thumb|Opel Rekord P1 De Opel Rekord was een autotype van de autofabrikant Opel. Het middenklassevoertuig was in productie van 1953 (echter onder de naam Olympia Rekord) tot en met 1986. De wagen werd in Duitsland en België gebouwd en daarnaast geassembleerd in Zwitserland (onder de naam Rekord Ascona). De productie bedroeg circa tien miljoen exemplaren. Toen de productie van de Rekord beëindigd werd, werd deze vervangen door de Omega.

De Olympia- en Rekordmodellen waren vooral werkpaarden. De nadruk lag steeds bij lage onderhoudskosten, duurzaamheid en functionaliteit. Daarbij werd de vorm steeds aangepast aan de smaak van de tijd. Vanaf de jaren 1960 werd het gamma van uitvoeringen zeer uitgebreid. Door de hoge productieaantallen en de robuuste, ongecompliceerde techniek zijn nog relatief veel Rekords in gebruik of in het bezit van liefhebbers.

Modellen Opel Olympia Rekord (1953–1957) Opel Rekord P1 (1957–1960) Opel Rekord P2 (1960–1963) Opel Rekord A (1963–1965) Opel Rekord B (1965–1966) Opel Rekord C (1966–1972) Opel Rekord D (1971–1977, reeds in productie voordat de productie van de Rekord C beëindigd was) Opel Rekord E (1977–1986)

Voorlopers In 1935 lanceerde Opel ter gelegenheid van de Olympiade van Berlijn van 1936 een voor die tijd vooruitstrevende auto: de Olympia. Deze eerste productieauto met volledig zelfdragende carrosserie zou de technische basis leggen voor alle Opelmodellen voor de komende dertig jaar. Hoofdingenieur Karl Stief stond aan de leiding van de ontwikkeling, die twee jaar duurde en zo'n twee miljoen testkilometers besloeg, van de Sahara tot Lapland. De techniek was in nauwe samenwerking met General Motors Detroit ontwikkeld: een gietijzeren viercilinder kopklepmotor in lijn, met als bijzonderheid een viermaal gelagerde krukas en contragewicht tussen de tweede en derde cilinder, een drieversnellingsbak, starre achteras, onafhankelijke voorwielophanging met Dubonnet-wrijvingsschokdempers en gekapselde schroefveren en een gesloten koelsysteem. De sedanversie werd geleverd met stalen of linnen dak (Cabrio-limousine genaamd) en er was een bestelvariant met derde deur.

Om geen enkel risico te nemen met de kwaliteit van de zelfdragende carrosserie was voor de dragende delen bijzonder zwaar plaatwerk gebruikt. Ook maakte de constructie kreukelzônes mogelijk, wat in de jaren 30 nog lang niet gebruikelijk was.

In juni 1936 reden twee Olympia's van Rüsselsheim naar Athene en stopten op de openingsdag van de Olympische spelen voor het nieuwe Olympisch stadion in Berlijn met aan boord de Olympische vlam. Een prachtige reclamestunt natuurlijk, net als de tien Olympia's die dat jaar meededen in de Transalpine Rally waarmee de eerste negen plaatsen werden behaald.

De Olympia was echter in de eerste plaats een kwaliteitsauto voor Jan Modaal voor een prijs van 2500 Reichsmark en verkocht uitstekend. Mede door dit model werd Opel de grootste autoproducent van Europa met 120.000 stuks per jaar. In 1936 werd een vereenvoudigde versie op de markt gebracht onder de naam Kadett. Het voorlopige einde werd ingeluid door het begin van de Tweede Wereldoorlog. Opel schakelde over op productie van oorlogsmaterieel en in oktober 1940 liep de laatste Olympia van de band. Opel kon toen nog juist aankondigen de miljoenste auto te hebben geproduceerd. De Olympiamotor en -versnellingsbak werden gedurende de hele oorlog gebruikt in allerhande legermaterieel.

De fabrieken in Rüsselsheim waren in de oorlog vrijwel verwoest. Het eerste model dat uit de deels herbouwde fabriek rolde, was in januari 1946 de Blitz bestelwagen. Opel wilde ook de personenautoproductie opstarten en omdat de Kapitän de Blitz zescilindermotor had, zou dit de meest logische keuze zijn geweest. De Amerikaanse bezettingsmacht verbood de productie van auto's boven de 1500 cc en de Kadett-productielijn in Brandenburg was in het kader van herstelbetalingen verdwenen naar Moskou, zodat de enige Opel personenwagen die kon worden geproduceerd, de Olympia was.

thumb|Opel Olympia van 1952

In november 1946 kwamen de eerste naoorlogse Olympia's van de band: technisch vrijwel gelijk aan het model van 1936 maar met een 37 pk 1500 cc motor, een verbeterde voorwielophanging en, uit materiaalgebrek, zonder ook maar een spatje chroom. De topsnelheid was 115 km/u.brochure Opel Olympia 1946

Het vooroorlogse model kreeg belangrijke modificaties in 1950 en 1951. De carrosserie kreeg andere spatschermen, een Kapitän-achtige verchroomde grille, het reservewiel verhuisde naar de kofferruimte, het dashboard werd vernieuwd en er kwam stuurversnelling. In 1953 viel uiteindelijk het doek voor het oorspronkelijk uit 1935 stammende Olympiamodel en was tevens de jaarproductie terug op het vooroorlogse niveau.brochure Opel Olympia 1951

Olympia Rekord 1953 thumb|Opel Olympia Rekord van 1953 De Olympia Rekord verscheen in 1953 met een moderne carrosserie in pontonvorm, in open en gesloten versies. De techniek was bekend: de 1500 cc viercilindermotor leverde inmiddels 40 pk en was gekoppeld aan een drieversnellingsbak. Doordat de nieuwe zelfdragende carrosserie lichter en stijver was geworden haalde de auto nu een top- en kruissnelheid van 120 km/u.

Tijdens de jaren 1950 hanteerde Opel een Amerikaanse marktstrategie: elk jaar een modernisering van het uiterlijk, maar steeds met minimale technische wijzigingen. De Volkswagen veranderde jaar na jaar nauwelijks, andere Europese merken brachten periodiek een totaal nieuw grondconcept op de markt, maar de Opel (Olympia) Rekord bleef er ergens tussenin: jaar na jaar werd de vorm en aankleding aangepast aan moderne eisen, in de techniek werd alleen het noodzakelijke gemoderniseerd. Daardoor bleef de Opel niet alleen betaalbaar; maar men wist ook wat men kreeg. Geen spannende prestaties, maar ook geen vervelende kinderziekten. De Opel kreeg daardoor een degelijke maar ietwat burgerlijke reputatie. De meeste bezitters lagen daar niet van wakker: er waren voor dit model Olympia Rekord 129.000 rijders te vinden.

Olympia Rekord 1955 In 1955 kreeg de Opel een nieuwe grille met “haaientanden” en een motor met een verhoogd koppel. Verder veranderde er eigenlijk niets. De verkopen waren stabiel en hoog, zodat de Opels niet meer weg te denken waren uit het straatbeeld. 125.000 reden de showrooms uit.

Olympia Rekord 1956 In 1956 verdwenen de haaientanden en kreeg de Opel een verchroomde grille. Daarachter hadden de technici de motor onder handen genomen en er 5 pk méér uit getoverd. De topsnelheid ging naar 122 km/u, en dat alles voor een verlaagde prijs. In een jaartje werden er 139.000 aan de man (toen nog meestal wel) gebracht.

Olympia Rekord 1957 De carrosserie (die oorspronkelijk stamde uit 1953) werd in 1957 flink onder handen genomen, de Olympia Rekord werd strakker aan de flanken en kreeg een lagere daklijn. De drieversnellingsbak was nu volledig gesynchroniseerd. Opel verkocht er 162.000.

Olympia Rekord P1 1957 thumb|Opel Rekord P1 De Olympia Rekord ging met de Amerikaanse mode mee met zijn panoramische ruiten en vele chroom. Het benadrukte een geheel nieuw, groter koetswerk. Ten opzichte van zijn voorganger was hij 20 cm langer, 4 cm lager en 6 cm breder geworden. Er kwamen tweekleurenschema's, banden met witte zijkanten, een ruimer interieur en dito kofferbak. Er kwamen twee- en vierdeursversies en drie- en vijfdeurs stationcars. Naast de 1500 cc motor kwam nu ook een tot 1700 cc opgeboorde versie ter beschikking, die 55 pk leverde bij 4000 toeren per minuut en een topsnelheid gaf van 135 km/u.

Vanaf 1958 kwam een halfautomatische versnellingsbak beschikbaar, de "Olymat", of beter gezegd: de Fichtel & Sachs "Saxomat". Auto's die hiermee waren uitgerust, hadden geen koppelingspedaal nodig; men kon schakelen en wegrijden dankzij de centrifugaalkoppeling en tijdens het rijden schakelen zodra het gaspedaal werd losgelaten, doordat middels het vacuüm in het inlaatspruitstuk werd ontkoppeld.

Door al deze nieuwigheden was de P1 aanzienlijk duurder geworden dan zijn voorganger en dat kon klanten gaan kosten. Daarom kwam er een uitgeklede versie met verkleinde motor op de markt, de Opel 1200, die tot 1962 zou doorlopen. De Rekord P1 werd een doorslaand succes, in drie jaar werden er ruim 787.000 geproduceerd. Hoeveel knieën er bezeerd zijn aan de puntige, ver naar binnen stekende A-stijl is niet bekend.brochure Opel Rekord P1

Olympia Rekord P2 1960 De P2 had een wat meer Europese uitstraling. De panoramische ruiten waren verdwenen en er was geen verchroomd lijnenspel meer nodig om de fraaie lijn te verbeteren; die had de auto zo ook wel. Naast de standaardversie kwam er een luxe model “L” met tweekleurenschema, fraaiere bekleding, voorstoelen in plaats van een bank en wat extra accessoires. Op de IAA in Frankfurt lanceerde Opel in 1961 een coupéversie en een cabriolet, die nu door de liefhebbers in goud worden gewogen maar destijds de bijnaam “rijdende kofferbak” kreeg door de wat vreemd uitgevallen verhouding tussen voor- en achterzijde; een duurdere auto met minder binnenruimte. Technisch bleef alles bij het oude-vertrouwde en zo ook de verkoopcijfers: 755.000 exemplaren verlieten in drie jaar tijd de poort.

Rekord A 1963 Begin jaren 1960 wilde Opel afrekenen met het bedaagde imago van een auto voor gleufhoedendragers en ambtenaren. De concurrentie stond dan ook niet stil: BMW introduceerde met de "neue Klasse" een ruime, sportieve en kwalitatief hoogwaardige gezinsauto. Ford moderniseerde de Taunus-serie ingrijpend met fraai gestroomlijnde modellen. DKW kwam met de ruime F102 op de markt. De trend om Europese auto's vorm te geven als kleine Amerikaantjes leek bovendien voorgoed voorbij.

thumb|Opel Rekord A

De Rekord A kreeg een zeer strak vormgegeven carrosserie die wederom ruimer was geworden en die in frisse kleuren werd gespoten, op verzoek met een in zwart of wit gespoten dak. Metallic lak werd leverbaar. De zijramen waren gewelfd, destijds een unicum, de 1500- en 1700 motoren waren opgevoerd naar respectievelijk 55 en 67 pk. De cardanas bestond uit twee delen om de bodemplaat lager te kunnen leggen, er kwamen schijfremmen op de voorwielen en voor het eerst ook een rembekrachtiger. Onder de lange motorkap was een overvloed aan ruimte en deze werd in 1964 goed gevuld met de 2600 cc zescilinder Kapitän-motor, goed voor 100 pk en een top van 170 km/u.

Dergelijke hoge snelheden rijden was met deze Rekord niet altijd verstandig, in elk geval niet op slechte wegen of met harde zijwind. De wielophanging was ongewijzigd overgenomen van de Rekord PII, terwijl de A groter en zwaarder was. Onder de brede carrosserie viel vooral de relatief smalle spoorbreedte op.

Net als de Kadett A van 1963 was de Rekord A "zelfsmerend": alle 42 smeerpunten die de vooroorlogse Olympia nog had waren eindelijk vervallen.

De Rekord A was leverbaar als tweedeurs- en vierdeurs limousine, tweedeurs coupé, driedeurs stationwagen (“Caravan”) en als bestelwagen, in twee uitvoeringen (standaard en luxe), met stuur- of vloerversnelling, met drie- of vierversnellingsbak en met drie verschillende motoren. Zowel Autenrieth als Deutsch bouwden cabrioletversies. Maar vernieuwing was al snel weer noodzakelijk: de techniek van de vooroorlogse motoren en versnellingsbakken liep tegen grenzen aan. Een verdere vermogensstijging was met de vooroorlogse vier- en zescilinders niet mogelijk zonder aan de levensduur te tornen. Een nieuwe motorenreeks werd gedurende de looptijd van de Rekord A ontwikkeld en getest. Deze vier- en zescilindermotoren zouden de komende 30 jaar in alle Opelmodellen dienstdoen, tussen de kleinere Kadettmotor en de V8-motor van de Diplomat. De nieuwe motor en aandrijflijn kwamen voor de Rekord beschikbaar in 1965, Opel modificeerde het Rekord A koetswerk hier en daar en zo ontstond de Rekord B.

Maar voorlopig waren er nog altijd 864.000 Rekord A-kopers te vinden.

Rekord B 1965