thumb|Plattegrond van de kelders onder de Nieuwe Kerk in Delft met de daarin geplaatste kisten voor de herschikking in de eerste jaren van de 21e eeuw. Zie de legenda voor meer informatie. Interieur van de Nieuwe Kerk met de verdwenen rouwborden.|right|thumb thumbnail|Oude dienstingang, naast het praalgraf De oude grafkelder met volgens de aantekeningen van de tekenaar Victor de Stuers rechtsonder de lichaamsvormige loden sarcofaag van Louise de Coligny en daarnaast de kist van Willem van Oranje. Daarboven de kisten van Maurits van Oranje (links) en Frederik Hendrik van Oranje. De afbeelding dateert uit 1890.|thumb thumb| De begrafenis van koning Willem II in 1849. De geopende ingang ligt aan de noordzijde van het monument. thumbnail|right|Praalgraf met de sluitsteen.
De Koninklijke grafkelder in de Nieuwe Kerk in de Nederlandse plaats Delft is sinds de bijzetting van prins Willem van Oranje de laatste rustplaats voor leden van het Huis Oranje-Nassau. De grafkelder bestaat uit twee gedeelten. De oudste grafkelder bevindt zich direct onder het grafmonument van Willem van Oranje in het koor van de kerk. De grafkelder die in 1822 in gebruik werd genomen, bevindt zich achter de oude grafkelder.
Sinds de bijzetting van Willem van Oranje begin zeventiende eeuw rusten bijna alle leden van het Huis van Oranje-Nassau met hun echtgenoten in deze grafkelder. Ook zijn twee kinderen van prinses Carolina van Oranje-Nassau, gehuwd met de vorst van Nassau-Weilburg, hier bijgezet. Alle prinsessen uit het Huis Oranje-Nassau die in andere vorstenhuizen zijn gehuwd, zijn niet in Delft bijgezet met uitzondering van de prinsessen Catharina Belgica en Louise.
Geschiedenis De in 1584 in Delft vermoorde Willem van Oranje kon niet worden bijgezet in het familiegraf van de Nassaus in de Grote Kerk in Breda, omdat deze stad in Spaanse handen was. Er werd voor gekozen om het gebalsemde lichaam in een geïmproviseerd monument, een met stof bespannen katafalk, in het koor van de Nieuwe Kerk in Delft te plaatsen.
Pas in 1609 besloten de Staten-Generaal om een praalgraf voor de "Vader des vaderlands" op te richten. Omdat er geen gevolg werd gegeven aan dit besluit drong de weduwe van de prins, Louise de Coligny, in 1614 aan op het bouwen van een passend graf. De Staten gaven nu aan Hendrick de Keyser opdracht om een praalgraf "als soodanighen Prince waerdig is" te bouwen. Onder dit praalgraf van Willem van Oranje werd een kelder uitgegraven waarin de prins op een niet meer te achterhalen tijdstip is bijgezet.
Het hart van de prins werd door zijn weduwe in een loden kistje bewaard. In 2001 werd tijdens een restauratie een loden kistje gevonden dat onder het liggende marmeren beeld van Willem van Oranje was verborgen. Het kistje werd ongeopend in het monument teruggeplaatst.
Het monument werd na de dood van Hendrick de Keyser door zijn zoon Pieter de Keyser in 1623 voltooid. Louise de Coligny heeft dat niet meer meegemaakt. Ze werd in 1621 in de kelder bijgezet. Daar werden in de daaropvolgende eeuw ook de stadhouders en hun familieleden bijgezet. De ingang van de kelder lag vóór het monument en is ook nu nog aanwezig.
De stadhouders van Groningen en Friesland werden bijgezet in de grafkelder van de Friesche Nassaus te Leeuwarden. Koning-stadhouder Willem III en zijn echtgenote, koningin Maria II werden in de Westminster Abbey in Londen begraven.
De te klein geworden kelder werd in 1752 uitgebreid. Daarbij werden de houten kisten vervangen of omhuld door nieuwe loden kisten.
De kelder werd tijdens de Franse Revolutie niet geplunderd, in tegenstelling tot die van de Nassaus in Leeuwarden en de kelders van de Franse koningen. De verdreven Oranjes begroeven hun doden in de jaren tussen 1795 en 1813 in hun ballingsoorden. De bij Berlijn, in Braunschweig of Padua begraven prinsen en prinsessen werden in de 19e en 20e eeuw, op een na, allen naar Delft overgebracht.
De soevereine vorst Willem I trof in 1813 na het vertrek van de Fransen de kelder en het monument ongeschonden aan. Alleen de wapenborden en de vaandels die in het koor hingen, waren vernield.
In 1819 werd prinses Louise als eerste Oranje na de verheffing tot koningshuis in Delft bijgezet. Toen Wilhelmina van Pruisen, de weduwe van stadhouder Willem V, in 1820 overleed was de kelder vol en werd zij in een grafkelder onder de kerk in Apeldoorn bijgezet.
Koning Willem I liet daarom in 1820 een tweede grafkelder bouwen achter de reeds bestaande kelder. Omdat hier de graven lagen van het Delftse Gasthuis, werden deze aangekocht en geruimd. De ruime kelder met zeven grafnissen ligt iets hoger dan de oude kelder. Daarom is het achterste deel van het koor ook opgehoogd. In 1822 was de kelder gereed en kon het lichaam van Wilhelmina van Pruisen vanuit Apeldoorn worden overgebracht.
Bij deze uitbreiding werd ook de toegang tot de grafkelder verplaatst. Vanaf 1821 kwam men de grafkelder binnen vanuit de linkerzijde van het praalgraf. Bij de uitvaarten van de Oranjes in de 19e eeuw werden de kisten met een "mechaniek", een lift, naar beneden gebracht. Tegenwoordig wordt deze ingang als dienstingang gebruikt.
Op 1 januari 1829 werd het koninklijk besluit van 22 augustus 1827 van kracht, waardoor begraven in kerken om hygiënische redenen werd verboden. In de Wet op de lijkbezorging werd voor het Koninklijk Huis een uitzondering gemaakt. De leden van het Koninklijk Huis mochten worden gebalsemd en in een kerk worden bijgezet. Ook in de huidige wet staat vermeld dat deze niet van toepassing is op de lijkbezorging van leden van het Koninklijk Huis.Wet op de lijkbezorging artikel 87:1
In de 19e eeuw speelden de dood en rouwrituelen een grote rol. De kisten werden prachtig uitgevoerd en waren, ook omdat vorsten begraven werden in meerdere kisten, van lood, eikenhout en mahonie die in elkaar pasten, zo zwaar dat ooggetuigen bij de begrafenis van koning Willem III spraken van een onwaardig tafereel omdat de kist als een "pianokrat" verstouwd en geduwd werd.Stijn Trigiani en Wim Koesen, Van Willem tot Willem: een kleine geschiedenis van Oranje, Amsterdam, 2013.
De Oranjes bezochten hun doden in de kelder geregeld. Het verst daarin ging de zenuwzieke prins Alexander die zijn broers en moeder op hun verjaardagen en sterfdagen opzocht in de kelder. Koningin-moeder Emma bezocht de grafkelder geregeld om bloemen te leggen.
In 1890 daalde M. de Haenen in de kelder af, voordat koning Willem III werd bijgezet, en maakte een tekening van de 'nieuwe' kelder met de kisten. Te zien zijn onder meer de koorden waarmee de kisten werden verzegeld en de vele kransen en bloemen. Op de tekening zijn ook drie kleine kistjes te zien waarin zich misschien de ingewanden van de gebalsemde Oranjes of doodgeboren kinderen bevinden. De kisten liggen duidelijk in andere nissen dan nu het geval is. In datzelfde jaar maakte Victor de Stuers een potloodtekening van de oude grafkelder.
Ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in 1915 werd een grote verbouwing uitgevoerd. Men dacht aan een grote trap vóór het monument. Uiteindelijk werd het een steen van enkele tonnen zwaar van arduin met het opschrift RESURRECTIONEM EXSPECTAT GUILELMUS PRIMUS PATER PATRIAE
Latijn voor: "Hier verwacht Willem I, Vader des Vaderlands, de wederopstanding".
In de Tweede Wereldoorlog werd de kelder in 1945 beschadigd toen de stookolie voor de gemalen rond het laaggelegen en natte Delft opraakte. Het stijgende grondwater richtte in de kelder schade aan.Cees van Raak, Heden vredig ontslapen. Funeraire geschiedenis van het huis Oranje-Nassau, Bussum, 2003. Tijdens de restauraties van de Nieuwe Kerk rond 2013 werd ook de koninklijke grafkelder gerestaureerd.
Uitbreiding grafkelder Met de bijzettingen van prins Claus (2002), prinses Juliana en prins Bernhard (beiden 2004) werd bijna de maximale capaciteit bereikt. In 2013 werd besloten tot een uitbreiding. Die hield in dat er een nieuwe kelder aangebracht werd in de zuidelijke kooromgang. Deze grafkelder werd verbonden aan de bestaande voorhal (daterend uit 1925). Daarnaast kreeg de grafkelder een nieuwe secundaire ingang aan de buitenzijde. Hiermee werd een directe toegang gecreëerd.
In eerste instantie werd een rijksbijdrage gereserveerd van twee miljoen euro. In 2021 nam het Rijk de kosten over die door de eigenaar van de kerk, de Protestantse gemeente van Delft, waren ingecalculeerd. Volgens het Rijk had de eigenaar financieel geen ruimte meer om in de kosten bij te dragen omdat de restauratiekosten van de kerk zelf te veel waren gestegen. Daarmee kwam de rijksbijdrage uit op 3,6 miljoen euro. De koninklijke familie zegde daarnaast driehonderdduizend euro toe.Start herinrichting en uitbreiding koninklijke grafkelder Nieuwe Kerk Delft, tweedekamer.nl, 20 april 2021 Een jaar later waren er voor het Rijk opnieuw tegenvallers ter waarde van enkele honderdduizenden euro's. De koninklijke familie droeg daarop een honderdduizend euro extra bij. De totale verbouwingskosten - inclusief de kosten voor archeologisch onderzoek - werden daarmee 4,1 miljoen euro,Uitbreiding Koninklijke grafkelder gereed, koninklijkhuis.nl, 12 december 2022. Gearchiveerd op 28 maart 2023. waarvan vierhonderdduizend door de Nederlandse koninklijke familie werd betaald. De kosten liepen feitelijk nog verder op, aangezien het archeologisch onderzoek van de grafvondsten bovengronds werd voortgezet.
Bij de werkzaamheden werden door archeologen 581 graven en 237 met resten van geruimde graven gevulde knekelkuilen verwijderd om plaats te maken voor het nieuwe keldergedeelte. De uitbreiding is een constructie opgebouwd uit beton. Hiervoor werd een betonnen onderlaag gemaakt. De vloeren en muren werden in beton gestort en vervolgens werd de doorgang gemaakt naar de bestaande voorhal uit 1925. Ten slotte werd het kelderdek gesloten en de ruwbouw van de kelder afgerond. In de kelder volgde de afwerking van de wanden met leemstuc. De deuren zijn van bronskleurig staal, de plinten van messing en in lijn met messing details die zijn aangebracht in de Nieuwe Kerk. Na het afronden van de ruwbouw werd op het kelderdek de originele zerkenvloer teruggebracht. De werkzaamheden werden eind 2022 afgerond.
Er kwam in het nieuw gebouwde gedeelte ruimte voor 24 kisten, evenals een urnenwand. De oude grafkelder kon alleen betreden worden door een honderden kilo's zware grafsteen in het midden van de Nieuwe Kerk uit de vloer te tillen. Daar kwam met de verbouwing verandering in, want de kelder is nu via een deur te bereiken. Die leidt naar een wenteltrap en naar de enkele meters onder de grond gelegen nieuwe grafkelder.
De bijzettingen in de late 19e en in de 20e eeuw In 1896 werd, na lang zoeken, het gebeente van prins Willem George Frederik vanuit een klooster in Padua naar Delft gebracht. De prins was daar, omdat hij niet katholiek was, heimelijk onder een bergruimte begraven en het graf onder zijn grafsteen in de kloostergang bleek leeg te zijn. In 1911 werd het vergeten en verwaarloosde graf van prinses Paulina van Oranje-Nassau op het landgoed Freienwalde nabij Berlijn teruggevonden. De eigenaar van het landgoed, de Duitse industrieel Walther Rathenau, nam contact met koningin Wilhelmina op en de resten van de kleine prinses werden naar Delft overgebracht. In 1958 werd stadhouder Willem V, na meer dan 150 jaar in Braunschweig te hebben gerust, in de kelder bijgezet. Ook een zilveren vaas met het hart van de prins werd naar Delft gebracht. De urnen met zijn ingewanden bleven in Duitsland achter. Prinses Wilhelmina weigerde de herbegrafenis van Willem V bij te wonen. Desgevraagd zei Wilhelmina "niet achter de kist van een sufferd aan te willen lopen."Thijs Booy, De levensavond van Koningin Wilhelmina, 2de uitg., Amsterdam, 1980, p. 200.