thumb|right|200px|AristotelesDe Ethica Nicomachea (Oudgrieks: ἠθικὰ Νικομάχεια, ēthiká Nikomácheia, oorspr. ἠθικὡν Νικομάχειων) (soms ook gespeld als 'Nicomachaea') is een van de werken van de Griekse filosoof Aristoteles. In dit werk lezen we over deugdenethiek, het menselijk karakter en welke rol deze twee spelen bij het vinden van geluk. Het werk bestaat uit tien boeken en neemt een prominente plaats in binnen het oeuvre van Aristoteles. De naam 'Nicomachea' is te herleiden tot diens zoon, Nicomachus. Hij zou het werk, gebaseerd als het was op aantekeningen van zijn vaders lezingen, voor uitgave geschikt hebben gemaakt. Een andere theorie verklaart de naam door Nicomachus eenvoudig aan te wijzen als degene aan wie het werk opgedragen werd.
Geluk (boek I en X) Het functie-argument In boek I stelt Aristoteles dat iedereen het erover eens is dat geluk (Grieks: eudaimonia) het ultieme doel van het menselijk bestaan is, maar dat er discussie is over de vraag wat geluk nu precies inhoudt. Aristoteles probeert dit te achterhalen door op zoek te gaan naar de functie (Grieks: ergon) die uniek is voor de menselijke soort (het zogenaamde ‘functie-argument’). Hij concludeert dat dit ergon, deze kenmerkende functie, het verstand is. Leven als een mens komt er dan op neer dat men zijn verstand gebruikt, en goed leven, dat wil zeggen gelukkig leven, betekent dat men zijn verstand op voortreffelijke wijze gebruikt. Geluk is voor Aristoteles dus nadrukkelijk een activiteit. Wie bijvoorbeeld slaapt kan op dat moment niet echt gelukkig zijn.
Theoria Nu kan men echter zijn verstand op verschillende manieren gebruiken. Aristoteles onderscheidt het praktisch gebruik van het verstand, bijvoorbeeld wanneer men aan politiek doet, van de zogenaamde theoria. In boek X identificeert Aristoteles het ware, ultieme geluk met theoria. Theoria is een lastig begrip, dat grofweg ‘filosofisch onderzoek, filosofische beschouwing’ betekent. Over de precieze inhoud van theoria is Aristoteles niet duidelijk. Het zou om ‘onderzoek’ kunnen gaan, waarbij iemand nieuwe kennis opdoet. Het zou echter ook het overdenken van kennis die men al bezit kunnen inhouden.
Aristoteles (EN X 7) geeft een aantal argumenten waarom theoria het hoogste goed is: Theoria is de activiteit van ons hoogste bestanddeel, namelijk ons verstand. Theoria is de meest bestendige activiteit, omdat we het langer ononderbroken kunnen beoefenen dan iedere andere activiteit. Theoria is het meest aangenaam en zuiver, omdat het niet met ongemakken gepaard gaat. Theoria is het meest autarkisch, dat wil zeggen dat er geen materiële goederen of andere mensen voor nodig zijn om te kunnen filosoferen. Theoria is als enige activiteit slechts verkieslijk omwille van zichzelf en is het goddelijk. Kortom, de mens die zich aan de filosofie wijdt, leidt een goddelijk leven. Toch moet Aristoteles toegeven dat een mens niet onafgebroken kan filosoferen; om als mens te blijven functioneren moet iedereen namelijk in de noodzakelijke levensbehoeften voorzien. Dit zijn dingen als eten, drinken en slapen.
Deugden (boek II-VII) Karakter (boek II) Zoals hierboven beschreven is voor Aristoteles geluk een activiteit die op voortreffelijke wijze wordt uitgevoerd. In boek I en X denkt hij hierbij primair aan intellectuele activiteiten. Echter ook andere vormen van voortreffelijke activiteit zijn van belang voor een goed, volwaardig leven, bijvoorbeeld moedig of rechtvaardig handelen. Om dit soort handelingen mogelijk te maken is het noodzakelijk om de bijbehorende positieve karaktereigenschappen, deugden zoals moed en rechtvaardigheid, te ontwikkelen. In boek II tot en met VII van de Ethica Nicomachea gaat Aristotles uitvoerig in op de voortreffelijkheid van karakter (Grieks: êthos) en de verschillende deugden (Grieks: aretai).
Volgens Aristoteles ontwikkelen we een voortreffelijk karakter door gewoonte, door herhaald gedrag. Dit in tegenstelling tot een voortreffelijk verstand dat door onderwijs en scholing ontwikkeld wordt. De voortreffelijkheid van karakter heeft betrekking op handelingen en gevoelens, bijvoorbeeld boos zijn. Genot en pijn zijn de toetssteen voor de mate waarin iemand in het bezit is van bepaalde karaktereigenschappen. Zolang iets nog pijn en moeite kost, is het nog niet helemaal een karaktereigenschap. Een voorbeeld: iemand slaat iets lekkers maar ongezonds af en beleeft daar genot aan; dan is zo iemand matig. Het genot bewijst dat zo iemand zich de deugd matigheid heeft eigen gemaakt. Wie wel de traktatie afslaat, maar met tegenzin (pijn), doet wel iets matigs, maar heeft zich de deugd matigheid nog niet eigen gemaakt. Door het doen van voortreffelijke, dat wil zeggen deugdzame dingen word je zelf voortreffelijk / deugdzaam. In het geval van de echt voortreffelijke persoon zijn zowel hijzelf als zijn handeling goed. Hij weet goed wat hij doen moet, hij kiest er bewust voor dat te doen en doet het vervolgens vastberaden.
Het gulden midden (boek II) Voor Aristoteles is een deugd het midden (Grieks: meson) tussen twee ondeugden in, tussen tekort en teveel. Moed is bijvoorbeeld het midden tussen lafheid (een gebrek aan moed) en overmoed (te veel moed). Dit midden is niet absoluut, maar hangt steeds van de persoon en de omstandigheden af. Aristoteles maakt dit punt duidelijk door een vergelijking met het dieet van sporters. Wat voor een worstelkampioen een goede portie eten is (niet te veel en niet te weinig) is voor iemand die begint met trainen al snel veel te veel. Overigens is er in sommige situaties, bijvoorbeeld bij overspel, diefstal en moord geen sprake van een gulden midden. Dit soort dingen zijn altijd slecht.
De deugd rechtvaardigheid (boek V) Het hele vijfde boek van de Ethica Nicomachea is gewijd aan de deugd van de rechtvaardigheid (Grieks: dikaiosunè). Aristoteles onderscheidt twee soorten rechtvaardigheid: de algemene of wettelijke rechtvaardigheid en de specifieke rechtvaardigheid. De algemene rechtvaardigheid komt erop neer dat men zich aan de wetten houdt. Aangezien de wetten bedoeld zijn om de burgers met oog op het algemeen belang aan te zetten tot allerlei vormen van deugdzaam gedrag, kan men zeggen dat rechtvaardigheid alle andere deugden impliceert met inbegrip van de specifieke rechtvaardigheid. Deze vorm van rechtvaardigheid draait om gelijkheid. Aristoteles verdeelt de specifieke rechtvaardigheid weer in distributieve rechtvaardigheid en corrigerende rechtvaardigheid. In het geval van distributieve rechtvaardigheid gaat het erom dat eenieder het deel krijgt dat gelijk is aan de door hem geleverde inspanning. In het geval van corrigerende rechtvaardigheid gaat het erom dat iemand die door een ander benadeeld is een compensatie ontvangt die gelijk is aan het geleden nadeel.
Verantwoordelijkheid (boek III) Aristoteles onderzoekt in de eerste drie hoofdstukken van het derde boek de vrijwillige (Grieks: hekousios) en onvrijwillige handeling (Grieks: akousios). Dit onderscheid dient Aristoteles nauwkeurig te definiëren om in het zevende hoofdstuk tot zijn definitieve stelling te komen: ieder mens, ongeacht of hij goed of slecht is, is verantwoordelijk voor zijn goede én slechte daden.
Onvrijwillige handeling Aristoteles begint zijn onderzoek door eerst de negatieve kant van de kwestie, de onvrijwillige actie, te onderzoeken. Onvrijwillige handelingen verricht men (a) onder dwang of (b) uit onwetendheid.
Het kenmerk van een gedwongen actie is dat de oorsprong van het handelen buiten de persoon ligt, in die zin dat de persoon niets bijdraagt aan de handeling en haar dus als het ware ondergaat. Zo handelt men onvrijwillig wanneer men meegenomen wordt door de wind.
Men verricht een actie uit onwetendheid nooit met opzet. Een dergelijke actie kan opgedeeld worden in twee verschillende categorieën. Enerzijds zijn er acties die men uit onwetendheid verricht, maar waar de actie achteraf voor misnoegen zorgt en medelijden wekt. Men is zich in dit geval niet bewust van specifieke omstandigheden omtrent de handeling. Als voorbeeld geeft Aristoteles iemand die een katapult demonstreert, maar die het apparaat per ongeluk laat afgaan. Anderzijds zijn er acties die men in onwetendheid verricht. Deze actie zal achteraf geen misnoegen en medelijden wekken, aangezien de actie op zichzelf niet herkend is door de handelende persoon. Aristoteles haalt dronken of woedende personen aan als voorbeelden. Alleen wanneer men uit onwetendheid handelt wordt de actie vergeven en soms met medelijden aangezien, omdat deze actie onvrijwillig is.
Gemengde handeling In het geval van een handeling die door de omstandigheden afgedwongen wordt, maar waarbij de uiteindelijke keuze tot handelen bij de handelende persoon ligt, spreekt Aristoteles van een gemengde handeling. Hij geeft het voorbeeld van een schipper die in een storm terechtkomt en de lading van het schip overboord gooit om zijn eigen leven en dat van zijn bemanning te redden. Hoewel men een handeling als deze onder normale omstandigheden niet zou verkiezen en men derhalve tegen zijn zin handelt, handelt men toch vrijwillig, omdat men zelf tot handelen overgaat. De oorsprong van het handelen ligt dus nog steeds in de persoon zelf.
Vrijwillige handeling De nauwgezette uitwerking van de onvrijwillige handeling stelt Aristoteles nu in staat om de kwestie positief te belichten door de vrijwillige handeling te definiëren. Een handeling is vrijwillig wanneer de oorsprong van het handelen in de handelende persoon ligt en wanneer men zich bewust is van de specifieke omstandigheden waarin men handelt.
Verantwoordelijkheid voor moreel slechte daden In hoofdstuk 7 van boek III behandelt Aristoteles de voor hem centrale stelling dat de mens niet alleen verantwoordelijk is voor zijn goede maar ook voor zijn slechte daden. Socrates had gesteld dat niemand vrijwillig het slechte doet: men doet het slechte uit onwetendheid. Aristoteles bestrijdt dit. Indien het in onze macht ligt om bewust het goede te doen, ligt het ook in onze macht bewust het slechte te doen. De mens is evident de vader van zijn eigen handelingen. Aristoteles wijst erop dat de wetgevers de mensen door straf en beloning aansporen het goede te doen en het slechte na te laten. Het is echter zinloos om iemand aan te sporen te doen of te laten wat buiten zijn macht ligt.
Wijsheid en praktisch verstand (boek VI) Inleiding Boek VI van de Ethica Nicomachea behandelt met name het onderscheid tussen het theoretische inzicht enerzijds (epistèmè/sophia) en het praktische verstand ofwel de prudentie (phronèsis) anderzijds. Dit boek kan onder andere gezien worden als de plaats waar wat betreft het kennen voor het eerst het onderscheid tussen ‘theorie’ en ‘praktijk’ gemaakt wordt (bij Plato is phronèsis nog iets wat beide omvat).
Het principe ‘het gelijke wordt door het gelijke gekend’ Na enkele recapitulerende opmerkingen over de inhoud van de vorige boeken schetst Aristoteles het raamwerk van boek VI door een onderscheid aan te brengen wat betreft de ‘ziel’ of het ‘bevattingsvermogen’ (psuchê) van de mens. Deze bestaat namelijk uit een rationeel (to logon echon) en een niet-rationeel deel (to alogon). Het logische deel bestaat wederom uit een deel dat betrokken is bij het echte kennen (‘epistemonisch’ – epistemonikon) en een berekenend ofwel overwegend deel (logistikon/bouleuesthai).