Beatrijs is een Middelnederlandse Marialegende uit de veertiende eeuw. Het enige handschrift waarin de legende overgeleverd is, dateert van kort voor 1374 en wordt bewaard in de KB nationale bibliotheek in Den Haag onder signatuur KW 76 E 5. Omdat het oorspronkelijke werk geen titel had, gebruikte W.J.A. Jonckbloet bij zijn publicatie in 1841 de naam van het hoofdpersonage, Beatrijs,Frits van Oostrom, Wereld in woorden, geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1300-1400, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2013, p. 317. benaming die sindsdien algemeen werd overgenomen.

In de middeleeuwen is het verhaal waarschijnlijk niet bijzonder populair geweest aangezien er maar één versie van het verhaal bewaard is gebleven in het luxueuze verzamelhandschrift uit 1374, mogelijk uit het Brusselse.Beatrijs op Canon. Gearchiveerd op 19 december 2021. Het verhaal beleefde een literaire triomftocht na zijn herontdekking, met de uitgave van W.J.A. Jonckbloet in 1841.

Oorsprong Het Beatrijsverhaal was al langer bekend. De auteur vond inspiratie in de verzameling van de cisterciënzermonnik Caesarius van Heisterbach, die 746 exempelen of mirakelverhalen bevatte.Frits van Oostrom, 2013, p. 309. Het Beatrijsverhaal over de verliefde en berouwvolle non werd opgenomen in zijn Dialogus Miraculorum (1223) en Libri Octo Miraculorum (1227), in een Latijnse versie weliswaar. Het was deze versie die aan de basis lag van de talloze vertalingen in de volkstalen met het verhaal van Beatrix. Uit een studie van 1927 door Robert Guiette,Robert Guiette, ‘La Légende de la Sacristine, étude de littérature comparée’, Paris, Champion. 1927. blijkt dat van dit mirakelverhaal 54 middeleeuwse versies en 147 latere bewerkingen werden gemaakt. Van die middeleeuwse versies, in de meest diverse talen, zelfs Arabisch, is volgens Guiette de Middelnederlandse versie veruit de mooiste: sans doute la rédaction la plus parfaite du thème (ongetwijfeld de meest volmaakte uitwerking van het thema). Nochtans was de plot van deze verhalen telkens dezelfde, het is de uitwerking van onze Middelnederlandse auteur die duidelijk het verschil maakt. Het feit dat de Middelnederlandse versie ongeveer twintigmaal zoveel woorden bevat als de Latijnse geeft een idee van de inbreng van deze schrijver.

Inhoud thumb|Anoniem handschrift van de Beatrijs uit ca. 1374 Het verhaal van de Beatrijs gebaseerd op een exempel uit de verzameling van Caesarius van Heisterbach werd grondig aangepast door de Middelnederlandse auteur, ook al respecteerde hij het basisschema: uittreding uit het klooster - leven in de wereld - ongemerkte terugkeer.

Onder meer het begin van het verhaal is sterk uitgebreid. Bij Caesarius en anderen gaat het over een vrome non die door de duivel verleid wordt maar bij deze auteur krijgen we een omstandige beschrijving van de oorzaken en motieven. De auteur wijdt meer dan 40 verzen aan de beschrijving van de "minne" en haar gevolgen voor de mens en toont in enkele mooie verzen zijn begrip voor de misstap van de non: Noch vintmen liede soe ghestade: Wat si hebben groet oft clene, Dat hen die minne gheeft ghemene, Welde, bliscap ende rouwe. Selke minne hetic ghetrouwe. In constu niet gheseggen als Hoe vele gheluux ende onghevals Uter minnen beken ronnen. Hier omme en darfmen niet veronnen Der nonnen, dat si niet en conste ontgaen Der minnen diese hilt ghevaen,Vertaling in modern Nederlands: Wilmink 54-64. Gearchiveerd op 30 november 2021.

Beatrijs was dus een jong beeldschoon meisje van goede afkomst (18-24)De cijfers tussen haakjes verwijzen naar de nummers van de versregels in het Middelnederlandse gedicht dat men kan raadplegen op Wikisource. Gearchiveerd op 4 december 2022. dat in het klooster trad en daar kosteres was geworden, een taak die ze tot in de perfectie uitvoerde (28-36). Maar ze kan zich haar jeugdliefde niet uit het hoofd zetten en stuurt uiteindelijk een boodschap naar haar vroegere vriend die ze vanaf haar twaalfde kende, lang voor ze in het klooster trad. Hij spoedt zich naar het klooster en krijgt Beatrijs te zien aan het spreekvenster, waar ze afspreken om acht dagen later samen te vluchten. De tijd gekomen, laat Beatrijs midden in de nacht, na de metten, haar habijt en sleutels achter bij het beeld van Maria en begeeft zich in haar onderkleed naar de kloostertuin waar de geliefden elkaar ontmoeten onder de egelantier, van oudsher een symbool voor liefde. De jongeman had voor de gepaste kleding gezorgd: een blauw bovenkleed. Dat Beatrijs een dame van standing was blijkt uit de passage waar ze in de morgen na hun vlucht aan een prachtige bloemenweide voorbij rijden. De jongeman stelt voor om daar te spelen der minne spel, waarop Beatrijs boos en verontwaardigd reageert dat ze geen vrouw van lichte zeden is die zich op het veld laat nemen, maar dat ze met intimiteit wil wachten tot ze in een deftig bed kunnen liggen (310-364).

Met de vijfhonderd pond zilvergeld die de jongeman had meegenomen leven ze gedurende zeven jaar een rijk onbezorgd leven en ze krijgen twee kinderen.De kinderen komen niet voor bij Caesarius. Daarna verpanden ze al hun bezittingen om uiteindelijk te eindigen in bittere armoede (398-418).

Als er dan een hongersnood uitbreekt (419-424) gaat de geliefde ervandoor en laat hij Beatrijs alleen achter met haar kinderen (425-432). Omwille van haar adellijke afkomst is ze te trots om te bedelen. Dit zou binnen de stadsmuren moeten gebeuren, waar ze herkend zou kunnen worden. Daarom verkiest ze om haar lichaam te verkopen, wat meer in het geheim gebeurt, dit wil zeggen buiten de stadswallen (433-466). Na nog eens zeven jaar beseft ze dat prostitutie een grote zonde is. Dit motiveert Beatrijs om haar trots opzij te zetten en toch te gaan bedelen. Door voor een zwerversbestaan te kiezen, hoeft ze zich niet te vernederen binnen haar eigen stad (483-558). Ondanks haar zondige leefwijze blijft Beatrijs Maria trouw door elk dag tot haar te bidden (467-473). In haar gebeden smeekt ze om vergeving van haar grote zonden en verwijst zelfs naar TheophylusEen ander bekend Mariamirakel uit de middeleeuwen. een groot zondaar die door Maria gered werd. Zo komt ze in de nabijheid van haar vroegere klooster en vindt er onderdak bij een barmhartige weduwe (559-575).

Beatrijs brandt natuurlijk van nieuwsgierigheid en vraagt de vrouw naar de kosteres die veertien jaar geleden uit het klooster wegvluchtte. De weduwe maakt zich boos en zegt dat de kosteres een voorbeeldige, heilige non is en Beatrijs ontdekt dat haar afwezigheid onopgemerkt is gebleven (576-619).

thumb|Linksboven, 6e regel: In enen vysioen haer dochte, Hoe een stemme aen haer riep... Wenend van berouw brengt ze de nacht door en als ze uiteindelijk toch inslaapt wordt ze in een droomvisioen aangemaand haar plaats in het klooster opnieuw in te nemen (620-700). In enen vysioen haer dochte, Hoe een stemme aen haer riep, Daer si lach ende sliep: Mensche, du heves soe langhe gecarmt, Dat Maria dijns ontfarmt, Want si heeft u verbeden. Gaet inden cloester met haestecheden. Ghi vint die doren open wide Daer ghi uut ginges ten selven tide Met uwen lieve, den ionghelinc, Die u inder noet af ghinc.Vertaling in modern Nederlands: Wilmink 669-679. Gearchiveerd op 30 november 2021.

Ze twijfelt of dit werkelijkheid is en vraagt God om bevestiging. Na nog twee visioenen laat ze bij nacht haar kinderen achter bij de weduwe, na ze toegedekt te hebben met haar kleren, en trekt terug naar het klooster waar ze inderdaad de deuren open vindt en haar habijt en sleutels bij het Mariabeeld (700-864).

De weduwe gaat met de kinderen bij de abdis, die haar steun toezegt om voor hun opvoeding te zorgen (865-918). Bij de jaarlijkse visitatie van de abt gaat Beatrijs met haar zonden te biecht, en krijgt ze vergeving. De abt zal haar verhaal doorvertellen, opdat anderen ervan kunnen leren. Hij neemt tevens de zorg voor de kinderen van Beatrijs op zich. Pas wanneer dat gebeurt, wordt zij in het stuk bij naam genoemd (919-1038).

Deze laatste fase met de visitatie van de abt en de biecht van Beatrijs is een toevoeging van de Middelnederlandse auteur. De biecht kwam niet voor in de versie van Caesarius. Ook de kinderen en de weduwe die voor de kinderen zorgde waren vindingen van deze auteur.

Auteur miniatuur thumb|1. Van dichten comt mi cleine bate De auteur bleef onbekend. Sommigen menen dat hij een 'spreker' uit het Brabantse was, een professioneel voordrachtskunstenaar die in zijn levensonderhoud voorzag door met zijn verhalen van hof tot hof te trekken. Dit zou blijken uit zijn openingszin Van dichten comt mi cleine bate wat men interpreteert als de typische klacht van de broodschrijver.Anke Passenier, Beatrijs. Het middeleeuwse verhaal van de verliefde non, Uitgeverij Boekenbent, Barneveld 2007. pp. 6-7.

De tekst zou ontstaan zijn in de 14e eeuw en er waren waarschijnlijk oudere versies in het Middelnederlands dan de enige die bewaard is gebleven in het Haagse verzamelhandschrift. Het verhaal was duidelijk bedoeld voor een hoofs, adellijk publiek zoals kan afgeleid worden uit verschillende scènes en de houding van Beatrijs. De auteur was volgens Guiette een groot dichter maar ook een bijzonder scherpzinnige waarnemer en psycholoog. Hij neemt ons mee in het verhaal van de kosteres die haar oude leven niet kan vergeten, en van de eerder lichtzinnige amant. Hij twijfelt niet om de scabreuze avonturen van zijn heldin te vertellen maar doet het op een wijze die de lezer met haar laat meeleven en meevoelen, hij lijkt begrip te hebben voor de oprechte passie die haar bewoog dit avontuur te wagen en toont oprecht medelijden met Beatrijs in de ongelukkige fase van haar leven. Hij maakte van het mirakelverhaal een zeer humaan verhaal van de passie, de neergang en de redding van een jonge vrouw.Robert Guiette, 1927, pp. 123-128. Ook Frits van Oostrom noemt de auteur een echte literator die uit de stof voorhanden in de talloze Mariaverhalen een boeiend levensverhaal wist te componeren. Voor een middeleeuws auteur besteedt hij zeer veel aandacht aan wat in het hoofd van Beatrijs omgaat, haar talloze inwendige gesprekken, gebeden en reacties getuigen van een groot inlevingsvermogen.Frits van Oostrom, 2013, pp. 311-313.

thumb|Dus was die sonderse bekeert, Maria te love, die men eert. Section of folium 053r Volgens Guiette waren er twee auteurs. Het oorspronkelijke gedicht eindigde volgens hem met de verzen 859-864 waar een vroom slot aan het verhaal werd gegeven:Robert Guiette, 1927, p. 126. Dus was die sonderse bekeert Maria te love, die men eert, Der maghet van hemelrike, Die altoes ghetrouwelike Haren vrient staet ein staden, Alsi in node sijn verladen.

De vraag van een of twee auteurs is sindsdien de academische wereld blijven bezighouden en heeft tot enkele controverses geleid. Tot op heden is er geen algemeen aanvaarde oplossing gevonden.

Voor het aristocratische publiek waarvoor het verhaal origineel bestemd was, had het verhaal hier wel degelijk kunnen eindigen. Beatrijs was terecht, schande voor haar familie was vermeden, voor de kinderen werd gezorgd, en de biecht was voor de mens uit de 14e eeuw eigenlijk vanzelfsprekend. Maar de auteur of zijn opvolger wil het hier niet bij laten en voegt nog 174 verzen toe waarin de biecht centraal staat. In een visioen (932-970) wordt haar duidelijk dat berouw niet genoeg is. De enige uitweg voor vergeving is de biecht. Hierop gaat ze naar de visiterende abt en vertelt hem haar zonden (974-981). Op deze manier wordt ze vergeven en is de moraal van het verhaal duidelijk. De biecht is noodzakelijk voor het zielenheil.

Roland Draux komt in zijn doctoraatsthesis van 2006 op basis van stilistisch en semiotisch onderzoek tot het besluit dat Beatrijs' biecht van dezelfde auteur is en wel degelijk thuis hoort in het verhaal, om dit op een correcte manier af te sluiten.Roland Draux, Beatrijs' biecht, stilistisch en semiotisch onderzoek, Thèse présentée en vue de l’obtention