Kasteel Karlstein (Tsjechisch: ) is een veertiende-eeuws gotisch kasteel in Karlštejn in Tsjechië, zo'n 35 kilometer ten zuidwesten van Praag. Het kasteel is gelegen op een driehonderd meter hoge karstheuvel, de Kněží Hora (Nederlands: Priesterberg). red., Landscapes and Landforms of the Czech Republic (Switzerland: Springer, 2016), 67. Karlstein is vernoemd naar de stichter van het kasteel, Karel IV van het Heilige Roomse Rijk., Karlstein: Das Rätsel um die Burg Karls IV (Stüttgart: Verlag Urachhaus, 1971), 8.

Karlstein kwam grotendeels tot stand in de periode 1348–1365. In een van de kapellen bracht de keizer in deze periode verschillende belangrijke relikwieën en kroonjuwelen onder. Karlstein doorstond in 1422 een beleg van de Hussieten en in de zestiende eeuw werd het deels herbouwd in renaissancestijl. In de negentiende eeuw vonden diverse restauraties plaats die het kasteel terug naar de gotiek brachten, al kon de restauratie die tussen 1887–1897 was uitgevoerd wel rekenen op de nodige negatieve kritiek. Het huidige uiterlijk van Karlstein dateert uit deze periode. Sinds 1964 is Karlstein een nationaal cultuurmonument., Burchten & Kastelen in Europa (Noordwijkerhout: Rebo productions, 2004), 318. Dit kasteel is een van de meest bezochte monumenten van Tsjechië. In 2024 bezochten bijna 147.000 mensen Karlstein.

Karlstein bestaat uit vier verschillende kwartieren: het hof van de burggraaf, het keizerlijk paleis, de Mariatoren en de Grote Toren, die bijna 37 meter hoog is. De kunstcollectie van de Mariakapel behoort tot de hoogtepunten van de middeleeuwse kunst.

Geografie Het kasteel ligt in de regio van de Boheemse karst, waarin veel middeleeuwse kastelen gebouwd werden. De rivier de Berounka, die vlak bij het kasteel loopt, heeft een kloof door het landschap getrokken. red., Succession in Abandoned Fields: Studies in Central Bohemia, Czechoslovakia (Dordrecht: Kluwer, 1990), 4. Vlak bij het kasteel ligt het gelijknamige dorp Karlštejn, dat ontstaan is uit de plek waar de ambachtslieden woonden die het kasteel aan het bouwen waren. Het dorp heette oorspronkelijk Budňany, naar de houten hutten waarin de bouwers leefden.

Geschiedenis Bouw Van de voorgeschiedenis van de plek waar het kasteel werd gebouwd, is weinig bekend. Het maakte deel uit van de koninklijke bossen en was waarschijnlijk een buitenplaats van het huis Luxemburg. (red.), Prague: The Crown of Bohemia 1347-1437 (New York: The Metropolitan Museum of Art, 2005), 10.

Karel IV stichtte Karlstein in 1348. Wie de architect van het kasteel is weten historici niet zeker; onder andere de naam van Fransman Matthieu d'Arras wordt genoemd., Karlstein, 12. Waarschijnlijk speelde Karel IV een belangrijke rol bij het ontwikkelen van de plannen., Courts and Regions in Medieval Europe (York: York Medieval Press, 2000), 133. Het ontwerp van Karlstein was erop gericht dat Karel IV het persoonlijk zou gebruiken in plaats van dat het een militaire fortificatie werd. In 1348 legde de aartsbisschop van Praag de eerste steen van het kasteel., Seats of power in Europe during the Hundred Years War: an architectural study from 1330 to 1480 (Oxford/Philadelphia: Oxbow Books, 2016), 185. De kleine of Mariatoren kwam in 1361/62 gereed en de Grote Toren drie jaar later., Nürnberg als Kunstzentrum des Heiligen Römischen Reichs: Höfische Und Städtische Malerei in Der Zeit Kaiser Karls IV. 1346-1378 (Berlin/Prag: Deutscher Kunstverlag, 2019), 160. In deze periode begonnen de bouwers ook aan de arcadevleugel aan de westkant. Tot ver in de veertiende eeuw zou er aan Karlstein gebouwd blijven worden., Nürnberg als Kunstzentrum des Heiligen Römischen Reichs, 172-173. Het kasteel maakte deel uit van een uitgebreid programma van Karel IV om de landen van de Boheemse kroon te verheffen tot een cultureel en politiek centrum in Centraal-Europa. miniatuur|Keizer Karel IV op een fresco in Karlstein Het is onzeker of Karel IV van begin af aan van plan was om de kroonjuwelen en relikwieën te huisvesten in Karlstein. Sommige historici beargumenteren dat de koning aanvankelijk de juwelen een plek wilde geven in de Maria Hemelvaart- en Karel de Grotekerk in Praag. Waarschijnlijk voorzag Karel IV wel een duidelijke politieke rol voor Karlstein vanaf het begin, bijvoorbeeld door het organiseren van grote staatsgebeurtenissen in het kasteel. Pas nadat de koning in 1356 de Passierelikwieën verkreeg, begon hij na te denken over een andere rol voor het kasteel. Een jaar later konden gelovigen de relieken vereren in Karlstein., Courts and Regions in Medieval Europe, 139-141.

Karel IV zag zichzelf als priester die als heerser van het Heilige Roomse Rijk geheiligd was door de genade van God. Voor hem waren de keizerlijke regalia en de relikwieën dan ook symbolen van zijn goddelijke roeping en verdienden ze een tehuis van ongekende schoonheid. Het kasteel werd onderhouden door priesters en monniken en was geen fort, maar een beschermd keizerlijk heiligdom dat een sacraal-politieke intentie weerspiegelde., Seats of Power in Europe During the Hundred Year's War, 187. De Boheemse kroniekschrijver Beneš Krabice was in 1365 getuige van de consecratie van de Heilige Kruiskapel en schreef over het kasteel:, Courts and Regions in Medieval Europe, 142-143.

Vijftiende eeuw miniatuur|Het beleg van Karlstein, getekend door Věnceslav Černý. Na de uitbraak van de Hussietenoorlogen liet Sigismund van Luxemburg, zoon van Karel IV, de keizerlijke en Boheemse kroonjuwelen naar Praag overbrengen voor zijn kroning. De Boheemse juwelen werden teruggebracht naar het kasteel, maar de keizerlijke kroonjuwelen kwamen via Hongarije in Neurenberg terecht en zouden nooit meer naar Karlstein terugkeren. Na het beleg van Žatec in 1421 besloten de Hussieten om Karlstein te belegeren. Het kasteel was voor de katholieken niet alleen belangrijk vanwege de relikwieën die er lagen, maar het was ook militair gezien strategisch een belangrijke plek. Op 20 mei 1422 begon het Hussietische leger onder leiding van Sigismund Korybut het beleg. Zowel de pogingen om het kasteel te bombarderen als om het te bestormen mislukten. De belegeraars zouden vervolgens ook hebben getracht om het kasteel tot overgave te dwingen door lijken en vaten met mest het kasteel in te slingeren met hun trebuchets. Op 8 november 1422 sloot het moegestreden garnizoen met de eveneens moegestreden belegeraars een wapenstilstand voor een jaar. De Hussieten zouden niet nogmaals een poging doen om Karlstein te veroveren., The Oxford Encyclopedia of Medieval Warfare and Military Technology. (Oxford: Oxford University Press, 2010), 461.

In de vijftiende eeuw onderging Karlstein enkele veranderingen. Zo breidde men het hof van de burggraaf uit, werden diverse houten scheidingswanden verwijderd en werd een muur verwijderd in de Mariakapel., 'Josef Mocker and Prague’s Medieval Landscape (1872–1899).' In: , Prague and Bohemia: Medieval Art, Architecture and Cultural Exchange in Central Europe (London/New York: Routledge, 2009), 244.

Vroegmoderne tijd miniatuur|Oudst bekende afbeelding van Karlstein, ca. 1720. Keizer Rudolf II gaf in 1570 opdracht tot het uitvoeren van reparaties om te voorkomen dat het kasteel zou vervallen. Architect Udalrico Avostalis verbouwde tussen 1579 en 1597 het kasteel in renaissancestijl. Hij voorzag de muren van sgraffito, gaf het kasteel een renaissancegevel en daarnaast verbouwde ook hij het hof van de burggraaf., Karlstein, 16.

Koning Frederik I van Bohemen legerde een garnizoen Engelse soldaten in het kasteel. Na de Slag op de Witte Berg startte Karel I van Liechtenstein in 1620 het beleg van Karlstein, waarop het garnizoen zich overgaf zonder gevecht te leveren. Keizer Ferdinand II schafte de functie van burggraaf per 16 mei 1625 af en liet een aantal relikwieën en de Boheemse kroonjuwelen overbrengen naar de Wenceslauskapel in de Praagse burcht. De keizer verpandde Karlstein een jaar later aan Johan Kawka van Řičan. Vanwege de aanhoudende oorlog bracht deze de laatste relikwieën naar Praag over. Tijdens de Slag om Praag in 1648 veroverden de Zweden het kasteel en plunderden wat er nog restte in Karlstein., Die königliche Burg Karlstein in Böhmen (Wien/Olmuz: Eduard Hölzel's Verlag-Expedition, 1858), 17.

Na de oorlog bewoonden slechts enkele ambtenaren en de deken van het kapittel het kasteel. De laatste deken die er woonde was Franz Ferdinand von Eisenberg (1672-1704). Na het overlijden van keizer Leopold I verkreeg keizerin-weduwe Eleonora van Palts-Neuburg het kasteel als erfenis. Vijftig jaar later schonk keizerin Maria Theresia van Oostenrijk de grond en de opbrengsten van Karlstein aan het nonnenklooster dat ze in de Praagse burcht had gesticht. In deze periode ontstond opnieuw waardering voor Karlstein., Die königliche Burg Karlstein in Böhmen, 18.

Negentiende eeuw miniatuur|Karlstein omstreeks 1850 Eind achttiende eeuw ontstond er herwaardering voor de kunstschatten van Karlstein, maar dit leidde nog niet tot plannen voor restauratie van het kasteel. Graaf Franz Anton von Kolowrat-Liebsteinsky regelde dat keizer Frans II in 1812 Karlstein bezocht, samen met zijn dochter Marie Louise. Het bezoek leidde tot de opdracht het kasteel te restaureren. In de jaren 1815-1818 werden de eerste noodzakelijke reparaties uitgevoerd. De kroning van keizer Ferdinand I van Oostenrijk vormde de aanleiding tot een duurdere en omvangrijkere restauratie in de periode 1837-1840. Daarin herkreeg de Grote Toren het oorspronkelijke gotische uiterlijk. Vanwege het vijfhonderdjarig bestaan van het kasteel werd in 1848 een nationale pelgrimage georganiseerd., Die königliche Burg Karlstein in Böhmen, 22-23.

In 1858 waarschuwde de 'Keizerlijke en Koninklijke Centrale Commissie voor Onderzoek en Conservering van Monumenten' voor de slechte staat waarin Karlstein verkeerde, maar zonder resultaat. In 1864 liet de Boheemse regering een rapport opstellen over het belang van het kasteel. De Weense architect Friedrich von Schmidt was een van de schrijvers en stelde dat de vorm van het dak het grootste belang voor het kasteel was door het afstekende silhouet van de toren in de lucht. Hij was dan ook van mening dat het dak van de Grote Toren moest worden opgehoogd en dat andere torens naar hun oorspronkelijke hoogte moesten worden teruggebracht. Schmidt kwam met het voorstel voor een reconstructie zoals eerder was uitgevoerd aan de Wartburg. Het duurde tot 1887 voor de fondsen voor een renovatie waren bijeengebracht., 'Josef Mocker and Prague’s Medieval Landscape (1872–1899)', 244-245.

miniatuur|Foto van Karlstein in 1880 waarop onder andere de bovenste verdieping van het keizerlijk paleis nog zichtbaar is. Als eerste werd de zolder van de Mariatoren aangepakt. Toen uit onderzoek was gebleken dat het stenen metselwerk oorspronkelijk niet doorliep boven de kroonlijst, voegde Schmidt een houten galerijpassage toe aan de toren. Eenzelfde bovenbouw voegde hij ook toe aan de Grote Toren, ondanks dat daarvoor het bewijs ontbrak., "Schmidtův Karlštejn: Neogotická rekonstrukce středověkého hradu na pozadí doby". Umění: časopis Ústavu dějin umění Akademie věd České republiky. Praha: ČSAV, 2013, 61(5), 432.