Peter Lorre, geboren als László Löwenstein (Rózsahegy in het huidige Slowakije, 26 juni 1904 – Los Angeles, 23 maart 1964), was een Amerikaans acteur van Oostenrijks-Hongaarse afkomst. Hij stond bekend om zijn lijzige stem, zijn Oostenrijks accent en zijn grote, ietwat uitpuilende ogen. Lorre werd vaak als sinistere buitenlander getypecast in thrillers, mysteries en films noirs.
Lorre begon zijn acteercarrière in 1922 op het toneel in Oostenrijk. Daarna trad hij op in toneelstukken in Zwitserland en de Weimarrepubliek. In 1931 speelde hij de hoofdrol in de filmklassieker M – Eine Stadt sucht einen Mörder van Fritz Lang. Zijn vertolking van de kindermoordenaar Hans Beckert bracht hem internationale bekendheid. Toen Adolf Hitler aan de macht kwam verliet Lorre Duitsland. In Groot-Brittannië speelde hij in zijn eerste Engelstalige film, The Man Who Knew Too Much (1934) van Alfred Hitchcock.
In 1935 emigreerde Lorre naar de Verenigde Staten. De eerste jaren in Hollywood speelde hij in veel B-films de rol van misdadiger. Van 1941 tot 1946 werkte Lorre voornamelijk voor Warner Bros. en speelde hij met Humphrey Bogart en Sydney Greenstreet in filmklassiekers als The Maltese Falcon (1941) en Casablanca (1942). Enkele andere noemenswaardige films met Lorre zijn Frank Capra's Arsenic and Old Lace (1944), Disney's 20,000 Leagues Under the Sea (1954) en Der Verlorene (1951), die hij zelf regisseerde.
Lorre stond bekend als een rustige man met een droog gevoel voor humor. Hij had overwegend een goed humeur, ondanks zijn hardnekkige morfineverslaving en gezondheidsproblemen. Lorre was bevriend met beroemdheden als Bertolt Brecht, Humphrey Bogart en John Huston. Zijn eigen ambities bleven echter grotendeels onvervuld. De karakterrollen die Hollywood Lorre opdrong gaven hem minder artistieke vrijheid dan hij wenste.
Biografie thumb|De synagoge van Rózsahegy. In deze stad bracht Peter Lorre zijn eerste jeugdjaren door. Peter Lorre werd op 26 juni 1904 als László Löwenstein geboren in de Hongaarse stad Rózsahegy, het huidige Ružomberok in Slowakije. Hij was het eerste kind van het Joodse echtpaar Alajos Löwenstein en Elvira Freischberger. Zij woonden bij de geboorte van Lorre pas kort in Rózsahegy, waar Alajos een aanstelling had gekregen als hoofdboekhouder in een textielfabriek. Ze waren hier als Duitssprekende Joden buitenbeentjes in een overwegend Slowaakse samenleving."Sie waren Juden, und sie sprachen deutsch in einer Gegend, in der überwiegend Slowaken lebten." , Peter Lorre. Seine Filme - sein Leben 1988, (München), p. 8 Om zijn inkomen aan te vullen had Alajos zich aangemeld bij de militaire reserve, waardoor hij vaak van huis was., pp. 5, 6
Elvira stierf in april 1908. Zij liet Alajos drie zonen na: de vier jaar oude László, de twee jaar jongere Ferenc en András, die nog maar enkele maanden oud was. Alajos trouwde kort daarop met Melanie Klein, de beste vriendin van Elvira. Bij haar kreeg hij nog twee kinderen. László had een slechte verstandhouding met zijn stiefmoeder. Hij miste zijn moeder en zonderde zich veel af. Dit drukte een stempel op zijn jeugd., pp. 6, 7 Toen in 1913 de Tweede Balkanoorlog uitbrak, verhuisden Alajos en zijn gezin naar Wenen. Tijdens de winter van 1914–1915 diende Alajos aan het Oostfront. Later werd hij wegens hartklachten overgeplaatst en kreeg hij de leiding over een gevangenenkamp., pp. 7, 8
Toneel (1922–1931) Op 17-jarige leeftijd begon László zijn acteercarrière met rollen in het Weense theater. Hij werkte aanvankelijk met de Weense poppenspeler Richard Teschner. Alajos zag echter geen toekomst in het toneel en raadde László aan om een degelijke baan te nemen. Dankzij een oom die directeur was van de Anglo-Österreichische Bank in Wenen, kreeg László in oktober 1922 een functie bij de bank, op de afdeling voor buitenlandse wisselkoersen. Binnen enkele maanden was hij opgeklommen tot manager. Naast zijn werkzaamheden voor de bank bleef László in de avonduren acteren. Toen zijn werk hieronder begon te lijden, werd hij ontslagen., pp. 11, 12 Nadat hij een poos had rondgezworven, ontmoette László theatereigenaar Jacob Moreno, die hem onder zijn hoede nam. Moreno adviseerde hem om een artiestennaam aan te nemen. Hij gaf László dezelfde voornaam als de Oostenrijkse schrijver Peter Altenberg, een vriend van Moreno. Als achternaam stelde Moreno 'Lorre' voor, een Duitse koosnaam voor een papegaai., pp. 16-19
Lorre verhuisde later naar Breslau, het huidige Wrocław, waar hij in 1924 en 1925 in allerlei theaters kleine rollen vertolkte. Lorre raakte bevriend met acteur Hans Peppler. Toen deze in augustus 1925 naar Zürich in Zwitserland verhuisde, nam hij Lorre mee. In het Schauspielhaus Zürich speelden zij tal van komedies, kluchten en drama's, ondanks Lorres gezondheidsproblemen. Hij had reeds enige tijd chronische galblaasproblemen, die zich uitten in hevige pijnen en misselijkheid die vaak overging in braken. Alajos Löwenstein stuurde een chirurg naar zijn zoon om hem te opereren. Deze gaf Lorre morfine als pijnstiller, zodat hij kon blijven acteren. Het was het begin van een verslaving waar Lorre de rest van zijn leven mee bleef worstelen., pp. 19-22
miniatuur|Het Theater am Schiffbauerdamm, waar Peter Lorre in diverse stukken van Bertolt Brecht speelde.In 1954 werd hier Brechts Berliner Ensemble gevestigd. Nadat Lorre in een toneelstuk van Franz Theodor Csokor had gespeeld, hielp deze hem in 1927 aan een contract in het Renaissance Theater in Berlijn. In die stad raakte Lorre bevriend met de Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht., pp. 24, 25 Deze castte Lorre als student in Marieluise Fleißer’s komedie Pioniere in Ingolstadt, Peter Lorre Book: A Biographical Sketch dat in het voorjaar van 1929 in het Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn werd opgevoerd. Op 30 mei ging Brechts Dreigroschenoper (Driestuiversopera) in hetzelfde theater in première, met Lorre in een van de hoofdrollen. Actrice Celia Lovsky was een van de toeschouwers. Zij was onder de indruk van Lorres acteerwerk en zocht hem na de voorstelling op. Lorre herkende haar, hij had haar in Oostenrijk gezien in een toneeluitvoering van Shakespeare's Othello. Kort na deze ontmoeting gingen Lovsky en Lorre samenwonen., pp. 29-32, 39
Af en toe speelden Lorre en Lovsky in hetzelfde toneelstuk. Zo hadden beiden een rol in Die Unüberwindlichen van Karl Kraus, samen met Peppler en Kurt Gerron. Kraus had een lange reeks voorstellingen op het oog, maar na de première op 20 oktober 1929 werden alle opvoeringen afgelast. Het theater noemde een slechte opbrengst en Lorres zwakke gezondheid als reden, maar volgens toneelhistoricus Harry Zohn was de ware oorzaak een verzoek van de Oostenrijkse ambassade. Kraus stond immers bekend om zijn kritiek op de Weense pers en de Oostenrijkse regering., pp. 39, 40
Lorres carrière kwam echter niet in gevaar. Na Dreigroschenoper speelde hij nog meer belangrijke rollen in Brechts producties. Samen met zijn vriend Gerron speelde hij in Happy End (1929), het vervolg op Dreigroschenoper. Künste im Exil: Kurt Gerron Ook in Mann ist Mann (1931) speelde Lorre een van de hoofdrollen., p. 49 Brecht noemde hem de beste vertolker van zijn werken. Binnen drie jaar behoorde Lorre tot de bekendste toneelspelers in Berlijn.
Eerste films (1929–1933) In 1929 maakte Lorre zijn filmdebuut met een figurantenrol in Die verschwundene Frau, een stomme film van Karl Leiter. De film werd lange tijd als verloren beschouwd, tot in 1984 een gehavende Belgische kopie opdook. Toen de restauratie ervan in 1996 gereed was, werd ontdekt dat Lorre in een tandartsscène te zien was als wachtende patiënt. Dat was verrassend omdat zijn naam niet voorkwam op de lijst van acteurs en ook niet genoemd was in recensies., pp. 37, 38
miniatuur|Wandversiering in een Duits café van Peter Lorre als de psychotische moordenaar in M, de rol waarmee hij doorbrak naar het grote publiek Lorre heeft steeds beweerd dat M – Eine Stadt sucht einen Mörder uit 1931 zijn filmdebuut was., p. 38 Zijn vertolking van kindermoordenaar Hans Beckert was hoe dan ook zijn eerste grote rol op het witte doek. M was de eerste geluidsfilm van Fritz Lang, die hij naar verluidt baseerde op de moordzaak van Peter Kürten in Düsseldorf. , Movies and the Modern Psyche (2007, Praeger), p. 88 Lorre had zijn rol mede te danken aan Celia Lovsky die hem voorstelde aan Lang., pp. 36, 37 Deze was ervan overtuigd dat Lorre geschikt was en liet hem geen screentest doen. (ed.), Fritz Lang: Interviews (2003, University Press of Mississippi), p. 78 Zelf was Lorre sceptisch en zei tegen Lang: "Wie kan een filmcarrière verwachten met zo'n gezicht als dat van mij?" De film werd echter positief ontvangen en verscheen ook in bioscopen buiten Duitsland. Later beweerde Lang in een interview dat Lorre met zijn vertolking van Hans Beckert zijn beste acteerprestatie heeft geleverd en bovendien "een van de beste prestaties in de filmgeschiedenis"., p. 64 De filmcriticus Sharon Packer schreef over Lorres hoofdrol:
Na M speelde Lorre in tien andere Duitse films, waarin hij vooral werd getypecast als sinistere misdadiger.Twee van deze films zijn Franstalig. In een paar van deze films had hij een prominente rol, zoals in de sciencefictionfilm F.P.1 antwortet nicht uit 1932. In deze periode sloot Lorre vriendschap met de acteur Conrad Veidt. Peter Lorre Book: Peter's Family Album, p. 2 In hetzelfde jaar speelde Lorre ook een hoofdrol in twee films die zijn vriend Kurt Gerron regisseerde, namelijk Der weiße Dämon en de Franstalige versie Stupéfiants.
Met de opkomst van het nationaalsocialisme in Duitsland emigreerden Lorre en Lovsky op 25 februari 1933 naar Parijs. Zij vertrokken tijdens de productie van Kaspar Hauser, waarin Lorre de hoofdrol speelde. Regisseur Ludwig Klitzsch telegrafeerde hem terug naar Duitsland te komen, waarop Lorre antwoordde: "Voor twee moordenaars als Hitler en ik is Duitsland te klein." In Parijs draaide M nog steeds in de bioscopen en Lorre werd op straat herkend als Le Maudit ('De Verdoemde'). Lorre speelde in deze periode een kleine rol in de Franse komedie Du haut en bas.
miniatuur|links|upright|Reclameaffiche voor The Man Who Knew Too Much, met Peter Lorre als de bendeleider Abbott
The Man Who Knew Too Much (1934) Na een kort verblijf in Frankrijk verhuisden Lorre en Lovsky naar Londen. Hier werd Lorre opgemerkt door mediamagnaat Sidney Bernstein, die bevriend was met Alfred Hitchcock. Hij stelde Lorre voor aan Hitchcock en producent Ivor Montagu, die bezig waren met de voorbereidingen voor The Man Who Knew Too Much (1934). Lorre sprak vrijwel geen Engels, maar Bernstein had hem vooraf verteld dat Hitchcock graag sterke verhalen vertelde. Lorre lachte uitgelaten als Hitchcock een anekdote had afgerond en beantwoordde al zijn vragen met "yes". Hij kreeg zijn contract zonder een screentest. Aanvankelijk was het idee om Lorre de rol te laten spelen van Levine, de moordenaar, maar Hitchcock en Montagu besloten hem een grotere rol te geven, namelijk die van de bendeleider Abbott. Deze rol had vrij veel dialoog, die Lorre grotendeels fonetisch uit het hoofd moest leren., pp. 89-92
De film kreeg veel positieve kritiek en ook Lorre werd door recensenten geprezen. The New York Times schreef dat Lorres sinistere handelsmerk minder speelruimte kreeg dan in M, maar sloeg zijn acteren hoger aan dan dat van de toenmalige publiekslieveling Charles Laughton. The New York Times: , Peter Lorre, Poet of the Damned (31 maart 1935) In 2014 vergeleek Michael Newton in The Guardian Lorres acteerwerk met dat van de rest van de cast van The Man Who Knew Too Much:
Eerste jaren in Hollywood (1934–1936)