thumb|Camee uit Sardonyx met buste van Alexander de GroteVermoedelijk gemaakt door Pyrgoteles, de graveur van Alexander, ca. 325 v.Chr.; Bibliothèque nationale de France, Cabinet des Médailles

Het begrip kleinood (, ) verwijst in de tegenwoordige betekenis veelal naar een klein kostbaar voorwerp, vaak een sieraad. Figuurlijk gebruikt komen de begrippen kleinood en juweel(tje) goed met elkaar overeen.

In het Middelnederlands kon het woord in de huidige zin gebruikt worden, maar het kon ook klein geschenk betekenen en kon zelfs duiden op zaken die niet klein maar verfijnd waren, zoals kostbaar huisraad of een fraai bewerkt zwaard. Bij ridderorden heeft het woord een iets afwijkende betekenis, als draagteken van een ridderorde. Ook opzettelijk verkeerd gebruik komt voor, zinspelend op het woordeinde . Juist is echter om als achtervoegsel te lezen, gebaseerd op een Middelnederlandse woordvorming.

Woordgebruik thumb|Rouwbroche, glas, 19e eeuw In de betekenis iets kleins en kostbaars komt kleinood herhaaldelijk voor in de Statenvertaling van de Hebreeuwse Bijbel, die uit het begin van de 17e eeuw stamt, maar die met beperkte aanpassingen in behoudende kringen nog steeds gebruikt wordt. Zes psalmen worden aangekondigd als zijnde “een gouden kleinood van David”. De Statenvertaling volgt in dit opzicht de Duitse Lutherbijbel uit 1534. Ook in het boek Spreuken is het gebruik metaforisch: “Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen der wetenschap zijn een kostbaar kleinood.” Terwijl het enkelvoud uitsluitend in verband met metaforen voorkomt in de Bijbel, geldt dit juist niet voor het meervoud. Zie bijvoorbeeld I Samuel 6:8: Neemt dan de ark des HEEREN, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die gij Hem tot een schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.Biblija.net: Kleinood in SV77 en NBV en Kleinoden in SV77 en NBV Geraadpleegd 30 juli 2013

In het hedendaagse taalgebruik komt het woord zelden voor en wordt het vooral overdrachtelijk gebruikt. Een uitzondering is het gebruik in de faleristiek, waar er een draagteken van een ridderorde mee bedoeld wordt, wat een betekenisvernauwing met zich meebrengt. Verder komt opzettelijk verkeerd gebruik (abusio) voor, gebaseerd op het woordeinde . Dit is bijvoorbeeld te zien in de naam Kleinood & Grootzeer (een uitgeverij van dichtbundels) en nog eenduidiger in Stichting Pygmeeën Kleinood, een organisatie die zich inzette voor de belangen van Pygmeeën en zich daarbij niet op hun kostbaarheden richtte, maar op hun noden.

Overeenkomstig de bedoeling van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) om de Bijbel om te zetten in Nederlands dat aansluit bij de ervaringswereld van de tegenwoordige lezer, komt het woord daar niet meer in voor. De frase een gouden kleinood van David is hier vertaald als een stil gebed van David. Dat het verschil tussen de vertalingen zo groot is, komt doordat de betekenis in de grondtekst onbekend is. BibleStudyTools.com: miktam Geraadpleegd 31 juli 2013De betekenis van het Hebreeuwse woord מִכְתָּֽם׃ (michtam, mikhtam of miktam) is verloren is gegaan. Het is een technische term, die iets over de zes psalmen in kwestie zegt. Alle zes zijn het smeekgebeden of klaagzangen die eindigen in een lofprijzing van God, nadat het gebed verhoord is, of nadat de spreker het vertrouwen herwonnen heeft. De Duitse Textbibel (1899) laat het woord onvertaald: “Von David, ein Mikhtam”, zie bijvoorbeeld Bibeltext.com: Psalm 58. Hieronymus van Alphen, tegenwoordig vooral nog bekend van zijn kindergedichten, heeft kort voor zijn dood een bundel kerkelijke gezangen uitgebracht. Hij bekritiseert in een opmerking de vertaling kleinood en spreekt zelf over “een lied der bedruktheid,” zie Proeve van liederen en gezangen voor den openbaaren godsdienst, Hieronymus van Alphen, op dbnl.org Beide geraadpleegd 31 juli 2013

Faleristiek thumb|Meisje met de parel van Johannes Vermeer

Het woord kleinood heeft een specifieke betekenis in de faleristiek: er wordt het draagteken van een ridderorde mee bedoeld, dat gewoonlijk aan een lint, keten of koord wordt gedragen. Het is dan synoniem met juweel of ridderkruis, ook als het niet de vorm van een kruis heeft. Kleinoden zijn er in uiteenlopende vormen: dieren, medaillons en sterren komen voor, maar kruisen zijn het meest gebruikelijk. Er is geen instantie die het gebruik van deze term in de faleristiek precies heeft vastgelegd en in de praktijk wordt het ook wel gebruikt voor draagtekens van andere onderscheidingen dan ridderorden.

In Oekraïne zijn kleinoden (Oekraïens: ) symbolen van de civiele en militaire autoriteiten van het Kozakken-Hetmanaat. Sommige daarvan bestaan nog steeds in hedendaags Oekraïne, waaronder de boelava oftewel de ceremoniële mace, ambtsketen en zegel van de president van Oekraïne. Het woord is ontleend aan het Middelhoogduits, zoals in het Nederlands waarschijnlijk ook het geval is.

Kleinodiën thumb|Reliekkistje uit de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming in Maastricht Nicolaas Beets zet het woord kleinodiën in om weelde te benadrukken. Onderstaande tekst is nog maar een gedeelte van de beschrijving van overdaad “ten huize van den heer Jan Adam Kegge”: … reukflesschen, hand-vuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals … Camera ObscuraCamera Obscura, 3de uitgave (1851), p161-162. DNBL Geraadpleegd 26 januari 2009

Schrijfwijze en meervoud thumb|Kleinood in de zin van de faleristiek: het IJzeren Kruis Beets gebruikt in bovenstaand citaat het meervoud kleinodiën, dat eigenlijk op volksetymologie berust. Dit meervoud en het veel gebruikelijkere kleinoden zijn beide correct. Door de foutieve veronderstelling dat kleinood een samenstelling zou zijn, is de afbreking niet voor iedereen vanzelfsprekend; het woord wordt afgebroken als klei-nood, volgens de algemene regels.

Gedicht: Kleinood Adama van Scheltema gebruikt in zijn vrij bekende gedicht Kleinood de betekenis van kleine kostbaarheid, en benadrukt de connotatie van het onverwachte die vooral bij het figuurlijk gebruik van het woord gewoonlijk aanwezig is. In het gedicht zelf komt het titelwoord overigens niet voor, maar het begrip uit de titel wordt opgeroepen door middel van zijn connotaties. De strofen een, twee en vijf luiden:

Toen eens de groote schilder De wereld verven zou, Klom hij eerst in den hemel - Den hemel maakte hij blauw.

Drie droppels liet hij vallen Beneden op de aard,- Drie mooie kleine dingen Zijn daar altijd bewaard: - […] De derde ging verloren, Men wist niet waar ze was - - Mijn liefste - o mijn blijde meid! Ik vond jou in het gras!Uit: Van zon en zomer, 1902. Volledige tekst van Kleinood bij Lodewijk de Groot / Cicero en Volledige tekst van Kleinood bij Project Laurens Janszoon Coster

Etymologie van –ood thumb|Robert Dudley, Graaf van Leicester draagt de keten van de Orde van de Kousenband met daaraan het kleinood. De etymologie van kleinood is lang onzeker geweest, mede doordat het woord aan allerlei vervormingen en volksetymologieën bloot heeft gestaan. Het Nederlands etymologisch woordenboek (N.e.w.) van De Vries opperde al, dat de uitgang dezelfde herkomst zou kunnen hebben als in armoede en in Heimat. Toch neigde het N.e.w. naar de nu als achterhaald beschouwde hypothese van een verband met het Middeleeuws Latijnse clenodium. De uitgang zou dan teruggaan op het Germaanse auda, wat in latere afleidingen opduikt met betekenissen als bezit, gelukzaligheid en rijkdom. Via auda en audr legt het woordenboek verbanden met woorden als ooievaar (een geluksbrenger) en olijk.N.e.w. 1997, p327. “kleinood” in N.e.w. 1997 op Google Books Geraadpleegd 30 juli 2013N.e.w. 1997, p 488-489. “ooievaar” in N.e.w. 1997 op Google Books Geraadpleegd 30 juli 2013“kleinood,” “olijk” en “ooievaar” in N.e.w. 1997 op Google Books Geraadpleegd 30 juli 2013

Het (EWdS) is voor Kleinod echter de omgekeerde mening toegedaan, en noemt Heimat, Armut, Zierat en Einöde als verwant, echter zonder oudere vormen ter adstructie aan te dragen. De samenhang met Clenodium wordt unklar (onduidelijk) genoemd.EWdS, p 495.EWdS op Google Books Geraadpleegd 26 januari 2009 Het geeft dezelfde etymologie. DWDS : Kleinod Geraadpleegd 31 juli 2013

Het Middelnederlandsch Woordenboek beschouwt de conclusie van het N.e.w. als verouderd. Het verdedigt een soortgelijke opvatting als de genoemde Duitse woordenboeken en geeft aan dat het woord door middel van de uitgang afgeleid is van klein. Ter vergelijking worden het Gotische woord witôth (wituþ) en het woord armoede besproken, die in essentie dezelfde uitgang hebben als kleinood. Zoals veel woorden is witôth zijn uitgang kwijtgeraakt; het is in het Nederlands vereenvoudigd tot wet. Woorden als armoede en kleinood hebben hun uitgang echter behouden, vermoedelijk omdat ze in de volksmond als samengestelde woorden ervaren werden. Andere woorden waarin de uitgang nog herkenbaar is, zijn sieraad en het Duitse Heimat. Het woord clenodium, dat in het N.e.w. als grondvorm werd beschouwd, is wel verwant, maar is een Latijnse afleiding van het Middelhoogduitse woord kleinôt.Geïntegreerde Taalbank online: CLEINOOT Geraadpleegd 30 juli 2013

Betekenisverschuiving van het woord klein thumb|Boeddhistische reliekhouder, Nationaal Museum van Korea De eerste helft van het woord kleinood lijkt gemakkelijk te begrijpen, maar dit woord had in het Middelnederlands twee betekenissen. Daarin doet het denken aan het hedendaagse woord fijn, dat op iets kleins kan duiden, maar ook op iets wat verfijnd is en beslist niet klein hoeft te zijn. Bij het woord kleinood blijkt dit uit de opmerking: “versta door clenode niet slechts juwelen, paarlen, gouden ringen en dgl., maar in het algemeen elk kostbaar meubelstuk, b.v. zilveren ketels, kannen, bekers, in goud en edelgesteenten beslagene gebedeboeken, enz.” Opmerkelijk is dat de betekenissen die het woord klein in het verleden had, zeer goed overeenkomen met de tegenwoordige connotaties van het woord kleinood. De betekenis van het woord klein evolueerde van 'glanzend en schitterend', via 'sierlijk en fijn' tot het huidige gebruik als tegenstelling van groot.N.e.w. 1997, p3. “kleinood, olijk, ooievaar” in N.e.w. 1997 op Google Books Geraadpleegd 30 juli 2013

Gebruik in het Middelnederlands thumb|Een ridder van het Gulden Vlies, met een Eenhoorn op zijn helm In het Nederlands is het woord voor het eerst aangetroffen in een tekst uit 1240, waarschijnlijk ontleend aan het Middelhoogduits, waar het tussen 1180 en 1190 geattesteerd is.

Het meervoud, en in mindere mate het enkelvoud, werd ook als collectivum gebruikt, om een onbestemde hoeveelheid kostbaarheden aan te duiden. Afhankelijk van de context kon het woord specifiek duiden op kerkschatten en kloosterschatten of, in nog nauwere zin, op relikwieën. Het meervoud kleinodiën (clenodiën), dat al in het Middelnederlands voorkwam, is door volksetymologie gebaseerd op clenodium.