Cornelis van Ravenswaay (spelling geboorteakte: Cornelis van Ravenswaaij) (Amsterdam, 19 september 1897 – 's-Gravenhage, 3 september 1955) was een zakenman, officier, kapitein en tussen 1941 en 1945 een Nederlands nationaalsocialistisch politicus.
Levensloop Van Ravenswaay was in 1897 geboren in Amsterdam en was de zoon van Johan van Ravenswaaij (1872–1930) en Grietje Vogel (1870–1918). Hij trouwde in 1920 met Alberdina Frederika Donderwinkel en trad in de voetsporen van zijn vader door een zakenman te worden; hij was procuratiehouder voor meerdere bedrijven, waaronder de Philips, waar hij zich onder meer bezighield met bedrijfsorganisatorische taken in Berlijn, Parijs en Boedapest. Zijn dienstplicht vervulde hij onder andere in Utrecht. Nadat hij gedurende de crisisjaren van de jaren 30 werd ontslagen, was hij in Brussel werkzaam voor een Zweeds bedrijf. In de jaren 30 was hij op politiek vlak nauwelijks actief, maar wel een aanhanger van het koningshuis.
Gedurende de mobilisatie van het Nederlandse leger in 1939 meldde Van Ravenswaay vrijwillig als reserveofficier van de artillerie. Tijdens de meidagen van 1940 diende hij aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als kapitein kapitein der veldartillerie in het Nederlandse leger, waar hij zelfs een paar NSB'ers had gearresteerd.
Studie Voor zijn militaire dienstplicht en huwelijk, studeerde hij op de Handelshogeschool van Rotterdam.
Burgemeesterschap Nadat het Nederlandse leger werd verslagen en het land onder de Duitse invloedssfeer viel, was hij teleurgesteld over de nederlaag van het Nederlandse leger tegen de Duitsers. Hij belandde na de demobilisatie, net als veel andere Nederlandse militairen, in de Nederlandse Opbouwdienst. Het werk bij de wederopbouw stemde hem echter niet tevreden, waardoor hij besloot om in het nieuwe bewind carrière te gaan maken, bij voorkeur als burgemeester. Toen SS-generaal Hanns Albin Rauter hem persoonlijk vertelde dat zijn kansen als lid van de NSB aanzienlijk groter waren, sloot hij zich op 10 oktober 1940 aan bij de beweging. Hoewel hij zich - naar eigen zeggen - niet uit politieke overtuiging had aangemeld, zou hij uiteindelijk vrij snel uitgroeien tot een fanatieke partijganger.
Vanwege de actieve deelname van de Zaanse bevolking in de Februaristaking van februari 1941, ontsloeg de bezetter het Zaanse college van burgemeester en wethouders evenals de gemeenteraad. Op 4 maart 1941 werd Van Ravenswaay benoemd tot burgemeester en regeringscommissaris van Zaandam. In deze hoedanigheid ontpopte hij zich als een radicale voorvechter van de 'Nieuwe Orde', die van plan was optimaal politiek gebruik te maken van de hem geboden mogelijkheden. Zo verving hij ambtenaren met NSB'ers en liet hij gemeentelijke aankopen aan aanbesteding bij voorkeur bij aanhangers van Anton Mussert doen. Echter toonde hij zich in sommige gevallen medelevend op: zo schold hij een aantal boetes van Zaanse inwoners die 'Deutschfreundlich' waren of lid waren van een nazistische organisatie kwijt, nadat de Duitse bezetter deze had opgelegd aan alle steden die deelnamen aan de Februaristaking, waaronder Zaandam. Ruim een jaar later stopte hij als burgemeester van Zaandam om in Utrecht aan de slag te gaan, waarna de gemeente Utrecht een anonieme brief opgestuurd kreeg. Hierin werd het van harte bedankt voor het feit dat zij '99,5 procent van de Zaandammers' hadden verlost 'van den rotzak'.
Mussert was onder de indruk geraakt van de werkwijze van Van Ravenswaay in Zaandam. Op 25 april 1942 werd hij daarom, op aandringen van de NSB-leider, op feestelijke wijze tot burgemeester van Utrecht benoemd nadat Arthur Seyss-Inquart de voormalige burgemeester Gerhard Abraham Willem ter Pelkwijk had ontslagen. De inhuldiging zou het hoogtepunt van zijn carrière worden. Bij de huldiging wapperde op de toren van de Utrechtse Dom de Prinsenvlag en de zwart-rode NSB-vlag, was het Utrechtse stadhuis rijkelijk versierd met groene guirlandes en bloemen en stond een erewacht van de Weerbaarheidsafdeling en de Nationale Jeugdstorm bij ditzelfde stadhuis opgesteld. Veel NSB'ers waren aanwezig om te zien hoe hij de ambtsketen kreeg omgehangen. Tot slot hield hij een toespraak, waarbij hij onder meer benoemde dat hen die op een Engelse overwinning hoopten, moesten bedenken dat dit een overwinning van 'het Bolsjewisme' zou betekenen en beloofde om de zwarte handel, woekermethoden en praktijden zou bestrijden. Zijn toespraak was echter zo extreem dat zelfs sommige partijgenoten er aanstoot aan namen. Al voor de inhuldiging toonde hij zich in de hem toevertrouwde stad een geharnast nationaalsocialist die alle hem toegevallen bevoegdheden gebruikte om het nationaalsocialisme in te voeren. Hij wilde directe controle over alle benoemingen en ontslagen, evenals een lijst van alle ambtenaren met hun politieke voorkeuren. Alle bestellingen voor de gemeente moesten hem worden getoond, zodat hij NSB-leveranciers kon bevoordelen. Verder bleek hij bovendien uit Zaandam een eigen staf van NSB-medewerkers te hebben meegebracht, die het werk van de wethouders en ambtenaren moest controleren. Hij kwam zodoende veelvuldig in aanvaring met K.J. Frederiks, de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Eenmaal aangesteld verbood Van Ravenswaay onder meer de Utrechtse bevolking om direct via telers tuinbouwproducten te kopen of the vervoeren en bestrafte politieagenten die geen rol wensten te spelen bij het ophalen van Joden. Zijn beleid leidde al binnen enkele weken tot een grimmige sfeer op de werkvloer, met als gevolg dat de wethouders collectief ontslag namen en werden vervangen door NSB'ers.
Per 1 februari 1943 werd hij door Mussert benoemd tot gemachtigde voor Sociale Zaken in diens kabinet: de 'Secretarie van Staat'. Vanaf 7 juni 1943 was hij, op eigen aandringen, naast burgemeester van Utrecht tevens waarnemend burgemeester van De Bilt geworden. Aanvankelijk voelde de commissaris der Provincie Willem Bernard Engelbrecht hier vrij weinig voor, maar ging uiteindelijk toch overstag. Vergeleken met zijn burgemeesterschap in Zaandam en Utrecht voerde Van Ravenswaay in De Bilt verrassend genoeg een veel gematigder beleid omdat hij uit was op samenwerking met de overige ambtenaren. Hier werden niet op grote schaal ambtenaren ontslagen, portretten van Adolf Hitler en Anton Mussert werden eveneens niet in de raadzaal opgehangen (iets wat wel gebeurde in Utrecht) en plannen van de burgemeester om aankopen en bestedingen van de gemeente bij te sturen via de Bestelcentrale Utrecht, liet hij later weer deels vallen. Uiteindelijk vervulde hij functie als waarnemend burgemeester voornamelijk vanuit Utrecht; elke werkdag om 17.00 uur reisde een bode uit De Bilt naar Utrecht om bij de burgemeester een tas met stukken af te leveren, die tegelijkertijd een tas met afgehandelde stukken mee terugnam naar De Bilt. Op 10 mei 1944 maakte Van Ravenswaay bekend dat De Bilt zou worden geannexeerd door de gemeente Utrecht. Wethouder Troostheide en gemeentesecretaris Damsté poogden nog om Van Ravenswaay op andere gedachten te brengen, maar kregen te horen dat dit besluit al in een vergevorderd stadium was en zich erbij neer moesten leggen omdat er grote belangen op het spel stonden. Mussert zou dit plan enkele weken later echter persoonlijk afwijzen omdat hij meer voelde voor een andere administratieve indeling van het gehele land in streken die economisch, geografisch, sociaal en historisch bij elkaar hoorden. Van Ravenswaay probeerde de afwijzende houding van Mussert nog te keren met het argument dat de stad en provincie het na dertig jaar praten eindelijk met elkaar eens waren geworden. Mussert bleef het plan echter resoluut afwijzen en adviseerde hem om plannen op te stellen op basis van zijn streekidee. Zodoende ging de annexatie uiteindelijk niet door. Later bleek dat hij dubbelspel speelde; hij probeerde de Biltse ambtenaren te overtuigen dat van een toekomstige annexatie door Utrecht geen sprake was, terwijl hij achter de schermen wel degelijk bezig was om een annexatie voor te bereiden, samen met zijn wethouders en de provincie. De reden voor de voorbereiding was de toen gebrekkige uitbreidingsruimte binnen Utrecht, waardoor de stad een verlies leed ten opzichte van de buitengemeenten.
Arrestatie en veroordeling thumb|Cornelis van Ravenswaay in 1945 aan het werk in de keuken van de strafgevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht. Na de gebeurtenissen van Dolle Dinsdag vluchtten veel NSB'ers richting Duitsland, nadat ze berichten hadden ontvangen dat de bevrijding van Nederland ieder moment kon plaatsvinden. Van Ravenswaay bleef uit voorzorg in het stadhuis van Utrecht en hield zich enige dagen schuil in de conciërgewoning aan de achterzijde van het gebouw. Later dook hij voor een paar dagen onder in het huis van de NSB-directeur der PEGUS. Nadat een gemeentebode zijn dienstfiets buiten had gezien, werd hij vier dagen na de bevrijding op 9 mei 1945 om 16:00 uur ingerekend door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten. Diep geschokt werd hij, samen met de directeur van de PEGUS Dufour, als gevangene door Utrecht naar het stadhuis gevoerd en vervolgens opgesloten in de strafgevangenis aan het Wolvenplein onder het registratienummer 271.
Twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog moest Van Ravenswaay zich in juni 1947 verantwoorden in de Utrechtse Kamer van het Bijzonder Gerechtshof. Hem werd de nazificering van het gemeentelijke bestuur, de reorganisatie van het Utrechtse politiecorps met verwijdering van anti-Duitse elementen, Jodenvervolging, ijveren voor de Arbeitseinsatz en het aanleveren van gijzelaars ten laste gelegd. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaar, door te brengen in een Rijkswerkinrichting met ontzetting uit alle burgerlijke rechten. Bij zijn veroordeling speelden zijn willekeur en zijn ideologische hardheid een belangrijke rol. In 1952 kwam hij voorwaardelijk vrij, net als veel andere veroordeelden in die periode. Volgens Willem Melching waren de beschuldigingen tijdens zijn proces tamelijk zwak en Van Ravenswaay erkende "volkomen fout" te zijn geweest. Gezien de destijds opgelegde strafmaat kan volgens hem gesproken worden van een politiek proces., in: Een gewone stad in een bijzondere tijd. Utrecht 1940-1945, blz. 72-73
Overlijden Op 3 september 1955 overleed Van Ravenswaay in Den Haag.
Categorie:Burgemeester van Utrecht Categorie:Burgemeester van Zaandam Categorie:Nederlands collaborateur in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Politicus voor de Nationaal-Socialistische Beweging Categorie:Nederlands politicus in de 20e eeuw Categorie:Nederlands persoon in de Tweede Wereldoorlog Categorie:Nederlands burgemeester