thumb|Gravure van de Bountyeilanden (1869) thumb|De Bountyeilanden zijn vrijwel geheel bedekt met vogels op deze foto uit 1888. De Bountyeilanden zijn een groep van heel kleine, onbewoonde en rotsachtige eilandjes, ongeveer 700 km ten zuidoosten van het zuidereiland van Nieuw-Zeeland. De eilandjes hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1,35 km² (slechts 1/30 van de oppervlakte van Schiermonnikoog). Samen met vier andere kleine eilandengroepen in dit gebied behoren ze tot de sub-Antarctische eilanden van Nieuw-Zeeland. De eilanden zijn beschermd gebied en behoren tot het UNESCO Werelderfgoed. Er leven grote groepen pelsrobben, pinguïns en albatrossen. Het is de enige plaats ter wereld waar de Bounty-aalscholver voorkomt. Er is vrijwel geen vegetatie.
Beschrijving De Bountyeilanden zijn de noordelijkste van de vijf eilandengroepen van de Nieuw-Zeelandse sub-antarctische eilanden. De andere groepen zijn de Aucklandeilanden, de Snareseilanden, de Antipodeneilanden en Campbelleiland.
De archipel bestaat uit 22 granieten rotseilandjes die verdeeld in drie groepjes op een lijn van noordwest naar zuidoost liggen, met steeds ca. 1 km afstand tussen de groepen. De hele groep is ca. 4 km lang. De gezamenlijke oppervlakte bedraagt slechts 1,35 km². De hoofdgroep ligt in het noordwesten en bestaat uit 8 eilandjes en wat losse klippen. Hier ligt ook het hoofdeiland (Depot Island), zo genoemd omdat hier ooit een depot was met noodvoorraden voor schipbreukelingen. Dit eiland heeft een maximale diameter van ca. 600 meter, en nergens is de afstand naar zee er meer dan 150 à 200 meter. De andere eilandjes in deze groep zijn: Lion Island, Penguin Island, Proclamation Island, Ranfurly Island,Genoemd naar Uchter Knox, de 5e Earl van Ranfurly, Gouverneur-Generaal van Nieuw-Zeeland van 1897 tot 1904. In 1900-1901 nam hij deel aan een biologische expeditie naar de sub-antarctische eilanden Ruatara Island, Spider Island en Tunnel Island. Ook liggen hier nog Dog Rock, Seal Rock en Skua Rock.
De beide andere groepjes zijn zeer klein en bestaan elk uit één hoofdeilandje omringd door nog kleinere rotsen. Het hoofdeilandje in de centrale groep is Funnel Island, tevens het hoogste eiland (73 m); hier liggen ook Prion Island, Castle Island, Coronet Island en een naamloze rots. Het hoofdeilandje van de Oostgroep heet Molly Cap. Verder liggen in deze groep Con Island, North Rock en nog vier naamloze rotsen.Een gedetailleerde kaart met al deze namen kan hier gedownload worden. Gearchiveerd op 5 juli 2022.
Alle eilandjes zijn kaal en winderig en sterk geërodeerd door de zee. Ze bieden geen enkele beschutting bij stormachtig weer, en onder zulke omstandigheden is geen enkel deel van het land buiten bereik van de zoute spray. Er is geen gemakkelijke plek om aan land te gaan en voor schepen is er geen veilige ankerplaats. Op zeeniveau zijn de rotsen spiegelglad en extreem verraderlijk om op te lopen. Deze gladheid is voornamelijk te wijten aan de actie van de zee, maar er is weinig twijfel dat de polijstende werking van de voeten en flippers van de enorme aantallen pinguïns en robben hieraan heeft bijgedragen. Voorts wordt de topografie bepaald door hoge verticaal aaneengesloten klippen met hoekige toppen. De hogere delen hebben daardoor een ongelijkmatig oppervlakte. Er zijn vrijwel geen platte stukjes. Tijdens het broedseizoen worden grote hoeveelheden guano afgezet op de eilanden, maar de winterstormen vegen het grootste deel er weer af. Er is geen betrouwbare bron van drinkwater op de eilanden. Een zekere hoeveelheid brak water blijft staan in poelen en holtes op de rotsen; hierin ontstaat een soort organische modder bestaande uit rottende karkassen, uitwerpselen, voedselresten, veren en zeewier.Islands of Despair BEING AN ACCOUNT OF A SURVEY EXPEDITION TO THE SUB-ANTARCTIC ISLANDS OF NEW ZEALAND by Alan W. Eden (Andrew Melrose Limited, London, 1955), p. 172-176
Een reisbeschrijving uit 1890 geeft wellicht een meer sprekend beeld van de eilanden: Een vreselijke stank doortrok mijn hut toen ik wakker werd. ... het was dat, en niets anders dat mij wekte. Ik heb geslapen in vreemde plaatsen en te midden van duizend vreemde geuren, maar nooit heb ik zoiets misselijkmakends doorstaan als dit. ... Ik rende half wakker naar de badkamer. De gangen roken zoals mijn kamer. De badkamer was al net zo erg. Toen herinnerde ik me ... wat er gebeurd was: we voeren bij de vogeleilanden. De Bounties zijn zestien rotsachtige eilandjes ... Er is geen grond (aarde). Overal waar er ruimte is zit een kuifpinguïn. ... Zelfs op een afstand van een halve mijl is het geluid van de vogels oorverdovend. ... Ik wilde aan land gaan, en toen boten naar land werden gestuurd waagden twee van ons om mee te gaan. Maar we vonden de rotsen te steil om ook maar een klein stukje omhoog te komen, dus we gaven het op. De steward en de timmerman gingen wel een stukje verder. Hier was de stank gewoon verschrikkelijk. We keken een tijdje naar hoe de pinguïns uitzwermden over de rotsen. De grote stormvogels zwommen rondom ons, de albatrossen zaten naast hun grote jongen te midden van de pinguïns ... Het is goed te beseffen dat sommige wezens de geur van pinguïns kunnen uitstaan. Hemel! Wat een plek om te worden achtergelaten! Er was hier ook een depot, maar de bliksem heeft het vernietigd, en de zee is zelden rustig genoeg om materiaal aan te voeren om het te repareren. Er is een zeil om water op te vangen. Gelukkig is er geen vermoeden dat iemand hier ooit schipbreuk leed. ... We waren blij om terug te keren naar het schip met zijn kwalijke reuk - weg van het lawaai en de ondraaglijke stank van het eiland. Bij het wegvaren voer de kapitein langzaam langs de langste zijde van het grootste eiland; het was één massa van pinguïns. Vol als het was, meende ik dat er wel een miljoen pinguïns op de 100 hectare van de eilandengroep waren. Er moeten er net zo veel, misschien wel twee keer zo veel, in het water zijn geweest, want zij zwommen in groepen tot mijlenver uit de kust. Sir William Jervois en kapitein Fairchild maakten eens een berekening en concludeerden, geloof ik, dat er vijf miljoen pinguïns verbleven. De kapitein verzekerde ons dat ze vaak nog veel dichter op elkaar gepakt waren dan wij hen zagen, en dan waren er minder in het water.De oorspronkelijke Engelse tekst van dit fragment luidt: A fearful stench pervaded my cabin when I awoke. ... it was that and nothing else that awakened me. I have slept in strange places and amid a thousand strange smells, but never did I endure anything so sickening as this. .... I rushed out to the bath half awake. The galleries smelt as my room did. The bathroom was just as bad. Then I remembered .... what had happened: we were steaming among the bird islands. The Bounties are sixteen rocky islets, ... They have no soil upon them. Wherever there is room there sits a crested penguin. ... Even at the distance of half a mile the noise of the birds was deafening. ... I wanted to land, and as boats were sent ashore two of us ventured in them. We found the rocks too steep to get up any distance, so we gave it up. The steward and the carpenter went up a short way. Here the stench was simply awful. We watched the penguins swarming over the rocks for a while. The great nellies swam about us; the mollymawks sat beside their big young ones among the penguins ... It is good to think that some creatures can stand the smell of penguins. Heavens! What a place to be marooned in! There was a dépôt here too, but lightning has destroyed it, and the sea is rarely fine enough to allow material to be landed to repair it. A sail is provided to catch water. Fortunately there is no suspicion that anybody was ever wrecked here. ... We were glad to get back to the ship with her evil smell — away from the noise and the intolerable stench of the island. In moving away the captain took us slowly past the largest face of the largest island; it was one mass of penguins. Crowded as they were, I judged that there were a million penguins on the 100 acres of land in the group. There must have been fully as many—perhaps twice as many—in the water, for they were in flocks for miles out. Sir William Jervois and Captain Fairchild once made a calculation, and, I believe, concluded that five million penguins resorted there. The captain assured us that they were often packed far closer than we saw them, and then there were fewer in the water. (1890): 'The Outlying Islands south of New Zealand' in Transactions of the New Zealand Institute (=Transactions and Proceedings of the Royal Society of New Zealand), Vol. 23, 1890, Art. LVIII, p. 491-522. Voor de Bountyeilanden zie 'VII. The Bounty Islands' op p. 518-520. hier De onderzeese topografie lijkt op die boven de oppervlakte: onder water hebben de eilanden grote steile wanden, rotsblokken en zijn er verticale rotsstructuren. Rondom is slechts een smalle rand waar het water minder dan 100 m diep is; de rest van de territoriale zee is ongeveer 200–250 m diep.
Ontdekking en inbezitname thumb|William Bligh, ontdekker van de eilanden thumb|De Bounty (een replica) thumb|Verslag van George Palmers bezoek aan de Bountyeilanden in 1870, waarbij hij de eilanden in bezit nam voor het Britse Rijk. Leesbaar bij aanklikken. Hoewel de Bountyeilanden verreweg het kleinste en meest afgelegen zijn van de vijf groepen Nieuw-Zeelandse sub-antarctische eilanden, werden ze het eerst ontdekt. Dit gebeurde op 19 september 1788 door de Britse kapitein William Bligh, die op weg was van Engeland naar Tahiti, en die ze vernoemde naar zijn schip, de Bounty. Het relaas van de ontdekking uit zijn scheepsjournaal luidt als volgt: