Wouter Cool (Den Haag, 26 mei 1848 – aldaar, 20 november 1928) was een Nederlandse luitenant-generaal. Daarnaast was hij minister van Oorlog en lid van de Raad van State.

Familie Cool was een lid van de familie Cool. Hij was een zoon van Wouter Cool (1802-1879), hoofdambtenaar, en diens tweede vrouw Maria van Coppenaal (1805-1877). Hij was een broer van kunstschilder Thomas Simon Cool en een zwager van Martinus Nijhoff (uitgever). Jacobus Craandijk was zijn halfbroer.

Cool trouwde in 1876 met Wendelina Elisabeth van Manen (1854-1918); uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren.

Loopbaan Opleiding Cool werd geboren te Den Haag als lid van de familie Cool, als petekind van zijn vader, hoofdambtenaar aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, uit diens tweede huwelijk met Maria van Coppenaal, weduwe van Pieter Craandijk; hierdoor was hij een halfbroer van dominee J. Craandijk. Gedurende de jeugd van Cool was er sprake van dat hij, evenals ouderen in de familie, doopsgezind predikant zou worden, maar toen hij als jongen de grenadiers en Jagers met muziek en slaande trom voorbij zag gaan, trok hem spoedig de militaire dienst aan. Na de lagere school bezocht hij de afdeling B van het gymnasium, waarvan hij de eerste klas oversloeg, en besloot om militair ingenieur te worden. In 1864 slaagde Cool voor het toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie, maar werd niet geplaatst. Hij ging toen een jaar naar het indertijd om zijn tucht en goede lessen bekendstaande Instituut de Jong te Nijmegen, waar hij slaagde als 5de bij het toelatingsexamen, nr 3 van de 5 plaatsen haalde voor de genie hier te lande en in september 1865 zijn intrede deed op de Koninklijke Militaire Academie. Hier gaf zijn oudere broer, T.S. Cool, tekenlessen. Na vier jaar verliet Cool de inrichting als tweede luitenant der genie en werd geplaatst bij het bataljon mineurs en sappeurs, dat destijds te Nijmegen garnizoen hield.

De Koninklijke Militaire Academie thumb|left|Wouter Cool met zijn vader in 1864.

Binnen de Academie gistte het in die tijd in hoge mate. Vooral de systemen van militaire opvoeding en opleiding, die steeds het minst sterke deel hadden gevormd van het tweemanschap Seelig-Delprat - indertijd gouverneur en eerste officier van de Academie van 1836 tot 1852 - stonden toen stil. En dit betekende onherroepelijk achteruitgang, vooral in de jaren na 1848, toen het in Europa opkomend liberalisme met zijn vrijere opvattingen van staatsbestuur ook weerklank vond in Nederland. De polsslag van de tijd werd echter aan de Academie niet verstaan; de cadetten werden in de jaren 1860-70 nog even ouderwets streng behandeld als men bij de oprichting in 1828 voor hen nodig had geoordeeld.De wijze waarop de tucht werd gehandhaafd was ontaard in een zeer scherpe, nooit sluimerende controle. Kolonel Schönstedt, nieuw benoemde gouverneur, in 1867, vervreemdde onder meer de cadetten steeds meer van zich. Te midden van al deze roerigheid publiceerde Cool in 1867 zijn brochure een stem uit het cadettencorps.

Scherp werd daarin het verleden gehekeld: de cadetten waren zolang gewend aan een flauw, krachteloos bestuur, dat geen voorrechten uit vrees van misbruik durfde te verlenen, dat deze steeds weifelend in al zijn doen en laten was. Cool had zijn brochure aan zijn zwager, Marinus Nijhoff, gegeven, die met De Nederlandsche Spectator en Het Vaderland verbonden was, met het verzoek er iets uit te plaatsen; zonder verder iets te vragen publiceerde deze het als brochure. Cool moest zijn handelswijze verantwoorden voor een commissie; hij werd op 7 maart 1868 door de gouverneur gestraft met de zwaarste disciplinaire straf, namelijk 8 dagen provoost. In de brochure meldde Cool ten aanzien van de militaire stand onder meer: hoe komt het, dat nog bij zovelen het leger inpopulair is, dat nog zo velen het geld, daaraan besteed, als onnut, als weggeworpen beschouwen? Waardoor dat misverstand? Het is door gebrek aan bekendheid, door gebrek aan openbaarheid. Hoe toch wil men voorliefde koesteren voor een zaak die men niet kent, omdat men in het leger nog niet genoeg alleen de verdedigers van zijn vrijheid ziet. Dit moet en kan anders worden. In de tweede cadetten-almanak (1869) verscheen van Cool het artikel Een ideaal, waarin hij schreef: de oorlog is een kwaad, de oorlog is een noodzakelijk kwaad. Zo schoon, zo verheven is de taak van de officier. En toch is er geen stand, die vaak zo miskend wordt als de onze. Wat is hiervan de oorzaak? Gemis aan belangstelling, voortvloeiend uit gebrek aan bekendheid en daardoor miskenning. Men begrijpt niet dat het leger in vredestijd nodig is, niet alleen als oefeningsschool en om de rust te handhaven, maar ook om de maatschappij voor innerlijk bederf te bewaren. Het leger moet daar staan, staan als toevluchtsoord van oude deugden, als het middelpunt van orde, van belangeloze vaderlandsliefde.

Eerste officiersjaren (1869-1877) thumb|Wouter Cool als cadet op de Koninklijke Militaire Academie. Cool kwam in augustus 1869 aan bij het bataljon mineurs en sappeurs te Nijmegen. Indertijd zat men midden in de strijd over de nuttige en de schadelijke vestingen en de concentratie van het Nederlandse vestingstelsel in het hart van het land, de Vesting Holland. Er zat consolidatie van het vestingstelsel door regeling bij de wet in de lucht. Een grote strijd werd gestreden over Nijmegen, reeds in 1849 door een oud-soldaat aangemerkt als een onhoudbare vesting. Toen de ministers van oorlog Van den Bosch en Van Mulken hadden betoogd, dat dit belangrijke strategische punt noodzakelijk behouden moest blijven, en laatstgenoemde die vesting opnam in de eerste, bij Koninklijke Boodschap van 26 april 1870, ingediende ontwerp-vestingwet, deed Cool de brochure De onverantwoordelijkheid aan het behoud der vestingwerken van Nijmegen door Vox Populi het licht zien, waarin hij vernietigende kritiek leverde op de vesting en het bruggenhoofd Nijmegen. Als offensief bruggenhoofd onbruikbaar, ontbrak het de stad en de forten op de zuidelijke Waaloever voor de verdediging vrijwel aan alles, waaraan een moderne vesting had te voldoen, de wenselijkheid bij een bruggenhoofd om ook een brug te hebben, nog maar achterwege latend.

In de winter van 1869-1870 kreeg Cool te maken met de brugvernielingen, doordat hij als jong luitenant bij de mineurs en de sappeurs daarover een voordracht moest houden. Een eerste uitvloeisel daarvan was zijn uitvoerige studie Het vernielen van bruggen, in de Militaire Spectator van 1871 en 1872 (artikel in zeven afleveringen). Hij wees daarin op de vele grote rivieren in de zuidelijke en oostelijke provincies en ook hoe vooral tijdwinst vooral in de aanvang van een oorlog dringend nodig was. Overigens was het een nagenoeg uitsluitende technische studie met vele voorbeelden uit de krijgsgeschiedenis, vooral van 1859 en van 1866. In de studie stelde hij het gebruik van dynamiet voor tot het doorslaan van de ijzeren bovenbouw in één dwarsprofiel. Een gevolg was dat Cool in de zomer van 1872 met kapitein der genie Beekman in een commissie werd benoemd om de toestand bij de Nederlandse spoorwegbruggen aan de oostelijke en zuidelijke grenzen na te gaan en voorstellen te doen tot het vernielen in geval van oorlogsnoodzaak. Met ingang van 21 maart 1873 werd hij overgeplaatst bij de staf der genie in Nijmegen. Hij werkte daar aan de verbetering van het aardewerk van Fort Pannerden en aan de bouw van woningen voor gehuwden. Intussen werkte hij aan het toelatingsexamen voor de stafschool, gaf zich in 1873 op en slaagde. Echter, de stafschool werd door de minister (Koninklijk Besluit van 28 juli 1875) met terugwerkende kracht op drie jaren bepaald, het eindexamen vervallen verklaard, en daarmee elk recht op bevordering bij keuze bij slagen. In plaats van op 1 november 1877 met recht op bevordering bij keuze voor de eerste kapiteinsplaats bij zijn wapen de stafschool te verlaten, keerde Cool op 1 juli 1876 van de krijgsschool bij zijn wapen terug. Van 1 juli 1876 tot 1 november 1877 was hij werkzaam bij de staf der genie, eerst (tot 1 februari 1877) te Amersfoort, daarna te Utrecht als officier, toegevoegd aan de genie-commandant, waar hij voornamelijk werkte aan een ontwerp voor het fort aan het Hemeltje.

Officier van het Nederlands-Indische leger thumb|left|Wouter Cool en echtgenote in 1877.

In de jaren 1876 en 1877 gingen bij het Nederlands-Indisch leger van de stafschool over: kapitein der infanterie A.J. Prins, luitenant-ingenieur F.J. Haver Droeze, luitenant der infanterie Swart en Cool. Hij kwam op 23 november 1877 te Batavia aan en werd in mei 1878 geplaatst te Semarang, waar hij woonde te Pontjol, een door moerassen omgeven ongezond officierskampement. Eind november 1878 werd hij overgeplaatst naar Willem I, waar zijn taak de kampementsbouw, en projecten voor kazernes in de IIde militaire afdeling op Java was. Medio 1879 vond zijn overplaatsing naar Atjeh plaats, waar hij in juni begon. De gevreesde XXII Moekims waren na een veldtocht onderworpen, maar zij, die waren ontsnapt, moesten in hun verste schuilhoeken worden opgezocht. Dit was het doel van de door generaal van der Heijden voor augustus 1879 bevolen tocht naar Lamtobah en Selimoen. Van der Heijden wees Cool aan als kapitein, toegevoegd aan de colonnecommandant. Hij tekende die tijd als chef van de staf van de expeditionaire macht, terwijl hij tevens wegens ziekte van de aangewezen genie-luitenant, commandant was van het detachement mineurs. Aan allen die aan deze expeditie hadden meegedaan werd het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven, met de gesp Atjeh 1873-1880 uitgereikt.

De uitkomst van deze laatste grotere expeditie was dat er gedurende meer dan een jaar onder het krachtige bestuur van generaal van der Heijden overal volkomen rust heerste. Geen vijandelijke benden vertoonden zich in dit tijdperk binnen het door ons bezette (uitgestrekte) gebied. Talloze patrouilles, van de verschillende posten uitgezonden, gaven steun aan de welgezinde en langzaam terugkerende bevolking en benamen de kwaadwilligen de moed om op ons gebied enige vijandelijkheden te plegen.W. Cool en G.B. Hooijer. 1889. Een schone bladzijde uit Atjeh's geschiedenis Na terugkeer op Kota Radja bewerkte Cool een uitvoerig verslag van de afgelopen krijgsverrichtingen en hervatte vervolgens de geniedienst op Groot-Atjeh. In juni 1889 werd hij afgelost van Atjeh en geplaatst bij de gewestelijke geniedienst te Padang. Voor Van der Heijden heeft Cool altijd een zeer grote verering gehouden. In 1880 werd hij met een langdurig verlof tot herstel van gezondheid overgeplaatst als eerst aangewezen genieofficier naar Fort de Kock, waar hij onder de bevelen stond van de gewestelijke eerst aangewezen ingenieur, majoor der genie Kielstra. In 1881 pakte hij de pen weer op en verscheen in het Indisch Militair Tijdschrift van zijn hand Een overzicht van de geschiedenis van de opleiding van officieren voor de generale staf in Nederland en Nederlands-Indië. Daarin werd het zoeken en tasten inzake de stafopleiding in Nederland, het voortdurend wisselen van stelsel geschetst en gehekeld, ook hoe die plannen voor een stafschool in Nederlands-Indië in de prullemand gingen. De instabiliteit inzake de staf- en krijgsschool werd geïllustreerd met twee regels uit een oudejaarslied: Ach, wij vinden, waar wij staren, niets bestendigs hier beneden! Cool werd nu gepasseerd voor een functie bij de generale staf (door anciënniteitskwesties en persoonlijke voorkeuren van hoger geplaatsten), hetgeen zijn vriend Nieuwenhuijzen deed schrijven Wie vrede met zichzelf heeft, acht zich boven dit geknoei verheven. Deze passering deed voor Cool de deur dicht en toen in december 1881 de vraag kwam, of hij bij het leger aldaar wilde terugkeren om de betrekking te aanvaarden van hoofd van onderwijs in de geniewetenschappen aan de Koninklijke Militaire Academie, vertrok hij met zijn familie naar Breda.

Hoofd van onderwijs aan de Koninklijke Militaire Academie (1882-1887)