thumb|right|Bohemen in Tsjechië thumb|right|Moravië thumb|right|Tsjechisch-Silezië Dit artikel geeft een beknopt overzicht van de geschiedenis van de Tsjechische landen, dat wil zeggen Bohemen, Moravië, Tsjechisch-Silezië en de opvolgers Tsjecho-Slowakije en Tsjechië.
Slavische vestiging en Groot-Moravië Bohemen en Moravië werden tot de eerste eeuw v.Chr. bewoond door Kelten, waaronder de Boii, waaraan Bohemen zijn naam ontleent. Hun woongebied werd veroverd door de Marcomannen, een Germaanse stam. Andere stammen, het laatst die van de Langobarden, volgden maar dezen vertrokken in 568 naar Italië. Stammen behorende tot de Slaven kwamen onder leiding van Avaren uit het oosten en noorden binnen en maakten zich van hun Avaarse elite vrij in 623. Na bijna twee eeuwen breidde Karel de Grote vanuit het westen het Frankische gezag uit over deze Slavische stammen door ze schatplichtigheid op te leggen. Vorst Svatopluk I van Moravië erkende die leenheerschappij van Oost-Francië en steunde de Frankisch-Roomse kerk in zijn rijk die onder gezag kwam te staan van het bisdom Passau in Beieren. De Moravische stammen streefden echter naar behoud van hun zelfstandigheid door zich aaneen te sluiten. Een coördinerende rol was daartoe weggelegd voor de Frankische handelaar Samo. Rond 830 begon onder Mojmír I de staatshervorming van het zogenaamd Groot-Moravische Rijk, dat zich uitbreidde over westelijk Slowakije, Silezië, Bohemen en het westelijk deel van het huidige Hongarije (toen nog Pannonië geheten). Onder Mojmírs opvolger Rastislav werd ook het kerkelijke gezag vanuit Frankische in autonome handen gebracht met het aantrekken van de Byzantijnse zendelingen Cyrillus en Methodius. Rond 900 veroveren Hongaarse stammen Pannonië en enkele jaren later brengen zij de jonge staat Moravië een vernietigende slag toe. Het zwaartepunt van de onafhankelijke staatsvorming verschoof daarna naar het westelijker gelegen Bohemen.
Přemysliden Hertogdom
In Bohemen kwam eind negende eeuw de inheemse dynastie der Přemysliden op. Zij werden beschermd door Oost-Francië, het oostelijke Frankenrijk waaruit het Heilig Roomse Rijk zou ontstaan, in het bijzonder onder de hertog Wenceslaus I de Heilige, die de kerstening doorvoerde. De weerstand hiertegen in nationale en heidense kringen leidde tot interventie van de Duitse koning Hendrik de Vogelaar, onder wie Bohemen in 929 een leen van het Heilige Roomse Rijk werd. De Přemysliden behielden echter een grote mate van onafhankelijkheid en waren een invloedrijke kracht in dit Heilige Roomse, ook wel het Duitse Rijk genoemd. Moravië viel in 1029 aan Bohemen toe. Koninkrijk
De hertogen Wladislaus II en Vratislav II ontvingen beiden de koninklijke titel, die in 1198 onder Přemysl Ottokar I erfelijk werd. In de dertiende eeuw werden de koningen van Bohemen bovendien Duitse keurvorsten: dat wil zeggen dat zij, met de andere Duitse keurvorsten, aan de verkiezing van de Duitse koningen en keizers mochten deelnemen en ook zelf dat koningschap mochten ambiëren. Het Poolse Silezië kwam onder de invloed van de Boheemse koningen en maakte zich los van de banden met het Poolse koningschap.
De Tsjechische landen kenden in de dertiende eeuw een grote immigratiegolf van Duitsers, hoewel in die tijd beter gesproken kan worden van Saksen in het noorden, Franken in het westen en Beieren in het zuiden, waar zij zich op verzoek van de adel en geestelijke grondheren, vestigden in grensgebieden die grotendeels bebost waren en nu door de nieuwkomers ontgonnen werden. In het Tsjechisch bevolkte gebied vestigden zich stedelingen uit de Duitse landen in nieuwe stadsvestigingen, als regel steden die in bestaande marktplaatsen volgens Duits Stadsrecht werden opgericht. Hier leefden sindsdien bevolkingen die later als Duitsers of Oostenrijkers tot in de twintigste eeuw van Bohemen en Moravië een tweetalig land zouden maken. Bohemen beleefde onder Přemysl Ottokar II een hoogtepunt van zijn macht: hij verwierf onder meer Oostenrijk en werd een van de machtigste Duitse rijksvorsten. Zijn zoon Wenceslaus II werd in 1300 tevens koning van Polen, diens zoon Wenceslaus III ook van Hongarije. Maar deze expansies hielden geen stand. De Přemysliden stierven uit en vorsten uit het Huis Luxemburg en het Huis Habsburg kwamen er voor in de plaats. thumb|Karel I
Luxemburgers Keizer Hendrik VII uit het Huis Luxemburg beleende in 1310 zijn zoon Jan de Blinde met Bohemen. Deze bracht een groot deel van Silezië en de Lausitz onder de Boheemse kroon. Zijn zoon Karel I werd als Karel IV tevens Duits keizer en begunstigde de politieke en culturele bloei van zijn rijk; onder hem was Bohemen met de hoofdstad Praag zelfs het centrum van het Heilige Roomse Rijk. Onder zijn zoons Wenceslaus IV en Sigismund raakte het land echter in crisis. De Tsjechische bevolking verzette zich tegen de sterke verduitsing van het hof en het stedelijk patriciaat. De nationale hervormingsbeweging van Johannes Hus leidde tot de Hussietenoorlogen, in feite een revolutie, die leidde tot de stichting van een nationale kerk en, na een felle en verwoestende oorlogsperiode, tot godsdienstvrijheid en in ieder geval tot een terugdringing van de Duitse culturele invloed. De door Duitstalige studenten en docenten gedomineerde universiteit van Praag verplaatste zich naar Leipzig.
Troonstrijd Het Huis Luxemburg stierf in 1437 uit. Bij het opvolgingsconflict spon de plaatselijke adel hierbij garen en kon zijn positie versterken, dit ten koste van burgers en boeren. Na een korte periode onder het Huis Habsburg met Albrecht en Ladislaus I Posthumus liet de regent George van Podiebrad zich tot koning kiezen, de eerste inheemse vorst in 150 jaar. Dit zal uitmonden in een burgeroorlog (1468-1478) tussen Wladislaus II van Hongarije en Matthias Corvinus; beiden werden tot koning uitgeroepen. Deze strijdigheden verzwakte het koninkrijk aanzienlijk. Na de dood van Matthias Corvinus werden Hongarije, Kroatië, Bohemen, Polen en Litouwen geregeerd door de kinderen van Casimir IV uit het Huis Jagiello en Elisabeth van Oostenrijk uit het Huis Habsburg.
Om de band nog nauwer aan te trekken, ondertekenden beide partijen het Eerste Congres van Wenen (1515) dat resulteerde in het dubbelhuwelijk, Lodewijk II van Hongarije met Maria van Habsburg en Ferdinand van Habsburg met Anna van Bohemen en Hongarije.
Habsburgers Na de dood van Lodewijk II van Hongarije, tijdens de Slag bij Mohács (1526) tegen de Ottomanen, viel Bohemen toe aan het Huis Habsburg, dat het koninkrijk tot 1918 zou regeren.
De katholieke Habsburger Ferdinand I kreeg te kampen met de Reformatie, die vooral bij de lagere Boheemse adel en in de steden veel aanhang had gekregen. De godsdiensttwisten behielden onder Ferdinand, Maximiliaan en Rudolf II nog een relatief vreedzaam karakter, hoewel deze keizers/koningen de contrareformatie met intriges en manipulaties trachtten door te voeren. Onder druk bevestigde Rudolf de protestanten, zowel de Tsjechische hussieten als de Duitse lutheranen, in hun rechten met de majesteitsbrief van 9 juli 1609.
Maar het conflict ging verder en escaleerde toen Ferdinand II de bepalingen van de majesteitsbrief openlijk schond. De tweede defenestratie van Praag, waarbij protestantse edelen twee keizerlijke gezanten uit het raam wierpen, luidde de Boheemse opstand tegen de Habsburgers in, die in 1618 uitmondde in de Dertigjarige Oorlog. De protestanten zetten eerst Ferdinand in 1619 af en kozen de Winterkoning Frederik V van de Palts tot vorst. Tevergeefs, want in de Slag op de Witte Berg herwon Ferdinand II alle macht. Hij vervolgde opstandelingen, wees hun leiders het land uit en legde het katholicisme met geweld de bevolking op. De hoge Tsjechische adel schikte zich in de nieuwe verhoudingen om haar macht en bezit te kunnen behouden. (Zie Boheemse adel.)
In de zeventiende eeuw werd het katholicisme opnieuw de alleen heersende godsdienst en zette met de komst van Oostenrijkse, Beierse en Italiaanse edelen, die de plaats en het bezit van de verdreven Tsjechische adel innamen, een nieuwe tendens van verduitsing in. Honderden verwoeste en verlaten dorpen werden herbevolkt met boeren uit het zuiden van Duitsland en uit Oostenrijk.
In 1627 hief Ferdinand, inmiddels keizer van het Heilige Roomse Rijk, het gekozen koningschap van Bohemen op. Hiermee werd Bohemen een erfelijk bezit van het Huis Habsburg.
In 1648 stonden de Zweedse troepen voor de poorten van Praag en waren de Habsburgers genoodzaakt de Vrede van Westfalen te ondertekenen.
In de Silezische Oorlogen verloor Bohemen Silezië aan Pruisen in 1742. Pruisen stelde in dit conflict dat het de Lutherse meerderheid in Silezië wilde beschermen tegen de toenemende intolerantie van de Habsburgse Contrareformatie. Maria Theresia en Jozef II onderwierpen Bohemen vervolgens aan hun politiek van centralisering en verlicht absolutisme. Naast de versterking van burgerlijke vrijheden en vrijheden van religieuze minderheden, zoals ook die van Joden, werd in 1781 de lijfeigenschap opgeheven.
Nationalisme thumb|right|František Palacký De centralisering leidde echter tot een heropleving van Tsjechisch nationaal bewustzijn, dat zich onder invloed van de Verlichting en de romantiek uitte in belangstelling voor de Tsjechische taal, cultuur en geschiedenis. De leidende figuur in deze beweging was de historicus František Palacký, gesteund door Karel Havlíček Borovský en František Ladislav Rieger. Hij weigerde een zetel in het liberale Frankfurter Parlement omdat hij voor Bohemen principieel geen plaats zag in een nieuw democratisch Duitsland. Toen het Frankforter Parlement in 1848 met geweld werd ontbonden door Pruisen en door Oostenrijk, leidde dat in Bohemen tot deelname aan de Maartrevolutie, die in 1848 in heel Duitsland en Oostenrijk oplaaide. In Praag, hoewel de burgerij daar voor de helft Duits van cultuur was, kreeg dat ook een nationaal-Tsjechische lading toen het eerste Panslavisch Congres bijeenkwam. In juni 1848 werd de Praagse Pinksteropstand door Oostenrijkse troepen onder Alfred zu Windisch-Graetz neergeslagen. In Moravië daagde nog korte tijd een Rijksdag van Kremsier (Kroměříž), meer reformistisch dan revolutionair, die zich beraadde over een nieuw federaal Oostenrijk, maar ook deze werd in 1849 door Windisch-Graetz ontbonden.
De decennia na 1848 werden gedomineerd door de tegenstelling tussen de Tsjechen, die een vérregaande autonomie binnen het Habsburgse Rijk nastreefden, en de Duits-Oostenrijkers, die het bestaande centralistische en Duitstalige bestuur wilden behouden. Pogingen van de regering om met compromissen te werken, mislukten door beurtelings Tsjechische of Duitse tegenwerking. De taalverordeningen van de premiers Eduard von Taaffe en Kasimir Felix von Badeni brachten geen vrede hoewel de districten met een Tsjechischtalige meerderheid voor het Tsjechisch gaandeweg, dat wil zeggen tussen 1860 en 1890, een overheersende plaats als bestuurs-, gerechts- en onderwijstaal verwierven. De poging onder Karl Sigmund von Hohenwart om de Oostenrijks-Hongaarse Ausgleich ook op Bohemen toe te passen, mislukte. De Tsjechische nationalisten vormden in deze 'nationaliteitenstrijd' onderling overigens geen eenheid. Er waren de conservatieve en gematigde Oud-Tsjechen en daartegenover de radicale Jong-Tsjechen die naar een onafhankelijke nationale staat streefden.
Eerste en Tweede Tsjecho-Slowaakse Republiek