Een klankwet is een begrip in de historische taalkunde, dat strikt genomen twee verschillende, zij het nauw verwante betekenissen heeft.
In zijn eerste en eigenlijke betekenis is een klankwet een stelling die zegt dat een bepaalde klankontwikkeling regelmatig is. Een voorbeeld: "Een Middelnederlandse doffe e aan het woordeinde valt weg in het Nieuwnederlands" (als in Middelnederlands bedde > Nieuwnederlands bed).
Preciezer geformuleerd: een klankwet zegt dat in een bepaalde taal (in het voorbeeld: het Nederlands) in een bepaalde periode (in het voorbeeld: bij de overgang van het Middel- naar het Nieuwnederlands) onder bepaalde condities (in het voorbeeld: aan het woordeinde; maar dat hoeft niet, want ook ongeconditioneerde klankwetten komen voor) een klank (of een groep van klanken) altijd op dezelfde manier verandert (in het voorbeeld: de doffe e verdwijnt).
Het belang van de vier genoemde punten voor een goed begrip van wat een klankwet is, zal in dit artikel verduidelijkt worden.
In zijn tweede, daarvan afgeleide betekenis is een klankwet de regelmatige klankontwikkeling zelf die zo'n stelling in de historische taalkunde beschrijft.
Geschiedenis van het begrip Het idee dat klankveranderingen regelmaat vertonen, is veel ouder dan de term klankwet, de gebruikelijke Nederlandse leenvertaling van de Duitse term Lautgesetz, die Franz Bopp in 1824 lanceerde. Het werd voor het eerstRobert A. Hall, Jr. External History of the Romance Languages (New York, etc.: American Elsevier, 1974), p. 231. duidelijk verwoord door de Italiaanse humanist en filoloog Angelo Claudio Tolomei (ca. 1492–1556) in zijn Il Cesano: Dialogo … della Lingua Toscana, pp. 66–67. Over Toscaanse woorden als plora, splende en plebe zegt Tolomei dat dat geen normale woorden zijn, maar ontleningen door "schrijvers of een of andere schöngeist" uit het Latijn, want als ze overgenomen waren van "het midden van de markten van Toscane" [dat wil zeggen als ze normaal, klankwettig ontwikkeld Toscaans waren] hadden ze piora, spiende en pieve geluid.Il Cesano (Originele tekst, geraadpleegd op 18 februari 2011).
Het idee van de regelmaat van klankveranderingen werd op grote schaal gebruikt vanaf het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw, en het zou leiden tot de ontdekking van een groot aantal regelmatige klankontwikkelingen, onder andere die beschreven in de wet van Grimm. Maar de pioniers van de historische taalkunde beschouwden een regelmaat die zij ontdekten, als een tendens. Zo zei bv. Jacob Grimm: "De klankverschuiving vindt plaats in de meeste gevallen, maar in een individueel geval klopt zij nooit precies."Vertaling van een citaat uit Deutsche Grammatik 2e uitg. (Berlin, 1870) I.503, in R.H. Robins A Short History of Linguistics (4th ed.) (London & New York: Longman, 1997), p. 218. M.a.w. zij lieten onverklaarde uitzonderingen toe.
Dit was onbevredigend, zeker in de 19e eeuw, toen de natuurwetenschappen met haar keiharde wetten het wetenschappelijk model waren. August Leskien stelde het scherp: "Laat men willekeurige, toevallige afwijkingen toe die op geen enkele manier met elkaar in verband gebracht kunnen worden, dan zegt men daarmee eigenlijk dat … taal niet toegankelijk is voor wetenschappelijke kennis."Vertaling van een citaat uit Die Declination im Slawisch-Litauischen und Germanischen (Leipzig, 1876), in Gisela Schneider Zum Begriff des Lautgesetzes in der Sprachwissenschaft seit den Junggramatikern (Tübinger Beiträge zur Linguistik 46, 1973), p. 15.
De oplossing – of althans: wat de oplossing had moeten zijn – werd aangereikt in 1875 door Verner, die stelde: "Er moet een regel voor de onregelmatigheid zijn; het komt er alleen op aan die te achterhalen" en tegelijkertijd de daad bij het woord voegde, door een reeks uitzonderingen op de wet van Grimm te beregelen. Van het artikel waarin hij verslag deed van zijn ontdekking – thans bekend als de wet van Verner – is gezegd dat het "misschien wel de meest invloedrijke publicatie in de taalkunde ooit" is.Winfred P. Lehmann A Reader in Nineteenth-Century Historical Indo-European Linguistics (Bloomington & London: Indiana U.P., 1967), p. 132, in de inleiding op zijn Engelse vertaling van Verners oorspronkelijke artikel.
Het bleek echter dat er veel meer uitzonderingen waren dan men verwacht had, met name toen men aan grootschalig dialectonderzoek ging doen. Dialecten bleken een onontwarbaar kluwen van klankwettige en niet-klankwettige vormen. Het motto van de neogrammatici "klankwetten kennen geen uitzonderingen" ging in de praktijk wel erg hol klinken. Bovendien bleken veel van die uitzonderingen absoluut niet te verklaren. Dit leidde bij sommige taalkundigen tot compleet scepticisme; zo publiceerde de Zwitsers-Franse dialectoloog Jules Gilliéron in 1919 een boek onder de titel La faillite de l'étymologie phonétique, waarin hij klankwetten als basis voor etymologie afzwoer.
Maar dat verregaande standpunt is in elk geval praktisch onhoudbaar: klankwetten geven goede verklaringen van heel veel taalveranderingen. In de praktijk erkennen alle historisch taalkundigen dat klankwetten de ruggengraatRaimo Anttila An Introduction to Historical and Comparative Linguistics (New York: Macmillan, 1972), p. 85. vormen van het historisch taalkundig onderzoek. In welke mate de absolute regelmaat van klankwetten ook theoretisch verantwoord kan worden, zal blijken uit wat volgt.
Klankwetten zonder uitzonderingen De geschiedenis (eigenlijk de voorgeschiedenis) van het Nederlands bevat een voorbeeld van een klankwet zonder uitzonderingen. In het Oergermaans bestonden er woorden die op stemhebbende medeklinkers eindigden. Nog voor het oudste Nederlands in geschreven bronnen verschijnt, dus ergens tussen het Oergermaans en het Oudnederlands, trad auslautverhärtung op. Het gevolg was dat geen enkel woord nog op b, d, v, z of g eindigde. En dat is nog steeds zo in het Nederlands: als die klanken aan het woordeinde terechtkomen, worden zij resp. p, t, f, s en ch. Een klankwet die meer dan 1000 jaar geleden optrad, had en heeft nog steeds geen enkele uitzondering.
Uitzonderingen op klankwetten Klankwettige uitzonderingen Het beroemdste voorbeeld hiervan is de reeds genoemde wet van Verner, die onder andere verklaarde waarom de Proto-Indo-Europese t in *pətēr 'vader' en *bhrātēr 'broeder', die in het Duits klankwettig d had moeten geven (als in Bruder), dat niet deed in Vater. Dit was een uitzondering op de wet van Grimm, maar de wet van Verner beregelde haar: het was dus een klankwettige uitzondering. De wet van Grimm was niet accuraat genoeg geformuleerd om de evolutie van klanken die hij probeerde te beschrijven, geheel correct te beschrijven.
Een andere klankwettige uitzondering is Rückumlaut.
Uitzonderingen door morfologische nivellering Klankwetten kunnen ertoe leiden dat er onregelmatigheden ontstaan in de flexie van naamwoorden en werkwoorden. Als het werkwoord vriezen zich klankwettig ontwikkeld had, zouden de stamtijden nu zijn: vriezen, vroos (enkelvoud), vroren (meervoud), gevroren. Morfologische nivellering heeft in Standaardnederlands de niet-klankwettige verleden-tijdsvorm vroor opgeleverd. Diezelfde morfologische nivellering is verdergegaan in het Duits, dat nu r heeft in alle vormen: frieren, fror, froren, gefroren. In sommige Nederlandse dialecten is morfologische nivellering de andere richting opgegaan: die hebben nu vriezen, vroos, vrozen, gevrozen.
Of en hoever en in welke richting morfologische nivellering zal optreden, is niet te voorspellen: ze is niet beregelbaar, zoals uit het voorbeeld blijkt. Er zijn echter wel tendensen aan te wijzen. In het Duits is de tendens bijvoorbeeld dat de medeklinker uit de verleden tijd in het hele werkwoord wordt doorgevoerd, terwijl dit in het Nederlands minder is. Het Engels heeft meer de tendens om de medeklinker uit de tegenwoordige tijd te generaliseren, zoals in froze.
Uitzonderingen door ontlening Alle talen komen in contact met andere talen, en dus is ontlening onvermijdelijk. Het resultaat kan een vorm zijn die een klankwet lijkt te schenden. Een Nederlands voorbeeld: een Proto-Indo-Europese k aan het woordbegin ontwikkelt zich in het Nederlands klankwettig tot h. (Vergelijk Latijn cord-, Nederlands hart). Maar aan Latijn camera beantwoordt Nederlands kamer. Het Nederlands heeft het woord aan het Latijn ontleend.
Talen met vele sprekers hebben dialecten, wat tot ontleningen leidt van het ene dialect naar het andere. De Nederlandse standaardtaal kent, naast het woord mond (dat zich klankwettig ontwikkeld heeft), ook het woord mui, dat ontleend is uit de kustdialecten, in de vorm muude, een klankwettige ontwikkeling binnen die Ingveoonse dialectenVergelijk Diksmuude, nog steeds de plaatselijke uitspraak van Diksmuide. Na de ontlening ontwikkelde de uu zich klankwettig tot ui. Syncope van de d tussen twee klinkers leidde uiteindelijk tot mui.
Er zijn ook af en toe bewuste ontleningen, zoals de Toscaanse woorden beginnend met pl- waar Tolomei (zie §1) het over had.
Uitzonderingen door afgeremde lexicale diffusie Er zijn klankveranderingen die zich geleidelijk door het lexicon verspreiden: dat zijn gevallen van lexicale diffusie. Als lexicale diffusie zich doorzet, dat wil zeggen als alle woorden van een taal door een dergelijke klankverandering getroffen worden, is het eindpunt een klankwet.Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de auslautverhärtung besproken in §2 via lexicale diffusie tot stand gekomen is; zie Cor van Bree "Auslautverscherping bij de oude grammatici en in de dialecten en het Fries" in Bon jours Neef, ghoeden dagh Cozyn! Opstellen voor Geert Dibbets, ed. Els Ruijsendaal, Gijsbert Rutten & Frank Vonk (Münster: Nodus Publikationen, 2003), pp. 255–271. Maar het is ook denkbaar dat ze afgeremd en uiteindelijk gestopt wordt. Dat lijkt gebeurd te zijn met de Hoogduitse klankverschuivingDit artikel gebruikt consequent de term Hoogduitse klankverschuiving in plaats van Tweede Germaanse klankverschuiving. Het deelt ook het standpunt van die taalgeleerden die de overgang þ → d in het hele Duitse taalgebied en het Nederlands als een aparte klankverschuiving buiten de tweede Germaanse taalverschuiving beschouwen en niet als fase 4 van de Hoogduitse klankverschuiving, waaraan Nederduits en Nederlands immers niet deelnamen.. De Hoogduitse klankverschuiving is een reeks klankveranderingen die begonnen is in het Opperduits, waar ze zich volledig heeft doorgezet. Naarmate ze opschoof naar het noorden, werd ze zwakker, en in het Nederduits is ze niet geraakt. Maar het Middelduits is een gemengd gebied: sommige klankveranderingen hebben zich in sommige dialecten wel, en in andere niet doorgezet. En sterker: in de Rijnlandse waaier zijn er vele gevallen waar in een en hetzelfde dialect sommige woorden wel en andere niet door dezelfde klankverandering getroffen werden.
Uitzonderingen door homoniemenvrees