Het huis Egmont (ook wel Egmond) is een adellijk geslacht, voortgekomen uit de advocati (voogden) van de Egmondse Sint-Adelbertabdij, die gesticht werd door graaf Dirk I van Holland. Als stamvader kan Wouter van Egmont (1208) worden genoemd, die regeerde in het kasteel Egmond nabij de abdij. Er zijn nog drie andere takken van het geslacht: Egmont van Merenstein (tot 1559), Egmont van Kenenburg (tot 1703) en Egmont van Nijenburg (tot 1747).
Uit stamboomonderzoek van historicus Jos Hof blijkt dat het huis Egmont verwantschap heeft met het huidige Nederlandse, Noorse, Deense, Zweedse, Belgische en Luxemburgse koningshuis.Uitkijkpost
Geschiedenis miniatuur|Het wapen van Egmont
Oorsprong Dit Hollandse geslacht is ontstaan doordat de leden van het huis optraden als voogd en dus beschermer van de abdij van Egmond. De ligging van de abdij en het gebied van de heren van Egmont in het uiterste noorden van het graafschap Holland zorgde ervoor dat leden uit het huis Egmont betrokken werden bij de strijd van de graaf met de West-Friezen. Deze strijd zorgde voor verliezen, maar droeg uiteindelijk door aanhoudend succes bij aan de opkomst van het huis Egmont als een vooraanstaande familie in de Nederlandse geschiedenis.
Opkomst Voor hun steun aan de graven van Holland werden de Egmonds beloond met verschillende bezittingen in het veroverde West-Friesland, zoals de heerlijkheid Warmenhuizen en Harenkarspel, die geruild werd met Floris de Voogd voor de heerlijkheden Oudkarspel, Oterleek en de heerlijkheid Spanbroek. In 1283 werd Willem II van Egmont door Floris V van Holland benoemd tot heer van Egmont. Vanaf dit moment waren de Egmonds niet meer ondergeschikt aan de abdij, maar aan de graaf van Holland.
Door een goede huwelijkspolitiek en erfenissen weten de Egmonds de bezittingen in de Nederlanden steeds verder uit te breiden, waardoor ze een van de rijkste families van de Nederlanden worden. Zo erfde Jan I van Egmont in 1363 door zijn huwelijk met de dochter van Arnold van IJsselstein de Baronie IJsselstein. Ook voor bewezen diensten kreeg het huis Egmont de nodige bezittingen toegewezen. Zo krijgt Arnold van Egmont in 1398 de heerlijkheid Ameland in zijn bezit voor bewezen diensten aan de Graaf van Holland. Als het huis van Arkel in 1428 uitsterft komt ook een deel van diens bezittingen aan het huis Egmont. Het huis Egmont speelde een grote rol in de Hoekse en Kabeljauwse twisten waar ze aan de zijde van de Kabeljauwen vechten.
Hoogtepunten
Hertogen van Gelre Een enorme stap in macht en aanzien van het huis komt in 1423. Door de succesvolle huwelijkspolitiek erft de achterneef van de overleden hertog Reinoud IV, Arnold van Egmont, het Hertogdom Gelre, wat leidt tot de Tweede Gelderse Successieoorlog. Na de dood van Jan II van Egmont worden de bezittingen verdeeld over zijn twee oudste zonen. Arnold krijgt naast zijn al eerder verkregen hertogdom Gelre de bezittingen van de familie in ditzelfde hertogdom Gelre. Zijn tweede zoon, Willem IV van Egmont, krijgt de overige bezittingen, zoals de heerlijkheid Egmont en de baronie IJsselstein. Uiteindelijk weten drie generaties, hoewel met veel onrust, hun gezag over Gelre te vestigen. Arnold wordt als kleinzoon van de overleden hertog door de staten van Gelre tot opvolger gekozen. Rooms-koning Sigismund wijst echter Adolf van Gulik aan als opvolger. Na de Tweede Gelderse successieoorlog breekt een periode van relatieve rust aan in het hertogdom.
In 1465 werd Arnold met hulp van Filips de Goede door zijn zoon en opvolger Adolf gevangen gezet, waarna Adolf hertog van Gelre werd. Karel de Stoute, de opvolger van Filips, herstelde Arnold in zijn gezag en zette Adolf gevangen. Als dank hiervoor benoemde Arnold de Hertog van Bourgondië als zijn erfgenaam. De Staten van Gelre waren het hier weer niet mee eens en benoemden de verstoten zoon van Arnold, Adolf, als hertog. Karel de Stoute bezette hierop Gelre om zijn gezag te doen gelden. Adolf werd gevangen gezet in Hesdin. Toen hertog Karel bij de slag bij Nancy in 1477 sneuvelde, werd Adolf vrijgelaten, maar bood zijn diensten aan de dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië, aan. Hij kreeg als opdracht het gezag van Maria in het graafschap Vlaanderen te herstellen. Omdat het niet waarschijnlijk was dat Adolf spoedig terug zou keren naar Gelre, drongen de Staten erop aan dat Adolf zijn ongetrouwde zus, Catharina van Egmont, benoemde tot regentes. Adolf sneuvelde voor de poorten van de Vlaamse stad Doornik en zo werd Catharina ook regentes voor haar 10-jarige neefje Karel van Egmont.
In 1492 nam Karel zelf het bestuur over. Tijdens zijn bestuur had Keizer Karel V zijn zinnen gezet op het hertogdom. Dit liep uit op de Gelderse oorlogen. Karel kon nog enige tijd de zelfstandigheid van het hertogdom bewaren met de hulp van de veldheer Maarten van Rossum. In 1538 overleed Karel kinderloos en erfde Willem V van Kleef het hertogdom. Hiermee eindigde de 115-jarige heerschappij van het huis Egmont over het hertogdom Gelre. Het hertogdom werd aan het einde van de Gelderse oorlogen in 1543 ingelijfd door Keizer Karel bij de Bourgondische Nederlanden.
Graven van Egmont
Willem IV verdeelde zijn bezittingen bij zijn dood, waardoor er weer twee takken ontstonden. Zijn oudste zoon Jan III erfde de heerlijkheid Egmont, en zijn tweede zoon, Frederik van Egmont, de baronie IJsselstein en door zijn huwelijk de heerlijkheid Buren.
Jan III werd voor bewezen diensten in 1486 door Keizer Maximiliaan verheven tot graaf van Egmont. Ook was hij van 1483 tot 1515 Stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland. Hij verwierf de heerlijkheden Purmerend, Purmerland en Ilpendam, Baer en Lathum en Hoog- en Aartswoud(e). Hij werd opgevolgd door zijn derde zoon, Jan IV van Egmont. Zijn vierde zoon George werd bisschop van Utrecht.
Zijn kleinzoon Lamoraal I is de bekendste telg uit het huis Egmont. Lamoraal streed in de derde Gelderse successieoorlog aan de zijde van Keizer Karel en veroverde de Gelderse stad Düren. Hierna liet hij de stad in brand steken en de inwoners vermoorden, om zo een voorbeeld te stellen voor de andere Gelderse steden. Deze actie droeg in grote mate bij aan het beëindigen van de oorlog en het inlijven van Gelre bij de Bourgondische Nederlanden.
Als veldheer in het leger van de keizer en later de Spaanse koning was hij zeer succesvol, wat tezamen met zijn huwelijk met de Duitse prinses Sabina van Beieren ervoor zorgde dat zijn rijkdom en aanzien nog meer stegen. In 1557 erfde hij van zijn moeder onder andere het prinsdom Gavere, waardoor hij zich voortaan naast graaf ook prins mocht noemen. In 1559 werd hij stadhouder van Vlaanderen en Artesië en bereikte het huis Egmont het toppunt van zijn macht.
Graven van Buren en Leerdam Het tweede kind van heer Jan II van Egmond, Willem (1412-1483), erfde van zijn vader de heerlijkheid Egmont en kreeg drie zonen, waaronder Frederik van Egmond, graaf van Buren-Leerdam (?-1521). Hij kreeg de gebieden van Maximiliaan van Oostenrijk, omdat Egmond hem had gered uit Brugge. Deze tak had veel invloed, want onder de leden waren stadhouders van Holland, Friesland en Groningen. Deze tak stierf uit met Anna van Egmond van Buren (1533-1558), die trouwde met Willem van Oranje, waarna de bezittingen overgingen op het huis van Oranje.
Ondergang Lamoraal was samen met Willem van Oranje en Filips van Montmorency, de graaf van Horne, verwikkeld in een politiek machtsspel tussen de koning van Spanje, die vertegenwoordigd werd door kardinaal Granvelle, en de Nederlandse adel waarvan deze drie de hoogste vertegenwoordigers waren. Na het vertrek van Granvelle verzoende Lamoraal zich met de Spaanse koning, maar kort daarna brak op 10 augustus 1566 de beeldenstorm uit. Als reactie hierop stuurde Filips II de hertog van Alva naar de Nederlanden om de orde te herstellen. De graaf van Egmont waande zich als ridder in de orde van het Gulden Vlies onschendbaar, maar werd door de hertog van Alva op 9 september 1567 gearresteerd, samen met Horne. Willem van Oranje was al voor de komst van Alva naar Dillenburg gevlucht en ontsprong de dans. Lamoraal van Egmont werd door de raad van beroerten ter dood veroordeeld, en op 5 juni 1568 samen met de graaf van Horne op de Grote Markt te Brussel onthoofd. De goederen van de graaf werden verbeurd verklaard en kwamen toe aan de Spaanse koning.
Nadien wisten de erfgenamen van de graaf nog wel diverse bezittingen terug te krijgen, maar door schulden en het verloop van de Tachtigjarige Oorlog raakten ze de meeste van hun bezittingen kwijt en zouden het aanzien van weleer niet meer bereiken.
Filips van Egmont (1558-1590) streed in dienst van de Spaanse kroon. Lamoraal II van Egmont (1565-1617), een zoon van Lamoraal I werd beschuldigd van medeplichtigheid aan een aanslag op Willem van Oranje en verkocht in 1607 Egmond en Purmerend aan de Staten van Holland, waarmee het graafschap kwam te vervallen. De daaropvolgende Egmonts (Karel II, Lodewijk, Lodewijk Filips, Lodewijk Ernest, Procopo Frans) verbleven meestal in het huidige België. Met het overlijden van Maria Clara van Egmont (1661-1714) hield dit geslacht uiteindelijk op te bestaan en werden hun bezittingen overgeërfd door de familie Pignatelli.
Bastaardtakken Heren Van Egmond van de Nijenburg right|thumb|Het wapen van Egmont van Nijenburg Deze tak is voortgekomen uit de zoon (heimelijk huwelijk) van Willem IV Graaf van Egmond, heer van IJsselstein, Leerdam en Stadhouder van Gelre.Vaderlandsch Woordenboek 1786 Zijn zoon Gerrit Willemsz I van der Nijenburg is de stamvader van deze tak. Zij waren eerst kastelein van de Nieuwburg te Oudorp en bewoonden dit kasteel. De familie was invloedrijk en bezette vele bestuurlijke functies als vroedschap, schepen en burgemeester van Alkmaar, tevens als leden van de Staten van Holland en West Friesland. Jan van Egmont van de Nijenburg (1618-1712) was door Keizer Leopold verheven tot Baron van het Heilige Roomse Rijk, en schepen en burgemeester van Alkmaar, hij woonde in het Hof van Sonoy te Alkmaar. Vanaf begin 18e eeuw bewoonden ze het landgoed Nijenburg te Heiloo. Johan Aegidius van Egmont van de Nijenburg ((1693-1747, Ambassadeur van Napels)Johannes Aegidius van Egmond van de Nijenburg (12 april 1693 - 11 oktober 1747) in Biografisch Portaal van Nederland. stierf zonder mannelijke nakomelingen, waarna deze officiële tak uitstierf. Zoals in het Vaderlands Woordenboek deel XIII (door Jacobus Kok) staat beschreven, waren er nog nakomelingen die beweren afkomstig te zijn uit dit geslacht.
Heren van Egmont van Meerestein right|thumb|Het wapen van Egmont van Meerestein Het huis Egmont van Meerestein is een zijtak van het huis Egmont, vermoedelijk ontstaan als bastaardtak. Over het ontstaan is niet heel veel bekend maar wel dat Wouter van Egmont op 10 maart 1280 van zijn zwager Sijmen van Haarlem beleend werd met Meerestein. Het kasteel Meerestein was gelegen tussen Heemskerk en Wijk en Duin, het huidige Beverwijk.
Meerestein ging over op de tweede zoon van Wouter, Floris van Egmond, die stamvader werd van het geslacht Meerestein. Zijn kleinzoon Jan van Egmond was de eerste die zich Van Meerestein liet noemen, rond het jaar 1330. De daarop volgende vier heren heetten allemaal Albrecht van Egmont van Meerestein.
In 1429 maakte Jacoba van Beieren bezwaar tegen de belening van het bezit. Zij beval de leenbrief te onderzoeken op echtheid. Eigenlijk was dit een overbodige actie, omdat Albrecht nog in het bezit was van de originele leenbrief uit 1250, compleet met zegel van Sijmon van Haarlem. Tijdens het onderzoek liet Jan van der Neck, de biechtvader van Jacoba van Beieren, de brief per ongeluk of met opzet uit zijn handen vallen. Het zegel brak uiteen, waarmee de leenbrief ongeldig was geworden. De raad liet een proces-verbaal opstellen van het gebeurde met de toevoeging dat de leenbrief niet ongeldig was, ook al ontbrak het zegel.