De Wet milieubeheer (Wm) is een Nederlandse wet die in werking trad op 1 september 1980. Tot 1993 was de officiële naam de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wabm).

Op 1 maart 1993 heeft de Wet milieubeheer de resterende bepalingen overgenomen uit de oude Hinderwet (origineel 1875; herzien 1956), die is komen te vervallen. Dit betreft dus niet dezelfde wet, maar het betreft wel hetzelfde onderwerp. De Hinderwet vormde de basis voor het afgeven van vergunningen ter voorkoming van hinder. Op basis van de Wet milieubeheer worden milieuvergunningen afgegeven. Het oogmerk van de Wet milieubeheer is ruimer dan de Hinderwet. Het gaat niet enkel om het voorkomen van hinder, maar ook over ‘de bescherming van het milieu’. Deze verruiming was deels al ingezet bij de herziening van de Hinderwet.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juridische basis voor vergunningen geworden.

Op 1 januari 2024 is een deel van de Wet milieubeheer overgegaan naar de Omgevingswet (Ow).

Adviesorganen In hoofdstuk 2 van de Wet milieubeheer staan vermeld welke de adviesorganen zijn bij milieuzaken. Dit zijn: De commissie voor de milieueffectrapportage (MER) (art. 2.17 Wm.): deze brengt advies uit over verzoeken om ontheffing van de verplichting tot het maken van een "milieu-effectrapport" (MER) + advies met betrekking tot milieueffectrapporten. Deze commissie brengt elk jaar een jaarverslag uit aan de minister van VROM en Landbouw (art. 2.18 Wm.). De commissie genetische modificatie (art. 2.26 Wm.): advies over genetische modificatie. Rapportage binnen vier jaren (art 2.29 Wm.). De provinciale milieucommissie (art. 2.41 Wm.): adviescommissie die is ingesteld door Provinciale Staten (P.S.) en wordt door het provinciaal bestuur vooraf gehoord over maatregelen en plannen.

Plannen In hoofdstuk 4 van de Wet milieubeheer worden de verschillende soorten milieuplannen onderscheiden, te weten: milieubeleidsplannen die er op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn. Ze worden eenmaal per vier jaren door respectievelijk de ministers, Provinciale Staten en de gemeenteraad vastgesteld. Ze geven de hoofdzaken van het milieubeleid weer. milieuprogramma’s die er op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn. Ze worden jaarlijks vastgesteld door respectievelijk de ministers, Gedeputeerde Staten en de gemeenteraad (en voorbereid door het college van B&W). Ze bevatten de te verrichten milieuactiviteiten voor de komende jaren. (een "programma"). Gemeentelijk rioleringsplan, dat steeds wordt vastgesteld door de gemeenteraad voor een daarbij vast te stellen periode (art. 4.22 lid 1 Wm.). Dit plan wordt voorbereid door het college van B&W (art. 4.23 lid 1 Wm.). Daarna kunnen Gedeputeerde Staten nog aanwijzingen geven (art. 4.24 lid 1 Wm.).

Milieukwaliteitseisen In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer worden de milieukwaliteitseisen weergegeven. Deze dienen ter bescherming van het milieu dat boven provinciaal belang gaat (landelijk, Europees of wereldwijd) en ze worden bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vastgesteld of in "alarmdrempels" (art. 5.1 lid 1 Wm.) aangegeven. Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 gaat over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'.

Milieueffectrapportage Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer gaat over de milieueffectrapportage (m.e.r.): dit is een procedure met als doel op te komen tot een rapportage over de gevolgen van een activiteit voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming daarvan, een zogenaamd milieueffectrapport (MER). Bij de voorbereiding van bepaalde bestuurlijke besluiten wordt een MER gemaakt, indien dit wordt voorgeschreven door de wet. De betreffende activiteiten worden aangewezen bij Algemene Maatregel van Bestuur (het Besluit m.e.r.) en dit houdt in, dat hiervoor een MER moet worden gemaakt (art. 7.2 lid 1 Wm.).

Er kan ontheffing van deze verplichting worden verleend als er al een MER over bestaat (art. 7.5 Wm.).

De Commissie voor de milieueffectrapportage (art. 2.17 Wm.) brengt advies uit over het MER.

In het MER moeten onder andere de betreffende activiteit staan vermeld en het doel ervan (art. 7:10 Wm.).

Na het nemen van het bestuurlijk besluit waarbij een milieueffectrapport (MER) was betrokken, vindt de evaluatie plaats (art. 7.39 Wm.), waarbij onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van de activiteit voor het milieu ("milieueffect").

Milieuvergunningen In hoofdstuk 8 staat de milieuvergunning centraal. Het is verboden zonder vergunning een inrichting op te richten (a), te veranderen of de werking ervan te veranderen (b), of het in werking hebben van een inrichting die gevaar, schade of hinder kan veroorzaken (art. 8.1 Wm.).

Een uitzondering op dit verbod wordt gevormd door het verlenen van een milieuvergunning.

Er is geen milieuvergunning vereist, wanneer het een categorie inrichting betreft die bij Algemene Maatregel van Bestuur is aangewezen (art. 8.40 lid 1 Wm.).

De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing op de aanvraag van de milieuvergunning (art. 8.6 Wm.).

De vergunning kan slechts in het belang van de milieubescherming worden geweigerd (art. 8.10 lid 1 Wm.).

In art. 8.11 Wm. staat vermeld, wat er in een vergunning moet staan zoals de voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu (Alara-beginsel: lid 3). Dit zijn de vergunningvoorschriften. Deze voorschriften mogen het transport van afvalstoffen naar of uit de provincie niet beperken of uitsluiten (art. 8.13a Wm.).

De vergunning kan bij een tijdelijke inrichting voor ten hoogste 5 jaren worden verleend (art. 8.17 lid 1 Wm.).

De vergunning voor de inrichting vervalt, wanneer het niet binnen drie jaren wordt opgericht of 3 jaar achtereen niet is gebruikt (art. 8.18 Wm.). Uit jurisprudentie blijkt overigens dat hierbij ook de mogelijkheid bestaat dat slechts een gedeelte van de milieuvergunning vervalt.

Overigens is de vergunningplicht op basis van de Wet milieubeheer per 1 oktober 2010 overgegaan naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Wabo vervangen door de Omgevingswet (Ow).

Voor wie geldt de milieuvergunning? De milieuvergunning geldt voor iedereen die de inrichting drijft en diegene moet ook zorgen dat de vergunningsvoorschriften worden nageleefd (art. 8.20 Wm.).

Het bevoegd gezag, dat de vergunning heeft verleend, bekijkt regelmatig of de vergunningsvoorschriften en de beperkingen daarop nog actueel zijn (art. 8.22 lid 1 Wm.).

De beperkingen aan de milieuvergunning kunnen zowel ambtshalve of op verzoek van de vergunninghouder door het bevoegde gezag worden aangevuld, gewijzigd of ingetrokken (art. 8.23 lid 1; 8.24 lid 1; 8.25 en 8.26 Wm.).

De Wet milieubeheer kent geen systeem van heffingsrechten met betrekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning/ontheffing (art. 15.34a Wm.).

Degene die een milieuvergunning heeft gekregen met betrekking tot een gesloten stortplaats, stelt een nazorgplan in ter uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu (art. 8.49 lid 1 + 3 Wm.).

Gedoogbeschikking In bijzondere situaties kan, zonder te beschikken over de nodige vergunning, een gedoogbeschikking worden afgegeven. Is het procedureel nog niet mogelijk om een gedoogbeschikking af te geven dan kan men ambtshalve gedogen.

Een gedoogsituatie doet zich voor bij de cementproductie en verbranding van afvalstoffen bij de ENCI te Maastricht. ENCI Maastricht had de milieuvergunning op 15 mei 2008 laten verlopen en verzuimd de vergunning te vernieuwen. Op 30 oktober 2008 is door de Provincie Limburg een voorgenomen besluit een gedoogbeschikking ter inzage gelegd. Zolang de gedoogbeschikking nog niet kan worden afgegeven wordt ambtelijk gedoogd dat ENCI Maastricht zonder een geldige vergunning de cementproductie en co-verbranding van afvalstoffen voortzet.

Afvalstoffen Bij de verwerking van afvalstoffen zijn milieubeschermingsmaatregelen verplicht (art. 10.1 Wm.).

De minister van VROM moet ten minste eenmaal per vier jaren een afvalbeheersplan vaststellen (art. 10.3 Wm.).

Er wordt hierbij rekening gehouden met het nationale milieubeleidsplan (zie hiervoor). (art. 10.6 Wm.).

Het afvalbeheersplan kan na de vaststelling nog worden gewijzigd (art. 10.13 lid 1 Wm.).

Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen: de gemeente zorgt voor de inzameling van huisafval (art. 10.21 Wm.) en “grof” huisafval (art. 10.22 Wm.).

De gemeenteraad stelt in het belang van de milieubescherming een afvalverordening vast (art. 10.23 lid 1 Wm.), die ook ter voorkoming van zwerfafval dient (art. 10.25 Wm.).

De gemeente zorgt voor ten minste één inzamelpunt (art. 10.27 Wm.). Lozingsverbod van afvalstoffen (art. 10.30 lid 1 Wm.): het is verboden afvalstoffen te lozen als dit niet gebeurt vanuit een inrichting. Dit verbod geldt niet voor afvalwater bij huishoudelijk gebruik (art. 10.30 lid 2 sub b Wm.).

Elke gemeente in Nederland moet voor een doelmatige inzameling en transport van afvalwater binnen de gemeentegrenzen zorgen (art. 10.33 lid 1 Wm.).

Het is verboden bedrijfsafvalstoffen/gevaarlijke afvalstoffen aan een ander af te geven (art. 10.37 lid 1 Wm.).

Geluidshinder

Hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer is gewijd aan geluidshinder. Het hoofdstuk bevat naast een algemene titel 2 delen: Titel 11.2 betreft geluidskaarten en actieplannen. Titel 11.3 heeft betrekking op geluidproductieplafonds die gelden langs rijkswegen en landelijke spoorwegen. Naast de Wet milieubeheer bestaat ook nog de Wet geluidhinder, die andere bronnen van geluid betreft.

Milieuverslaglegging Op grond van hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer moet de houder van de milieuvergunning een milieuverslag maken dat gaat over het voorafgaande jaar (art. 12.1 lid 1 Wm.).

Er moeten twee soorten milieuverslagen worden gemaakt: Publieksverslag (art. 12.2 Wm.): degene die de inrichting drijft, stelt jaarlijks een milieuverslag op voor het algemeen publiek (burgers) (lid 1). Overheidsverslag (art. 12.4 Wm.): degene die de inrichting drijft, stelt jaarlijks ten behoeve van het vergunningverlenende bestuursorgaan een milieuverslag op (lid 1). Dit is een verslag aan de overheid, die de vergunning heeft verleend.

Procedurevoorschriften In hoofdstuk 13 van de Wet milieubeheer staat hoe milieubeschikkingen tot stand komen: Bij het maken van milieubeschikkingen met betrekking tot onder andere de Wet geluidhinder, Waterwet en de Wet milieugevaarlijke stoffen, wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd (art. 13.1 Wm.).

Gecoördineerde behandelingen Gedeputeerde Staten (G.S.) kunnen samenhangende aanvragen “gecoördineerd” behandelen (art. 14.1 Wm.). Als er niet meer dan zes weken tussen de aanvragen zit, kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de datum van ontvangst geldt als de datum waarop de laatste aanvraag is ontvangen.

G.S. houden rekening met de onderlinge samenhang tussen de betrokken aanvragen (art. 14.3 lid 1 Wm.).

G.S. kunnen verplichte medewerking vragen van beslissende bestuursorganen en adviseurs (art. 14.4 Wm.).

Bij samenhangende activiteiten is er één milieu-effectrapport (art. 14.5 lid 1 Wm.).

Milieusubsidies De minister van VROM kan subsidie verstrekken voor bepaalde activiteiten, die bij Algemene Maatregel van Bestuur of ministeriële regeling zijn aangewezen (art. 15.13 lid 1 Wm.).

Degene tot wie een milieubeschikking is gericht, kan vergoed worden in de schade of kosten door het bestuursorgaan (art. 15.20 Wm.).