd hem bij deze gelegenheid door de verzamelde Oost- en West-Indische Compagnie een gouden medaille uitgereikt. Hierna zien we hem weer terug op zijn post als admiraal van de WIC.

Laatste veroveringen in West-Afrika thumb|De verovering van São Paolo de Loanda in september 1641.In Nederlands-Brazilië voelde gouverneur Johan Maurits zich intussen genoodzaakt een tweede steunpunt in Afrika te verwerven voor de slavenhandel (in aanvulling op het reeds eerder veroverde São Jorge da Mina) en de suikerrietteelt. Op 30 mei 1641 voer Jol daarom op Johan Maurits’ verzoek vanuit Nederlands-Brazilië naar Afrika, en veroverde daar respectievelijk de stad São Paolo de Loanda in Angola (hetgeen Piet Hein in 1624 niet gelukt was) en het eiland São Tomé op de Portugezen. Het imperium van de West-Indische Compagnie had hiermee zijn grootste omvang bereikt. Jol zelf echter overleed kort na de verovering, op 31 oktober 1641, te São Tomé aan malaria. Jacob Steendam dichtte ter gelegenheid van zijn overlijden de volgende regels:thumb|left|De verovering van São Tomé in oktober 1641.

Familie Cornelis Jol was gehuwd met Aeltje Jans, en woonde met haar in Amsterdam. Zij kregen drie kinderen: een dochter (Annetje) en twee zoons (Jan en Cornelis). Beide zoons werden schipper bij de VOC. Zijn jongste zoon Cornelis was daarnaast kapitein van de Leyden tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654). Evenals zijn vader in 1639, vocht Cornelis junior dus onder aanvoering van Maarten Tromp.

Eerbetoon