De Panzerkampfwagen III (PzKpfw. III), ook wel aangeduid als Panzer III, was een tank die in de jaren dertig van de twintigste eeuw door Duitsland ontwikkeld was en in de Tweede Wereldoorlog werd ingezet. De PzKpfw. III was ontworpen om andere pantservoertuigen uit te schakelen terwijl de ondersteunende Panzerkampfwagen IV vooral niet gepantserde doelen moest uitschakelen. De koepelring van de PzKpfw. III was niet in staat de steeds zwaardere kanonnen te herbergen die nodig waren om nieuwe tanktypen te bestrijden. Uiteindelijk werd de PzKpfw. III door de grotere PzKpfw. IV vervangen als hoofdgevechtstank. De PzKpfw. III werd hierna nog wel aan enkele bondgenoten geleverd terwijl het onderstel werd gebruikt voor het succesvolle Sturmgeschütz III.
Ontwikkeling Eerste ontwerpen In de periode van de Weimarrepubliek was het Duitsland door het Verdrag van Versailles verboden tanks te bezitten. In het geheim werd daarom toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie en bij Kazan werd een clandestien onderzoekscentrum opgericht voor de tankontwikkeling. De ontwerpen die daarbij beproefd werden, bleken niet direct voor productie geschikt maar gaven wel een goed beeld van de specificaties waaraan toekomstige tanks moesten voldoen. De machtsovername door Adolf Hitler deed de verwachting groeien dat Duitsland weldra openlijk een pantsermacht zou vormen. De Inspektion der Kraftfahrttruppen onder luitenant-generaal Oswald Lutz stelde in 1933 voor het Heereswaffenamt, dat over de aanschaf van wapens besloot, de specificaties vast van een type dat veiligheidshalve nog de codenaam Zugführerwagen kreeg, alsof het een commandovoertuig voor pelotonscommandanten was. In feite ging het om een Sturmwagen, een voertuig om het front te doorbreken, dat als gepanzerte Infanterist de voorwaartse beweging moest handhaven. Voor het geval dat het daarbij een vijandelijke tank mocht tegenkomen, moest het bewapend zijn met een 37 mm antitankkanon. Veel van de ideeën van Lutz werden uitgewerkt door diens chef-staf luitenant-kolonel Heinz Guderian. miniatuur|links|Een Ausführung A Op 11 januari 1934 werd het plan van Lutz goedgekeurd door de Generale Staf. In februari werden de specificaties vastgesteld: een middelzware tank met een massa van vijftien ton en een maximumsnelheid van 35 km/h. In ieder geval moest het voertuig lichter blijven dan vierentwintig ton, waarboven de meeste bruggen het indertijd begaven en ook de limiet van het brugslagmaterieel van de genie. Voor de prototypen moesten MAN en Daimler-Benz ieder een maquette van een onderstel bouwen; Krupp en Rheinmetall ieder een maquette van een geschutstoren. Het onderstel van Daimler-Benz en de toren van Krupp werden gekozen voor productie. Het Krupponderstel MKA, met zes loopwielen per zijde, werd verworpen. Het project werd betiteld als het Versuchskraftfahrzeug 619 dat moest resulteren in een 3.7 cm Geschütz-Panzerwagen. Krupp leverde de eerste twee geschutstorens in augustus 1934. De geschutstoren was van een ruim ontwerp waardoor er ook plaats was voor een commandant naast een lader en schutter. De proefnemingen in Kazan hadden namelijk uitgewezen dat een geschutstoren met drie man de vuursnelheid, de waarneming van het slagveld en het vermogen adequaat op de tactische situatie te reageren aanzienlijk verbeterde. Het eerste chassis werd geleverd in augustus 1935. Het werd beproefd tot in 1936. miniatuur|Een Pzkpfw. III Ausf. C rijdt het Sudetenland in Ondertussen was besloten drie pantserdivisies op te richten. Voor de uitrusting daarvan was een reeks tanks voorzien, geordend op grootte. De 3.7 cm Geschütz-Panzerwagen moest de derde tank worden in die reeks, de Panzerkampfwagen III. De PzKpfw. III moest het grootste deel van deze Panzer-Divisionen uitmaken, in een antitankrol. De Panzerkampfwagen IV, de Überwachungswagen, was bestemd als mobiel geschut tegen kanonnen en bunkers ter ondersteuning van de PzKpfw. III. De Panzerkampfwagen I en II zouden lichte machinegeweertanks worden en ook als eerste geproduceerd worden, voor training en verkenning. De productie van de PzKpfw. III zou echter grote vertraging oplopen. In feite maakten zo tot diep in 1940 de PzKpfw. I en II de hoofdmassa van de tanks uit. Dat werd niet als een groot probleem gezien. Volgens de officiële doctrine van het leger was de hoofdtaak van een tank het vernietigen van vijandelijke machinegeweernesten en het overwinnen van prikkeldraadversperringen. Dat kon een lichte tank net zo goed. De Pzkpfw. III had zelf twee coaxiale machinegeweren in de geschutstoren voor een betere uitwerking tegen infanterie. Potentiële vijanden hadden midden jaren dertig maar een handjevol tanks die zo zwaar bepantserd waren dat een 37mm-kanon nodig was om ze te bestrijden. Wel werd de introductie van Franse 25 mm antitankkanonnen als zorgwekkend beschouwd. Voorlopig bood de PzKpfw. III echter ook in dat opzicht geen voordeel, want het type was niet beter beschermd dan de lichte tanks.
Pas in mei 1937 kon begonnen worden met de fabricage van een voorserie, de 1. Serie Zugführerwagen, gebouwd door de locomotieffabriek van Henschel. Deze codeserie aanduidingen bleven tot in 1942 gehandhaafd. Later werd dit de Panzerkampfwagen III Ausführung A genoemd. Het was het Sonder-Kraftfahrzeug 141, een nummer dat voor alle subtypen behouden zou blijven. Een tweede serie van vijf bracht het totaal daarvan in 1937 op tien. Het type had vijf loopwielen per zijde met springveren en een bepantsering van vijftien millimeter, voldoende om granaatscherven en kogels te stoppen. De massa bedroeg 15,4 ton. De wielophanging bleek te zwak. Het zou jaren duren voordat de problemen werden opgelost. Hetzelfde jaar werd een serie van vijftien voertuigen van een Ausführung B gebouwd. De vijf loopwielen waren vervangen door acht wielen met bladveren. Dat deed de snelheid toenemen naar veertig kilometer per uur. Drie in plaats van twee wielen ondersteunden het bovenste traject van de rupsband. Deze voertuigen waren alleen voor training bedoeld maar moesten uiteindelijk toch bij de gevechtstroepen worden ingedeeld. Tot in januari 1938 werden daarna vijftien stuks van de Ausführung C gefabriceerd, met langere bladveren in het midden, kortere aan de uiteinden en een nieuw type koppeling. De opvolger hiervan was de Ausführung D, waarvan tot juni 1938 er dertig geleverd werden. De voorste en achterste bladveerelementen waren wat schuiner gezet ter betere ondersteuning maar het type is het best van zijn voorganger te onderscheiden door een versterkte commandokoepel en een nieuw type aandrijfrad van de rupsband, met bredere naafdoppen. Er werd ook een nieuw type versnellingsbak gebruikt met zes in plaats van vijf versnellingen.
De opmaat naar massaproductie miniatuur|Een Ausführung D in Polen In 1938 veranderde de politieke situatie. De internationale spanningen liepen op en Lutz liet Guderian bij Adolf Hitler lobbyen om meer geld te investeren in zwaardere tanktypen, nu er steeds meer zwaardere Franse tanks verschenen. De mechanische kinderziekten van de PzKpfw. III moesten overwonnen worden door de ophanging te vervangen door zes loopwielen met een dure maar betrouwbare en effectieve torsiestaafvering, zoals ontwikkeld door Porsche. Bij de toren werden de zijluiken dubbel in plaats van enkelvoudig. Om de rol van hoofdgevechtstank te kunnen vervullen werd de pantsering verdubbeld van vijftien naar dertig millimeter. Dat verhoogde de massa naar 19,5 ton. Daarvoor was weer een sterkere motor nodig van 300 in plaats van 250 pk. De nieuwe versnellingsbak, met tien voorwaartse en vier achterwaartse versnellingen, die daar bij hoorde leverde echter weer problemen op. De productie van deze Ausführung E beperkte zich daardoor tot zesennegentig stuks, tussen december 1938 en oktober 1939. miniatuur|links|Een Ausf. E in Maastricht, rechts naast een PzKpfw. IV. Duidelijk te zien is hoe klein het 37 mm kanon oogde in verhouding tot het chassis als geheel Al in 1933 had men overwogen in plaats van de 3,7 cm KwK 36 een 50mm-kanon te installeren. De driemanstoren was misschien breed genoeg om zo een krachtiger wapen te behuizen. Het Heereswaffenamt verwierp dit echter omdat het 37mm-kanon al door de infanterie gebruikt werd als standaardantitankgeschut. Het zou dus een stuk goedkoper zijn het ook in de tank te plaatsen. Daarbij kon die dan makkelijker met munitie bevoorraad worden. In 1933 was er ook geen enkel buitenlands tanktype in productie dat niet door een 37mm-kanon doorboord kon worden, ook de voorlopers van de Franse Char D1 niet. Als het echt nodig was, kon een krachtiger Lang 65 37mm-kanon ingezet worden. In ieder geval was nog onduidelijk wat de ruimte-eisen van een 50mm-kanon zouden zijn dus men besloot dat maar af te wachten. In 1938 waren er vele zwaar gepantserde Franse en Britse typen verschenen en er werd bevolen alsnog de ontwikkeling van een 5 cm Kampfwagenkanone te voltooien, aan te passen aan de rompbreedte van de PzKpfw. III.
In deze periode stelde het leger zeer ambitieuze uitbreidingsplannen op. Men hoopte in 1943 klaar te zijn voor een grote oorlog. Dat jaar moesten er tientallen pantserdivisies opgericht zijn die zouden beschikken over een oorlogsreserve van tienduizenden Panzerkampfwagen IIIs. De feitelijke sterkte vormde hiermee een pijnlijk contrast. Op 20 januari 1938 stonden er maar drieëntwintig Panzerkampfwagen IIIs op de inventarislijsten; eind maart was dat slechts opgelopen tot tweeënveertig. De Sudetencrisis was een teken dat de oorlog weleens veel vroeger kon uitbreken. Januari 1939 werden 1250 PzKpfw. III besteld uitgerust met een 37mm-kanon, boven op de Ausf. E. Die order overtrof verre de werkelijke productiecapaciteit van de Duitse industrie. Toen de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije zicht bood op de introductie van Panzerkampfwagen 38(t) werd de bestelling in mei 1939 teruggebracht tot 800. Daarnaast werden in januari nog eens 759 voertuigen besteld die uit te rusten waren met het nieuwe 50mm-kanon. miniatuur|Een PzKpfw. Ausf. F met het oude type kijkspleet Tegelijkertijd werd de rol die de tank moest spelen steeds ruimer gezien. Pantserdivisies waren dure elite-eenheden met een grote beweeglijkheid en vuurkracht. De generale staf, traditioneel sterk gericht op de waarde van gemotoriseerde infanterie, begon geleidelijk te beseffen dat pantsertroepen voor allerlei taken zeer nuttig konden zijn. In de doctrine werd nu aangegeven dat een legercommandant ze geacht werd in te zetten voor het afstoppen van een vijandelijke doorbraak, een grote tegenaanval, het omvatten van het vijandelijke front na een eigen doorbraak door infanterie, het afslaan van vijandelijke tegenaanvallen — speciaal hiervoor was de Panzerkampfwagen III geschikt indien die tegenaanval door vijandelijke tanks werd uitgevoerd — het bij verrassing innemen van strategische bruggen of gebieden en het vormen van een veiligheidsscherm of schokfront aan de voorzijde van een oprukkend eigen infanterieleger. Wat in dit rijtje ontbrak, was wat binnen enkele jaren de Blitzkrieg genoemd zou worden, strategische penetraties door pantsertroepen over de volle diepte van het vijandelijk gebied om de strijdmacht van de tegenstander tot een snelle ineenstorting te brengen. Zo'n riskante tactiek werd door enkele schrijvers binnen en buiten Duitsland verdedigd maar maakte geen deel uit van de officiële Duitse doctrine, die vrij behoudend was. Mede hierdoor werd het tekort aan PzKpfw IIIs niet als een zeer dringend probleem beschouwd.
Eerste oorlogsproductie