De Wet inkomstenbelasting 2001 (kortweg IB of Wet IB 2001) is een belasting in Nederland die de inkomstenbelasting regelt. Deze belasting heft de Nederlandse rijksoverheid met betrekking tot inkomen dat in Nederland woonachtige en bepaalde niet in Nederland woonachtige natuurlijke personen genieten. Rechtspersonen vallen niet onder de Wet IB 2001, maar onder de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De inkomstenbelasting is een zogenoemde inkomensbelasting.
De Nederlandse inkomstenbelasting levert op zichzelf maar een klein deel van de totale belastingopbrengst op (gemiddeld enkele procenten). Toch wordt zij in de fiscale praktijk ook wel aangeduid als 'de koningin der belastingen'. De reden hiervoor is dat de inkomstenbelasting een eindheffing is met betrekking tot de loonbelasting (naar opbrengst wel een 'grote' belasting), en omdat bovendien het winstbegrip in de vennootschapsbelasting gelijk is aan dat van de inkomstenbelasting. De inkomstenbelasting is daarmee van grote invloed op deze heffingen en als eindheffing op de loonbelasting ook op het dagelijks leven van de meeste mensen, en daarmee inderdaad een 'koningin'. In de fiscale studie neemt inkomstenbelasting dan ook traditioneel een belangrijke plaats in.
De wet trad in werking op 1 januari 2001. Hij verving de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Indeling De indeling is hiërarchisch met drie niveaus: hoofdstukken, afdelingen, en, alleen in de hoofdstukken 3 en 4, paragrafen. De nummers van de afdelingen zijn hiërarchisch zoals 2.5 en 3.1, de nummers van de paragrafen zijn hiërarchisch zoals 3.2.5 en 3.3.1. De artikelnummering is hiërarchisch met twee niveaus: het hoofdstuknummer en het artikelnummer binnen het hoofdstuk. Bij de hoofdstukken 10A en 10B worden in de artikelnummers kleine letters a en b gebruikt, bijvoorbeeld artikel 10a.9 en artikel 10b.1.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.2 geeft afwijkingen van de definitie van partner t.o.v. die in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; zie ook onder. Artikel 1.7 geeft de definitie van lijfrente en pensioen. Hoofdstuk 2. Raamwerk (over o.m. boxen, heffingskorting, verzamelinkomen, binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen, zie ook onder) Het tarief per box staat voor box 1 in de artikelen 2.10 en 2.10a (uitsluitend de inkomstenbelasting, de premies volksverzekeringen worden elders geregeld, zie inkomsten in box 1 als grondslag voor andere heffingen), voor box 2 in artikel 2.12, en voor box 3 in artikel 2.13. Artikel 2.14a gaat over het afgezonderd particulier vermogen. Hoofdstuk 3. Heffingsgrondslag bij werk en woning (dat wil zeggen bij box 1) Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (dat wil zeggen bij box 2) Hoofdstuk 5. Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (dat wil zeggen bij box 3) Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen Hoofdstuk 8. Heffingskorting Hoofdstuk 9. Wijze van heffing Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen - o.m. over indexering (zie onder) Hoofdstuk 10bis. Overgangsrecht ten gevolge van Wet herziening fiscale behandeling eigen woning Hoofdstuk 10A. Overgangsrecht ten gevolge van wijzigingswetten, onder meer de levensloopverlofkorting (het overgangsrecht met betrekking tot de invoering van de wet staat in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) Hoofdstuk 10B.Volgens http://wetten.overheid.nl/BWBR0011353 is het hoofdstuknummer 10b, maar volgens https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-641.pdf is het 10B. Horizonbepaling (zie onder) Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
De subjectieve belastingplicht De subjectieve belastingplicht regelt wie de belasting verschuldigd is. Belastingplichtig is de natuurlijke persoon die in Nederland woont - de zogenoemde binnenlands belastingplichtige - en de niet in Nederland woonachtige natuurlijke persoon, maar uitsluitend indien en voor zover die Nederlands inkomen geniet - de zogenoemde buitenlandse belastingplichtige. Voor buitenlandse belastingplichtigen gelden afwijkende regels ten opzichte van de binnenlandse belastingplichtigen. Er bestaat wel de mogelijkheid om voor de regels van binnenlandse belastingplichtigen te kiezen maar zij blijven buitenlands belastingplichtigen. Ook de partner van een buitenlandse belastingplichtige die zelf geen buitenlandse belastingplichtige is (dus hij/zij geniet geen Nederlands inkomen), heeft deze keuze.
De objectieve belastingplicht De objectieve belastingplicht regelt het object waarover de belasting verschuldigd is. Binnenlands belastingplichtigen zijn voor hun gehele inkomen (wereldinkomen) in Nederland belastingplichtig, dat wil zeggen inkomen dat zijn oorsprong zowel binnen als buiten Nederland heeft. Buitenlands belastingplichtigen zijn in Nederland uitsluitend belastingplichtig voor inkomen dat een bepaalde binding heeft met het Nederlandse grondgebied (Nederlands inkomen).
Voor "In Nederland wonen" geeft de Wet IB 2001 geen regels, maar moeten we kijken naar de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en naar de jurisprudentie. Art. 4 AWR bepaalt dat naar de omstandigheden moet worden beoordeeld waar iemand woont. De belangrijkste maatstaf hierbij is waar iemands middelpunt van zijn of haar leven is. Onder meer de volgende vragen kunnen hierbij een rol spelen: Waar woont de partner? Waar wonen de minderjarige kinderen? Waar werkt iemand? Waar neemt hij/zij deel aan het maatschappelijke verkeer? Hoelang wordt er ergens verbleven?
Boxen In Nederland wordt het inkomen belast in drie verschillende zogenoemde boxenDe term box staat niet in de wet, maar wordt wel uitgebreid gehanteerd in de Memorie van Toelichting. Ook komt de term voor in twee kopjes in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (niet in de tekst zelf). (hier met de cijfers voor 2017): Box 1: Belastbaar inkomen uit werk en woningDit officiële begrip "belastbaar inkomen uit werk en woning" moet niet letterlijk genomen worden: ook sommige andere inkomsten en aftrekposten vallen eronder. (kan negatief zijn) - wordt progressief belast met vier schijven van 36,55%, 40,8%, 40,8% en 52%.Zie Schijventarief 2017 voor een totaaloverzicht Dit is bij de eerste en tweede schijf inclusief de premies volksverzekeringen (Anw, AOW en Wlz). Voor personen boven de AOW-leeftijd geldt (nu nog, zie ook fiscalisering) dat geen AOW-premie verschuldigd is, waardoor een verlaagd tarief geldt in de eerste (18,65%) en tweede schijf (22,9%). Bij een negatief inkomen uit werk en woning is het tarief € 0. Aanvullend is er een gereduceerd schijventarief (nul in de 1e, 2e en 3e schijf, 2% in de 4e schijf) van de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. Dit bedrag wordt bij de betalen belasting in box 1 opgeteld. Hierdoor wordt de aftrekbaarheid van de kosten met betrekking tot een eigen woning gereduceerd voor inkomens in de 4e schijf. Box 2: Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (kan negatief zijn) - tarief is 25%, maar niet minder dan € 0.De wet stelt "De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) bedraagt 25%". Echter, de MvT stelt: "Deze systematiek houdt in dat per box belasting berekend wordt als het inkomen daaruit positief is." Box 3: Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (kan niet negatief zijn) - dit is de vermogensrendementsheffing.
Het drempelinkomenIn de wet wordt niet de term drempelinkomen gebruikt, maar steeds de omschrijving "verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek". is het totale inkomen van alle drie de boxen samen, vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. De persoonsgebonden aftrek verlaagt het inkomen uit werk en woning en als dat niet toereikend is, het inkomen uit sparen en beleggen en als dat ook niet toereikend is, het inkomen uit aanmerkelijk belang.
Het verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van: het inkomen uit werk en woning (box 1); het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2); het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen (box 3) Zoals blijkt uit de definities van deze grootheden zijn dit de bedragen na toepassing van de persoonsgebonden aftrek.
Het verschil tussen het inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit werk en woning is dat bij de laatste de verrekenbare verliezen uit werk en woning in mindering zijn gebracht. Het verschil tussen het inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is dat bij de laatste de verrekenbare verliezen uit aanmerkelijk belang in mindering zijn gebracht. Verliesverrekening wijzigt het verzamelinkomen dus niet.
Het verzamelinkomen is het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen (BRI), dat bij diverse inkomensafhankelijke regelingen de basis vormt. Voor de inkomstenbelasting zelf is het onder meer van belang voor de ouderenkorting. Door inkomensafhankelijkheid van regelingen is het netto effect van een verhoging of verlaging van het inkomen in een box in voorkomende gevallen groter dan de bovengenoemde percentages.
De 'gecombineerde inkomensheffing' is het totaal van de belastingen in de drie boxen, plus de premies in box 1. Hierop worden heffingskortingen toegepast. Ook deze kunnen afhangen van het inkomen of bestanddelen daarvan. Verliesverrekening kan ze wijzigen. Inkomensheffing (IH) refereert aan het uiteindelijke bedrag (al of niet na verrekening van voorheffingen, respectievelijk 'bedrag van de aanslag' en 'totaal inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen'), en aan het hele proces van uitvoering, met bijvoorbeeld termen als IH-systemen en IH campagne.https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-807443.pdf, p. 235https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2022/06/30/uitvoeringstoets-beleidsbesluit-rechtsherstel-box-3/uitvoeringstoets-beleidsbesluit-rechtsherstel-box-3.pdf
Dit boxensysteem geeft de Wet IB 2001 een zogeheten analytisch karakter; dit betekent dat opbrengsten uit bronnen van inkomen worden gerangschikt in boxen (of dergelijke constructies) en verschillend worden belast. Met dit analytisch karakter breekt de Wet IB met de traditie van het synthetische karakter (het optellen van alle inkomsten, dan bedragen aftrekken en tot slot het tarief erop toepassen) dat het altijd gehad heeft. De huidige Wet IB kent echter wel synthetische elementen: het verzamelinkomen, de persoonsgebonden aftrek en de algemene heffingskorting.: Belastingrecht in Hoofdlijnen, vierde herziene druk, pagina 98 e.v.
Toerekeningsregels Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen. Het is dus van belang dat de boxen 1, 2 en 3 worden behandeld in respectievelijk de hoofdstukken 3, 4 en 5, dus in de volgorde van nummering van de boxen.
Om onzekerheid te voorkomen is deze rangorderegeling aangevuld met een bepaling die specifiek ziet op de wijze waarop moet worden omgegaan met vermogensbestanddelen. Voor zover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Zo valt het eigenwoningforfait in box 1, daarom telt de waarde van de eigen woning niet mee als bezitting in box 3. Evenzo valt belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2, daarom telt de waarde van het aanmerkelijk belang niet mee als bezitting in box 3. Verder, als een lijfrente belast is in box 1 dan telt de waarde van het lijfrenterecht niet mee als bezitting in box 3.