Levieten of de stam van Levi was een van de twaalf stammen van Israël. De Levieten waren van de geslachtslijn van Levi, de derde zoon van Jakob. De Levieten werden ook de "stand der hogepriesters" genoemd omdat ze in de tijd van Mozes in de woestijn door JHWH gekozen zouden zijn, om in Gods tabernakel ("Tent der Getuigenis") en later in de tempel te werken, als hulp van de priesters (de Kohaniem). miniatuur|Deel van de grafsteen van een Leviet op de Joodse begraafplaats in Woerden. De stam van Levi voltrok bijzondere religieuze diensten voor de Israëlieten en droeg politieke, militaire en economische verantwoordelijkheden. Onder anderen moesten de Levieten ten tijde van de tempel de handen van de priesters symbolisch reinigen. Op de grafsteen van een Leviet staat daarom vaak een kan of een waterschaal afgebeeld.

Bij de verovering van Kanaän kreeg hun stam geen afgebakend gebied toegewezen. Maar zij verwierven daarentegen wel het recht om tienden te heffen. Toen het volk van Israël het gouden kalf ging aanbidden in de woestijn, was de stam van Levi de enige stam die niet meedeed.Exodus 32 Onder de Levieten waren ook muzikanten. Tijdens het offerritueel zong een koor van ten minste twaalf Levieten een psalm (voor elke dag van de week een andere), begeleid door strijkinstrumenten.

Levietendienst Na de uittocht uit Egypte werd bepaald dat alle eerstgeborenen van de Israëlieten aan God toebehoorden.Exodus 13:1, 2 Toen de tabernakel gereed was, vervingen mannelijke Levieten deze 'eerstelingen', zodat de eerstgeborenen weer vrij waren.Numeri 3:39; 8:17In de Bijbel worden met 'eerstelingen' ook de eerstgeborenen van reine dieren en de eerste vruchten van de oogst bedoeld. Alle werkzaamheden met betrekking tot de tabernakel werden verricht door mannelijke Levieten van dertig tot vijftig jaar,Numeri 4:47 voor lichtere werkzaamheden was de ondergrens 25 jaar.Numeri 8:24, 25 Koning David veranderde deze leeftijd in twintig jaar, aangezien de tabernakel niet meer vervoerd hoefde te worden met de bouw van de tempel in het vooruitzicht.1 Kronieken 23:24-26 Leviticus, het derde boek van de Pentateuch, staat in het teken van de Levietendiensten. Numeri en Deuteronomium, het vierde en het vijfde boek, bevatten aanvullende bepalingen voor de Levieten en hun werkzaamheden.

De Levieten waren onderverdeeld in drie afdelingen, de Kehatieten, de Merarieten en de Gersomieten. Tot de Kehatieten behoorden bovendien de Kohaniem, de afstammelingen van Mozes' broer Aäron. Zij waren de enigen die als priesters dienstdeden in de tabernakel en de voorhof. Alle Levieten waren vrijgesteld van de dienstplicht en van andere werkzaamheden dan de tabernakeldienst.Numeri 1:49 Om in het levensonderhoud van de Levieten te voorzien gaven de twaalf stammen hen een tiende deel van hun oogst en veestapel en na een succesvolle krijgstocht een deel van de buit.Numeri 18:25-29; 31:25-31

Offers Leviticus 1-10 beschrijft uitsluitend het ritueel en de omstandigheden van het brengen van brandoffers. Ook uit Numeri en Deuteronomium blijkt dat deze offers tweemaal daags werden gebracht. Ook bij speciale gelegenheden was het de gewoonte dergelijke offers te brengen. De Levieten hadden als enigen het recht om van deze offeranden te eten.Deuteronomium 18:1-5 Ook schenkingen van goud en zilver werden "door JHWH bevolen".

Alleen de Levieten werden geaccepteerd voor het priesterschap van de God JHWH. Zoals uit Psalm 87 en 107 blijkt erkende Israël zichzelf als een verzameling van rassen die werden samengebracht onder eenzelfde embleem, en onder leiding van de machtige Levieten.

thumb|Offergaven op het brandofferaltaar en reiniging in het koperen bekken in de voorhofIllustratie uit de Phillip Medhurst Collection of Bible illustrations te St. George’s Court, Kidderminster, Engeland De offers die in de tabernakel werden gebracht dienden een aantal doelen, waaronder boetedoening, reiniging en dankzegging., p. 64, 65 De Israëlieten mochten volgens de Bijbel alleen offers brengen op plaatsen die door God waren goedgekeurd. Tijdens de reis door de woestijn naar het beloofde land werd er derhalve, na de inwijding van de tabernakel, alleen op het tabernakelterrein geofferd.Deuteronomium 12:13-14 De offers mochten uitsluitend worden verricht door de Kohaniem. Wanneer anderen een offer aan God wilden brengen, overhandigden zij de offergave aan de dienstdoende priesters.Numeri 3:6-10

Voordat een offer werd gebracht of de tabernakeltent werd binnengegaan moesten de priesters hun handen en voeten in het koperen bekken wassen.Exodus 30:17-21 Ook mocht een priester niet op het tabernakelterrein komen wanneer hij onrein was, bijvoorbeeld omdat hij onlangs een lijk of een onrein dier had aangeraakt of geslachtsgemeenschap had gehad. Priesters dienden zich in zulke gevallen geheel in water te wassen en tot de zonsondergang te wachten, pas dan waren zij weer ceremonieel rein.Leviticus 21:1-7; 22:2-8

Tweemaal per dag werd door de priesters een mannelijk eenjarig lam op het koperen altaar in de voorhof geofferd, tezamen met meelbloem als graanoffer. In de tabernakel werd tweemaal daags voor het voorhangsel van het Allerheiligste wijn als een plengoffer uitgegoten,Numeri 28:3-8; 15:5 werd de olie in de lampen van de lampenstandaard ververst en werd reukwerk op het reukaltaar gebrand.Exodus 30:7, 8 Op de wekelijkse sabbat werden geen twee maar vier lammetjes geofferd.Numeri 28:9, 10 Op de tafel der toonbroden in de tabernakel werden op die dag bovendien de twaalf ringvormige toonbroden verwisseld, die de Kehatieten hadden gebakken van meelbloem.Leviticus 24:5-8

Op speciale dagen werden extra offers gebracht op het koperen altaar en in de tabernakel. Op de Verzoendag bijvoorbeeld deed de hogepriester in het Allerheiligste verzoening voor het Israëlitische volk. Hiervoor slachtte hij een jonge stier en een geit, waarop hij hun bloed mengde en rond de Ark van het Verbond sprenkelde. Daarna bestreek hij de vier hoornen van het reukaltaar met het bloed en strooide hij zevenmaal druppels bloed in het rond op het reukaltaar.Leviticus 16:15-19 Andere vaste dagen waarop extra offers werden gebracht waren de eerste dag van elke maand,Numeri 10:10 en de drie jaarlijkse feesten: de Pesachweek,Numeri 28:16-19 de Sjavoeot (het oogstfeest of wekenfeest)Numeri 28:26-31 en de Soekot (het loofhuttenfeest).Numeri 29:12-39 Op deze feesten dienden alle mannelijke Israëlieten zich voor de tabernakel te verzamelen.Deuteronomium 16:15-16 Toen de tabernakel in Israël stond was het voor veel Israëlitische gezinnen gebruikelijk om voor de viering van de Pesachweek naar het heiligdom te reizen.1 Samuel 1:3 Mogelijk vierden de mannen de overige feestweken zonder hun gezin.

Naast de gaven die op een vast tijdstip dienden te worden geofferd waren er nog andere soorten offergaven. Deze konden door Israëlieten of proselieten (bekeerde buitenlanders) aan de dienstdoende priester worden overhandigd. De eerste hoofdstukken van Leviticus behandelen bijvoorbeeld gelofteoffers, vrijwillige offers en dankoffers, die naar eigen inzicht door de gever konden worden aangeboden uit dankbaarheid of om een verbond te bekrachtigen.Leviticus 7:11-21 Wanneer het offer een dier betrof, werd het geslacht en werd het bloed rond het koperen altaar in de voorhof gesprenkeld.

Wanneer een individu of een groep personen een zonde had begaan, dienden een of meer dieren uit de veestapel te worden gegeven als zondeoffer.Leviticus 4; Numeri 15:30-31 Nadat het dier was geslacht, werd het bloed in de meeste gevallen in de tabernakel gebracht en voor het voorhangsel in druppels in het rond gestrooid.Leviticus 16In Leviticus 4:22 tot 26 wordt een uitzondering gemaakt voor een zondeoffer dat wordt gegeven door een overste van het volk. Het bloed van dit offer werd buiten rond het koperen altaar gesprenkeld. Wanneer iemand een zware zonde had begaan volgens de Israëlische wet, stond de zondaar als het ware in de schuld bij God en diende hij een schuldoffer te geven. Dit was gewoonlijk een dier uit het kleinvee, maar wanneer de schuldige niet genoeg bestaansmiddelen had, kon hij in sommige gevallen ook volstaan met twee tortelduiven of twee jonge duiven, of wanneer hij arm was een kleine hoeveelheid meelbloem.Leviticus 5

Muziek David stelde onder de Levieten een aantal zangers en muzikanten aan, zoals de Korachieten, nakomelingen van de tegen Mozes rebellerende Korach. Drie Levieten kregen de leiding over de muziek en zang in de tabernakel, namelijk de Korachiet Heman, de Merariet Ethan en de Gersomiet Asaf.1 Kronieken 6:31-44 Een aantal Psalmen vermeldt in het opschrift 'de zonen van Korach'Psalm 42, 44–49, 84, 85, 87, 88 en de naam van Asaf,Psalm 50, 73-83 mogelijk een aanduiding voor Asaf en zijn nakomelingen tezamen.

Kledingvoorschriften voor de priesters thumb|De hogepriester (links) en een knielende priesterIllustratie uit The History of Costume door (eind 19e eeuw) De instructies voor het vervaardigen van de tabernakel bevatten ook beschrijvingen van de kleding van de dienstdoende priesters. Zij moesten op het tabernakelterrein linnen broeken dragen, met daaroverheen een lang linnen gewaad en een linnen gordel. Op hun hoofd moesten ze een linnen hoofddeksel dragen.Exodus 28:40-43; 39:27-29

De hogepriester droeg over zijn linnen broek en linnen gewaad een blauwe mantel,Volgens sommige Bijbelvertalingen was de mantel purper of violet. waarvan de zoom was versierd met gouden belletjes en kleine granaatappels. Hierdoor konden de omstanders horen wanneer de hogepriester zich in de tabernakel bevond.Exodus 28:31-35 Over het gewaad heen werd een linnen efod gedragen, een langwerpige doek met een gat in het midden waar het hoofd doorheen gestoken kan worden, zoals bij een poncho. In dit doek waren gouddraad en purperen en blauwe stoffen verweven of geborduurd. De gordel die de efod op zijn plaats hield was van hetzelfde materiaal.Exodus 28:6, 8; 39:2, 3

Op de schouders van de mantel waren twee onyxstenen aangebracht, waaraan met gouden kettinkjes een borststuk was bevestigd.Exodus 28:9, 14In sommige Bijbelvertalingen 'borsttas' of 'borstlap' genoemd. Dit borststuk was een doek van hetzelfde materiaal als de efod en bevatte twaalf verschillende edelstenen met de namen van Jakobs twaalf zonen erin gegraveerd. Het doek van het borststuk was tweemaal zo lang als breed, maar werd dubbelgevouwen op de borst gedragen met de vouw naar beneden. Op deze manier ontstond een draagzak waarin de hogepriester de Urim en de Tummim droeg, twee voorwerpen die dienstdeden in rechtszaken. Het borststuk werd daarom ook wel 'borststuk der rechtspraak' of 'borststuk der Godspraak' genoemd.Exodus 28:15-21 (verschillende vertalingen)

De hogepriester droeg een linnen hoofddeksel,Exodus 28:39 dat waarschijnlijk verschilde van de hoofddeksels van de overige priesters. De Bijbel vermeldt in Leviticus namelijk dat de overige priesters hun hoofddeksel om het hoofd wonden, terwijl de hogepriester het op zijn hoofd plaatste.Leviticus 8:9, 13 Volgens sommige Bijbelvertalingen was het een tulband,"Make Aaron’s robe and turban of fine linen and decorate his sash with fancy needlework.", Exodus 28:39 volgens de Contemporary English Version maar Flavius Josephus beschreef het als een hoofddeksel met een conische vorm Bible Hub: Exodus 28:37 en sommige Bijbelvertalingen gebruiken daarom het woord 'mijter'."...and thou shalt make the mitre [of] fine linen, ...", Exodus 28:39 volgens de King James Version Met een blauwe snoer werd op het hoofddeksel een gouden plaat bevestigd, waarop de tekst "De Heiligheid van JHWH" stond gegraveerd.Exodus 28:36; 29:6

Aanvullende priestertaken