De Leopard 1 is een Duitse gevechtstank waarvan het eerste exemplaar in 1965 werd gebouwd. De meeste gebruikers hebben de tank intussen vervangen door een modernere. In onder andere Duitsland werd de tank vervangen door zijn opvolger, de Leopard 2. In totaal werden meer dan 6485 exemplaren afgeleverd: 4744 gevechtstanks en 1741 varianten. Van de gevechtstanks zijn er 720 in Italië in licentie gebouwd, van de varianten 160. Daarboven waren er 80 prototypen en voorserievoertuigen.

Geschiedenis Het Leopardproject begon op 23 november 1956 met als doel een zeer mobiele middelzware tank te ontwikkelen, de Standard-Panzer, om in de toekomst de dan verouderde M47 Patton-tanks te vervangen, die op dat moment aan de net opgerichte Bundeswehr werden geleverd. Dit plan sprak ook Frankrijk aan, van welk land juist het AMX 50-project aan het mislukken was. In juni 1957 tekenden de Bondsrepubliek en Frankrijk een overeenkomst over de ontwikkeling van een gezamenlijke tank genaamd Europa-Panzer. Drie Duitse ontwerpteams (Arbeitsgruppe A, B en C), en een Frans team van het Atelier de Construction d'Issy-les-Moulineaux zouden elk twee prototypen leveren. Het zeer futuristische project van Arbeitsgruppe C, met een in de romp verzonken toren met mechanische lader die op een bol boven op de bodem scharnierde, zou echter worden beëindigd toen de firma Borgward in 1961 surseance van betaling moest aanvragen.

Op 25 juli 1957 werden in een aparte overeenkomst de doelspecificaties vastgelegd: de tank moest aan alle zijden 20 mm-granaten van snelvuurkanonnen kunnen weerstaan, kunnen opereren in gebieden waar chemische wapens werden gebruikt of die radioactief vervuild zijn en minstens evenveel munitie kunnen herbergen als Amerikaanse tanks. Het doel was vooral een zo mobiel mogelijk voertuig te ontwikkelen en te breken met de trend naar steeds zwaardere tanks, waarmee de Duitsers slechte ervaringen hadden opgedaan aan het eind van de oorlog. Het liefst moest de tank maar zo'n dertig ton wegen en een relatief motorvermogen hebben van dertig pk per ton. De hoofdbewapening moest desalniettemin een voor die tijd vrij zwaar 105 mm-kanon zijn. In september 1958 werd ook Italië bij de plannen betrokken.

Op 5 januari 1962 berichtten de VS, na beproeving van twee prototypes, dat ze niet aan het project zouden meedoen. Wegens het sterker vasthouden aan de oorspronkelijke specificaties door Frankrijk werd eind 1963 de samenwerking met dit land beëindigd. Italië veranderde van gedachte en kocht en bouwde vooreerst Amerikaanse M60 tanks; in 1970 zou men alsnog de Leopard aanschaffen en daarna zelfs bouwen.

thumb|left|250px|Prototype II A (1961-1964) in het tankmuseum van Munster, met de romp van de 0-serie en met het testmodel van de afstandsmeter.

Het eerste prototype B werd op 20 mei 1960 opgeleverd, de eerste A op 16 juni. De Duitse prototypen kwamen van Porsche en Rheinmetall. Ze werden tot 31 december in Duitsland getest en van 3 februari tot 9 maart 1961 met de Franse prototypen vergeleken. Ondertussen was men vanaf 1 januari 1959 al begonnen met het ontwikkelen van tanks in de "Prototype II"-fase: 26 van Arbeitsgruppe A en zes van Arbeitsgruppe B (waarvan er maar twee gebouwd zouden worden), respectievelijk met een toren van Wegmann en van Rheinmetall, die vanaf september 1960 geproduceerd werden. thumb|250px|Een Duitse Leopard 1-prototype in het Bundeswerhmuseum in Dresden. Dit is de koepel van een van de zes Prototypen II van Arbeitsgruppe B op een onderstel van de 0-serie. Tussen september 1962 en maart 1963 werden de verschillende Prototypen II getest. De Porsche Model 734 van Arbeitsgruppe A kwam als beste uit de testen. Dat had men ook al verwacht want al in juni 1961 had men besloten vanaf oktober 1961 van dit model vijftig exemplaren te bouwen in de zogenaamde "0-serie", een voorserie die gebruikt kon worden voor zeer intensieve beproeving, die zou lopen van september 1963 tot oktober 1965. De totale ontwikkelingskosten beliepen daarmee DM 249.030.222. Toch werden nog een aantal dingen gewijzigd zoals een nieuwe geschuttoren, een groter motorcompartiment en de verplaatsing van de uitlaatsleuven aan de zijkant. Er werd ook besloten om een optische afstandsmeter te installeren voor een hogere trefkans op langere afstand. Daardoor werd de toren wat hoger en kreeg hij "bulten" op de zijkanten voor de twee afstandsmeters die de triangulatie mogelijk maken. Hoewel met 65 km/u erg snel voor zijn tijd, was de tank niet al te licht bepantserd: hij kon aan de voorkant de pantsergranaat van de Russische T-54 weerstaan.

De tank werd in 1963 ook officieel Leopard genaamd, in navolging van de kattennamen van eerdere tanks uit de Tweede Wereldoorlog, de Tiger en de Panther. Leopard "1" zou het type pas eind jaren zeventig genoemd worden, toen de Leopard 2 verschenen was. Op 22 augustus 1963 werd voor de Bundeswehr een eerste bestelling van 1500 stuks geplaatst, die overigens pas op 27 juli 1965 definitief werd. Daarop begon de productie bij Krauss-Maffei AG in München. De levering van de eerste serie stond gepland tussen september 1965 en juli 1966. Het eerste exemplaar verliet de fabriek op 9 september 1965. De Leopard werd een groot exportsucces. De Britse Chieftain was te zwaar, de Amerikaanse M60 was verouderd en de Franse AMX 30, die eveneens uit het gemeenschappelijke project was voortgekomen, bleek tijdens vergelijkende tests een mindere kwaliteit te hebben: geen enkel land dat de Leopard 1 kón krijgen (de Duitsers hadden vrij strikte exportnormen) koos voor de AMX 30. Al snel werd de Leopard besteld door andere NAVO-leden, als eerste België; later zouden Australië, Canada, Denemarken, Griekenland, Italië, Nederland, Noorwegen en Turkije volgen.

Omdat de Leopard, net als andere tanks uit de jaren vijftig en zestig kwetsbaar bleek voor telegeleide raketten werd eind jaren zestig, na het mislukken van het MBT-70-project, begonnen aan een nieuwe tank in een hogere gewichtsklasse. Dit project resulteerde, vanuit de eerdere vergoldeter Leopard, via de officieel niet bestaande Keiler en de Eber, in de Leopard 2 die in veel landen de Leopard 1 heeft vervangen. Tegelijkertijd werd ook voor de Leopard 1 zelf het oorspronkelijk ontwerpprincipe - waarbij aan mobiliteit de voorkeur werd gegeven boven bepantsering - verlaten. Een reden hiervoor was mede dat de rol van de Leopard 1 veranderde: toen hij nog de modernste tank was, waren de pantserbrigades ermee uitgerust, die als manoeuvre-eenheden zo mobiel mogelijk moesten zijn. Juist deze eenheden werden echter als eerste met de Leopard 2 uitgerust, die ondanks zijn veel zwaardere bepantsering door een zeer krachtige motor beweeglijker was dan de Leopard 1. De Leopard 1's vervingen nu oudere tanks in de pantserinfanteriebrigades die desnoods ingegraven een versterkte stelling moesten kunnen verdedigen. Hun tanks moesten vanuit een statische positie een vuurduel met vijandelijke voertuigen kunnen winnen, waarbij een sterker frontpantser een belangrijk voordeel zou verschaffen. De Leopard A3 verhoogde het bepantseringsniveau van de toren met meer dan de helft; door gebruik te maken van een combinatie van afstandspantser, laminaatpantser en perforatiepantser, met de tussenruimten opgevuld met keramisch schuim, kon het gewicht beperkt blijven. Midden jaren zeventig was het officiële beleidsdoel alle Leopard 1's dezelfde bescherming te geven als de Leopard 2, dus zo'n 650 mm-staalequivalentie. Bij beproevingen bleek echter dat het chassis bij jarenlang gebruik daar eigenlijk te licht voor zou zijn. Er werd dus gekozen voor een tussenoplossing: de toren werd voorzien van zeer zware ophangingspunten die in geval van oorlog een overeenkomstig zwaar modulair pantser zouden kunnen dragen; voorlopig werden de tanks echter met een veel lichter afstandspantser uitgerust. Eind jaren negentig zouden echter de Canadese tanks standaard van een zwaar modulepantser worden voorzien: de C2 versie toont ongeveer hoe de andere Leopard 1's ten strijde zouden zijn getrokken. Een opmerkelijke eigenschap van deze voertuigen is dat vooral de bovenste helft van de toren gepantserd is, juist het gedeelte dat bij een ingegraven tank zichtbaar blijft.

Als gevolg van de Russische inval in Oekraïne besloten België, Nederland en Duitsland gezamenlijk oude Leopard 1s te reviseren.Forbes Het is de bedoeling om tussen honderdvijftig en tweehonderd tanks te herstellen, opwaarderen en aan Oekraïne te leveren.

Versies

Leopard 1: De eerste serie (400 voertuigen gebouwd van september 1965 tot juli 1966; serienummers vanaf 5001) is van deze versie. Duitsland werd daarmee in één klap de grootste westerse producent van tanks, nog boven de VS, en zou dat tot 1973 blijven. Leopard 1A1: Serie 2 tot en met 4 waren van versie A1. De tweede serie, genummerd vanaf 6001, bestond uit 600 exemplaren geleverd van juli 1966 tot juli 67; de derde, met nummers vanaf 7001, uit 500 stuks voor Duitsland geleverd van juli 1967 tot augustus 68 (daarboven werd een aantal uit de derde serie geleverd aan België); uit de vierde werden 345 stuks, 8001-8345, van augustus 1968 tot februari 1970 aan Duitsland geleverd. In totaal zijn er dus 1445 A1's gebouwd voor Duitsland. Daarnaast werden er tot juli 1972 voertuigen uit de vierde serie geleverd aan België, Nederland, Noorwegen en Italië, met serienummers 12001-12999 (niet alle gebruikt) en 13001-13160. In totaal zijn er 1080 A1's nieuw geëxporteerd. De A1 had een hydraulisch kanonstabilisatiesysteem van Cadillac Gage waardoor de tank al rijdend nauwkeurig kon richten. Verder werden op deze versie de beschermende panelen toegevoegd die de bovenzijde van de rupsbanden afschermen. Een nieuwe thermische slof rond de loop moest voorkomen dat het kanon krom boog als het door de zon beschenen werd. Een kleine verandering was dat de rubberen blokjes op de rupsbanden met één in plaats van twee pinnen werden bevestigd. Daardoor konden ze sneller vervangen worden door metalen X-vormige exemplaren om op sneeuw en ijs te rijden. Die laatste werden in de zomertijd op de voorkant van de romp bevestigd om mede te dienen als een primitief perforatiepantser. De actieve nachtkijkers (IR) werden vervangen door passieve exemplaren met beeldversterking. Tussen 1974 en 1977 werden alle exemplaren van de vier voorgaande series verbeterd tot Leopard 1A1A1 door het toevoegen van extra bepantsering op de toren. Op de toren werden ophangingspunten aangebracht voor bevestiging van een modulair pantsersysteem. De Duitse voertuigen kregen aan de zijkant standaard een afstandspantser met in rubber ingegoten platen perforatiepantser dat bescherming bood tegen snelvuurkanonnen en de RPG-7 raketwerper; op de kanonmantel was een klein stalen afstandspantser aangebracht. Het totale extra gewicht was 760 kilo. De volgende modificatie nam in 1980 het PZB 200-nachtzicht systeem over van de Leopard 2. De verbeterde versie heette Leopard 1A1A2. De verbeterde versie Leopard 1A1A3 kreeg een digitale SEM80/90 VHF-radio. Leopard 1A2: Tussen april 1972 en november 1973 werd de vijfde serie gebouwd, die over twee versies verdeeld werd. De 232 A2's, serienummers 14.001 tot en met 14.232, geleverd tot mei 1973, kregen een iets dikker pantser aan de zijkant van de toren. Om deze reden werden ze een paar jaar later niet van ophangingpunten voor een modulair afstandspantser voorzien: de toren was maar een duim breder maar dat zou toch een tweede versie van de zware modulevariant gevergd hebben en men vond dat een te dure investering voor slechts 232 tanks. Wel heeft de A2 ovale dekplaten over de kijkgaten van de afstandsmeter terwijl de A1A3 er ronde had. De Leopard 1A2A1 kreeg samen met de A1 en de A3 het PZB 200 systeem. De Leopard 1A2A2 had de digitale SEM80/90 VHF-radio zonder PZB 200 en de Leopard 1A2A3 was met beide uitgerust.