Een poppenhuis is een in het klein uitgevoerd model van een gebouw of een deel van een gebouw, inclusief het interieur met meubelen en gebruiksvoorwerpen en vaak "bewoond" door poppen.

Poppenhuizen zijn er voor kinderen als speelgoed en voor volwassenen in de vorm van verzamel- of modelbouwobjecten. Naast volledige poppenhuizen met een dak en soms een opendraaiende voorgevel, bestaan er ook losse poppenkamers, -winkels, -keukens en vele andere vormen.

Er zijn veel verzamelaars die zowel oude als nieuwe poppenhuizen bezitten. Deze huizen zijn niet gemaakt om mee te spelen, maar om naar te kijken. In verschillende musea staan er voorbeelden van. Deze poppenhuizen zijn cultuurhistorisch interessant omdat ze een beeld geven van de inrichting van de gegoede stand in vroeger tijden.

Oudheid In de Oudheid vervaardigde men in Egypte en Mesopotamië kleine modellen van o.a. gebouwen, schepen, menselijke figuren, dieren en aardewerk. Het waren vaak grafvondsten, doel en betekenis zijn meestal niet bekend.

De oudste Duitse poppenhuizen Kunstverzamelaar hertog Albrecht V van Beieren liet in 1558 een groot, rijk poppenhuis bouwen voor zijn dochter, het zogenaamde Dockenhaus. Het huis had verdiepingen, veel kamers, een badkamer en een binnenplaats en was ingericht met zilver en wandkleden. Er woonde een gevarieerd gezelschap poppen. Het geheel werd later in een museum ondergebracht, waar het in 1674 door een brand werd verwoest. De poppenhuizen in Zuid-Duitsland uit de 17e eeuw zien eruit als een echt huis, met gevels, een dak en trappen. Ze hebben kamers en zijn volledig als huishouding ingericht. De gebruikte materialen waren in de omgeving voorhanden: inheems hout, koper, tin, aardewerk. Het oudste nog bestaande Duitse poppenhuis dateert uit 1611 en is 2,75 m hoog. Het heeft muurbeschilderingen en een tuin. In het barokke Schlossmuseum van Arnstadt bracht vorstin Auguste Dorothea von Schwarzburg-Arnstadt een bijzondere collectie poppenhuizen, interieurs en taferelen bijeen, die zij Mon Plaisir noemde. In de 82 interieurs met 391 poppen en ± 2670 voorwerpen verbeeldde zij in miniatuur het dagelijks leven aan het hof en in de stad. Veel verschillende ambachtslieden en 2 poppenmakers werden ingeschakeld. Auguste werkte zelf, samen met haar hofdames en personeel, mee aan het kleden van de poppen, volgens de laatste mode. Vanaf 1697 werkte de vorstin 50 jaar aan Mon Plaisir. Zij liet na haar dood een grote schuld na, maar tot op heden is haar collectie bewaard gebleven en nog steeds te bezichtigen.

De oudste Engelse poppenhuizen Het oudste poppenhuis in Groot-Brittannië dateert van 1695 en is nog altijd in particulier bezit. Prinses Anne (1665-1714), die in 1702 koningin werd, gaf het poppenhuis aan de dochter van aartsbisschop John van York, haar petekind Ann Sharp (1691-1771). Ann Sharp trouwde op 21-jarige leeftijd met Heneage Dering, de deken van Rippon. Ze had een rustig leven, haar dagboek is bij het poppenhuis bewaard gebleven. Het poppenhuis in de vorm van een eenvoudige grenenhouten kast is 1,75 m hoog, het kreeg later glazen deuren. Het huis heeft negen kamers, een trap en een zolder met veel miniaturen. Op de begane grond bevinden zich de kamers van de bedienden. Op de eerste verdieping zien we de keuken, de eetzaal en de salon en op de tweede verdieping twee slaapkamers en een boudoir. Het geschenk van de prinses was echt bedoeld als kinderspeelgoed, Ann Sharp richtte het zelf in. Ze gaf namen en functies aan de poppenfamilie en de bedienden door opgespelde kaartjes. In het boudoir staat een vreemd wassen portret van Mother Shipton, de 15e-eeuwse Engelse heks van Yorkshire. In de slaapkamer staat het oudst bekende poppenhuisje in een poppenhuis (schaal 1:144). Het poppenhuis geeft een goed beeld van het leven omstreeks 1700.

Eveneens uit de 18e eeuw dateren het poppenhuis van Uppark (West Sussex 1730-1740), het poppenhuis van Nostell Priory (West Yorkshire 1735-1740) en het poppenhuis van Tate (Dorset 1760).

Kabinetpoppenhuizen in Amsterdam Het kunstkabinet In de 17e en 18e eeuw liet een kleine groep Nederlandse rijke burgervrouwen in Amsterdam ieder voor zich een poppenhuis bouwen in de vorm van een kunstkabinet. Zij richtten het in met kostbare materialen en bijzondere miniaturen, die in de stad volop beschikbaar waren. Vaak gaven zij ook opdrachten aan ambachtslieden. De kwaliteit van het geheel was bijzonder hoog. Deze kostbare verzameling verbeeldde de perfecte huishouding in die tijd. Het kabinetpoppenhuis was een bezienswaardigheid en de eigenares toonde het vol trots.

Petronella de la Court Petronella de la Court (1624-1707) richtte haar kabinetpoppenhuis in tussen 1670 en 1690. Waarschijnlijk begon ze met de Kunstkamer, daarin bevinden zich de oudste gedateerde voorwerpen. Het kostbaar aangeklede poppenhuis bevat veel bijzondere voorwerpen en 34 poppen, waarvan er nog 28 over zijn. In 1758 verscheen een gedetailleerde veilingcatalogus. Petronella de la Court kende wellicht Petronella Dunois en Petronella Oortman in Amsterdam, zij bezaten ook een groot kabinetpoppenhuis. De la Court en Dunois waren familie van elkaar en ze woonden beiden aan het Singel.

Petronella Dunois Petronella Dunois (1650-1695) woonde na de dood van haar ouders bij haar zuster Maria in Amsterdam. Beide zusters stelden een kunstkabinet samen, zij waren niet onbemiddeld. Slechts het poppenhuis van Petronella is bewaard gebleven. Het staat vermeld op haar lijst van huwelijksinbreng uit 1677. Het kabinet, ingelegd met marqueterie van notenhout, bezat oorspronkelijk twee deuren, door de ruiten kon men de Kraamkamer en de Beste Kamer zien. De inventaris uit de 17e eeuw is vrijwel helemaal bewaard gebleven, wel werd er in de loop der eeuwen steeds iets aan toegevoegd. Een inventarislijst uit 1730-1740 vermeldt onder andere 20 bijzondere poppen. Het poppenhuis bleef steeds in de familie en werd in 1934 aan het Rijksmuseum geschonken.

Petronella Oortman Petronella Oortman (1656-1716) woonde met haar man Johannes Brandt in de Warmoesstraat. Zij werkte vanaf 1686 tot 1710 aan haar poppenhuis. Haar kabinet is groter dan de andere en prachtig versierd met marqueterie, het kostte voor die tijd een vermogen. De interieurs zijn zeer gedetailleerd en hebben natuurgetrouwe maatverhoudingen. Schilder Jacob Appel maakte in 1710 een nauwkeurig portret van het huis, met glasdeuren en gordijnen. Het schilderij toont een aantal poppen, maar deze zijn later uit het echte huis verdwenen, alleen een babypopje zit nog in een stoel. Het poppenhuis was in de 18e eeuw als kunstkabinet al zeer beroemd, uit binnen- en buitenland kwamen bezoekers kijken. Vanaf 1821 werd het openbaar tentoongesteld, vanaf 1887 staat het opgesteld in het Rijksmuseum.

Sara Rothé Sara Rothé (1699-1751) woonde met haar man, de koopman Jacob Ploos van Amstel, in Amsterdam aan de Keizersgracht. Ze had in 1743 op een veiling 3 bestaande 17e-eeuwse poppenhuizen gekocht, deze waren vervaardigd door Cornelia van der Gon. Sara gaf opdracht om deze poppenhuizen uit elkaar te nemen en er twee nieuwe van te bouwen. Beide poppenhuizen hebben losse kamertjes, die als dozen in een kabinet zijn geplaatst. Sara vulde de collectie aan met nieuwe eigentijdse voorwerpen, ook maakte ze zelf borduur- en kaartweefwerk. Haar geschreven notities in boekjes over het ontstaan van haar poppenhuizen zijn voor wetenschappelijk onderzoek bijzonder waardevol. De poppenhuizen van Sara Rothé bevinden zich in het Gemeentemuseum Den Haag en in het Frans Halsmuseum te Haarlem.

Agnes Maria Clifford Agnes Maria Clifford (1739–1828) stamde uit rijke vooraanstaande patriciërsfamilies. Met haar echtgenoot Cornelis Backer, ook niet onbemiddeld, kreeg ze 5 kinderen. Het gezin woonde op de Oudezijds Voorburgwal, maar moest door sterk afnemende financiële middelen vertrekken naar een kleinere woning. Clifford werd bekend door haar twee pronkpoppenhuizen, die zich bevinden in Museum Simon van Gijn in Dordrecht en in Stedelijk Museum Zutphen. Deze liefhebberij werd op den duur voor haar te kostbaar. Haar poppenhuizen zijn dan ook duidelijk minder luxueus dan bijvoorbeeld de poppenhuizen van Sara Rothé, een halve eeuw eerder. Wel had ze uit de erfenis van haar vader miniatuurzilver, -porselein en bijzondere houten poppen verkregen. Clifford was een ware naaldkunstenares. De rijkdom van haar poppenhuizen bestaat vooral uit het bijzondere borduur- en naaiwerk. De houten poppen heeft ze zeer gedetailleerd gekleed, volgens de Nederlandse kostuummode van 1785-1795. Tot in de kleinste details zijn kapsels en onderkleding weergegeven. Ook borduurde ze wand- en meubelbekleding en alle tapijten, die ze voorzag van haar initialen.

Lizzy Ansingh Schilderes Lizzy Ansingh (1875-1959) was lid van de Amsterdamse Joffers, een groep kunstenaressen in Amsterdam rond 1900. Na haar opleiding aan de Rijksacademie schilderde Lizzy onder andere stillevens waarin poppen een grote rol speelden. Zij had daarvoor in 1910 op een veiling een 18e-eeuws kabinetpoppenhuis gekocht. Het kreeg een ereplaats in haar atelier op de derde etage van de Herengracht 495. Het poppenhuis met de verdere poppenverzameling inspireerde haar tot de 'poppenschilderijen' waarmee zij bekend werd. Het is van groot belang voor het begrijpen van Ansinghs schilderijen.

Het poppenhuis bestaat uit een vitrinekast, gemaakt omstreeks 1740-50, gefineerd met wortelnotenhout en mahonie. Het is 240 cm hoog, 153 cm breed en 48 cm diep. Waarschijnlijk werd het omstreeks 1830 omgebouwd tot poppenhuis. Twintig poppen wonen in acht kamers en een grote zolder. Diverse voorwerpen werden door de kunstenares toegevoegd.

Museum Arnhem kocht het stuk na de dood van Lizzy Ansingh en sinds 1963 stond het tentoongesteld in het in 2012 opgeheven Historisch Museum. Daarna werd het gerestaureerd en tentoongesteld in Erfgoedcentrum Rozet. Op 17 december 2014 keerden ook de schoongemaakte en gerestaureerde poppen terug in het kabinet. De restauratie is gesponsord door de Vrienden van Museum Arnhem.

19e eeuw Vanaf 1825-1830 ging een nieuwe middenklasse het belang inzien van speelgoed voor kinderen. Men was in staat goed speelgoed te kopen, soms was er sprake van eigenbouw. Er werd gespeeld met losse woon- en slaapkamertjes, keukentjes, winkeltjes of paardenstallen en pakhuizen (voor de jongens). Vooral stoffenwinkeltjes waren geliefd. Alleen rijke kinderen hadden een echt poppenhuis, het ging vaak over van moeder op dochter en werd dan naar behoefte aangepast.

In de 19e eeuw werden deze eenvoudige houten poppenhuizen- en kamers meestal gemaakt door ambachtslieden. Aan het eind van de 19e eeuw werden speelpoppenhuizen in Duitsland in serie vervaardigd door Ludwig Moritz Gottschalk (1840-1905). Gottschalk exporteerde onder andere naar Nederland, ook de inventaris van de gebouwtjes kon bij zijn bedrijf aangeschaft worden. Het poppenhuismeubilair was van hout of van geperst karton, vaak met gouden biesjes. De bewaard gebleven catalogusfoto's laten de Gottschalkproductie van 1892 tot in de 20e eeuw zien. De huizen zijn fantasierijk, maar wel geïnspireerd op de bouwstijlen uit deze periode. Door een met potlood aangebracht nummer aan de onderzijde kan een Gottschalkhuis gedateerd worden. Het bedrijf werd door zoon Wilhelm Moritz Gottschalk voortgezet.

Door de fabricage van vele thuiswerkers was speelgoed in Duitsland naar verhouding niet zo duur. Producten werden tevens afgestemd op het land van export.

20e eeuw Droomhuizen