Zantedeschia aethiopica is een plant uit de aronskelkfamilie (Araceae).
Kenmerken Het is een 0,6–1,5 m hoge, giftige, overblijvende plant met een stevige wortelstok. De bladeren zijn alle grondstandig en hebben een iets vlezige, tot 60 cm lange steel. De hart- tot pijlvormige bladschijf is 15–50 × 10–25 cm groot, taai en heeft een krachtige middennerf met daaruit ontspringende talrijke, evenwijdig lopende zijnerven met verschillende dikte, die nauwelijks netvormig verbonden zijn.
De bloeiwijze beslaat uit een 12–26 cm lang, wit, trechtervormig opgerold, in een overhangende punt uitlopend schutblad (spatha) en een 6–8 cm lange, lichtgele bloeikolf (spadix). De bloemen zijn zeer klein en nauwelijks zichtbaar. Aan de onderkant van de bloeikolf groeien de vrouwelijke bloemen en daarboven de mannelijke bloemen. De plant heeft kruisbestuiving nodig om vruchten te geven. Na de bevruchting ontstaan er ronde besvruchten die worden omgeven door de resten van het schutblad.
thumb|left|Bloeiwijze
Verspreiding De soort is in weerwil van de wetenschappelijke naam niet afkomstig uit Ethiopië maar uit Zuid-Afrika. Ze komt daar van nature voor op drassige gronden in de buurt van Kaapstad. De plant is niet vorstbestendig maar de wortelstok overwintert in de modder. Op veel plekken in de (sub)tropen en op sommige plaatsen in Zuid- en West-Europa is de soort ingeburgerd, ook op de Canarische Eilanden en Madeira. In Australië staat ze te boek als een te bestrijden onkruid omdat de plant uit ieder los stukje wortelstok weer uitgroeit. Een cultivar met kortgesteelde bloeiwijzen wordt in België en Nederland aangeboden als kamerplant.
Naamgeving De naam van de soort werd in 1753 door Linnaeus gepubliceerd als Calla aethiopica. Hij baseerde zich op een beschrijving van Jan Commelin van 1697. Die had wortelstokken ervan ontvangen van Simon van der Stel, indertijd gouverneur van Kaap de Goede Hoop. Commelin noemde de soort 'Arum aethiopicum flore albo, odorato'. 'Aethiopica' was lang de aanduiding voor het gebied in Afrika zuidelijk van de Sahara, en zowel Commelin als Linnaeus wist dat de plant uit Zuid-Afrika afkomstig was. In 1818 deelde Karl Sigismund Kunth het geslacht Calla op, waarbij hij Calla aethiopica in het geslacht Richardia plaatste, vernoemd naar Louis Claude Richard. De geslachtsnaam Richardia was echter al vergeven, maar Kunth stelde voor die naam te veranderen in Richardsonia omdat Linnaeus het geslacht naar de Engelse botanicus Richard Richardson (1663–1741) had vernoemd. Kunth veranderde daarnaast de soortaanduiding 'aethiopica' onnodig in 'africana'. Zowel de geslachtsnaam als de veranderde soortaanduiding zijn illegaal. In 1826 plaatste Kurt Sprengel de plant in het nieuw door hem gecreëerde geslacht Zantedeschia.
Oecologie De Zuid-Afrikaanse aronskelkkikker (Hyperolius horstockii) is een tropische rietkikker die zich regelmatig ophoudt in de met water gevulde holte in de bloem van de plant.
Categorie:Aronskelkfamilie witte aronskelk