miniatuur|Islamitische basisschool De Dialoog te Rotterdam
Het islamitisch onderwijs valt in Nederland onder het bijzonder onderwijs, net zoals bijvoorbeeld rooms-katholiek en protestants-christelijk onderwijs. De leerlingen op een islamitische school volgen in principe hetzelfde onderwijs als leerlingen op andere scholen, maar in het onderwijs wordt in meerdere of mindere mate expliciet aangesloten bij de geloofsovertuiging van hun ouders. De islamitische scholen laten zich – in de woorden van de koepelorganisatie ISBO – leiden door de heilige bronnen van de islam: de Koran en Soenna.
In het onderwijs worden de Soenna en de Koran toegankelijk gemaakt voor de leerlingen en worden ze ingeleid in de islamitische geloofstraditie. Het islamitisch onderwijs is, net als alle andere vormen van bijzonder onderwijs, gebaseerd op artikel 23, lid 2 van de Nederlandse Grondwet waarin staat: 'Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.'
Het islamitisch onderwijs wordt, net als al het erkende onderwijs, gefinancierd door het ministerie van OCW. Nederland telt momenteel (2019) 52 islamitische basisscholen en 3 islamitische scholen voor voortgezet onderwijs (Rotterdam, Amsterdam, Utrecht). Ter vergelijking: Nederland telt in totaal 6268 basisscholen en 652 scholen voor voortgezet onderwijs (StatLine, 2019StatLine (2019). Onderwijsinstellingen; grootte, soort, levensbeschouwelijke grondslag). Daarnaast bestaan er ook nog enkele islamitische instellingen voor hoger beroeps- of universitair onderwijs; de aantallen en hun status (erkenning, financiering) fluctueren echter regelmatig.
In 2018 volgden 15.078 kinderen islamitisch basisonderwijs.https://nos.nl/artikel/2314225-islamitisch-onderwijs-groeit-in-tien-jaar-tijd-met-60-procent.html. Gearchiveerd op 28 juli 2023.
De eerste islamitische scholen De wens om islamitisch onderwijs te geven leefde binnen de moslimgemeenschap in Nederland al vanaf de jaren 70 van de 20ste eeuw. Van integratiebeleid was in die jaren niet of nauwelijks sprake. Gastarbeiders (zo heetten de arbeidsmigranten toen) moesten hun eigen identiteit (eigen taal, eigen cultuur) behouden, omdat de Nederlandse overheid in de veronderstelling verkeerde dat de gastarbeiders na verloop van tijd weer allemaal naar hun eigen land zouden terugkeren. Les in hun eigen taal en cultuur in het basis- en voortgezet onderwijs (doorgaans gefinancierd door de Nederlandse overheid) zou de terugkeer van hun kinderen vergemakkelijken. Aparte Islamitische scholen – gebaseerd op de Koran en Soenna – kwamen toen echter nog niet van de grond.
De behoefte aan eigen islamitische scholen kwam voort uit onvrede met het Nederlands onderwijs. De prestaties van allochtone leerlingen bleven namelijk achter bij die van autochtone leerlingen en hun doorstroming naar hogere vormen van onderwijs stagneerde. Ouders meenden dat dit aan het Nederlandse onderwijs lag, dat onvoldoende aansloot bij het eigene van de allochtone kinderen. Bovendien vonden de ouders dat hun kinderen te snel verwesterden en zich zo vervreemdden van hun eigen religie en cultuur. Ook was het contact tussen de islamitische ouders en de schoolleiding vaak slecht; de schoolleiding zou – zo vonden de ouders – slecht op de hoogte zijn van de religieuze en culturele achtergronden van hun kinderen. Scholen verweten op hun beurt de islamitische ouders niet voldoende geïnteresseerd te zijn in het onderwijs aan hun kinderen, hun gemeenschap zou gesloten zijn en de moslims leefden te veel in hun eigen wereld. Wederzijds was er onbegrip voor elkaars achtergrond; zo waren islamitische ouders niet gewend aan de cultuur op Nederlandse scholen, waar sprake was van egalitaire gezagsverhoudingen tussen leerkrachten en leerlingen en van ouders wordt verwacht dat ze zich af en toe inzetten voor de school en ouderavonden bezoeken.Islamitisch onderwijs: emancipatie of desintegratie?, Peter Schong, 2000 De aan de Turkse overheid gelieerde Islamitische Stichting Nederland (ISN) ijverde vanaf 1982 als eerste om islamitisch onderwijs in Nederland te realiseren.Van Mat tot Minaret, N. Landman, VU Uitgeverij, 1992, pag. 263-264
De Arabische school van Amsterdam, later omgedoopt tot Bouschrã-school, werd in 1971 opgericht door dominee R.G.H. Boiten en zijn vrouw. De school was gericht op de ontmoeting van vertegenwoordigers uit drie culturen: Joden, Christenen en Moslims. Het schoolprogramma beoogde de keuzemogelijkheid open te houden naar integratie van deze kinderen in de Nederlandse samenleving (met behoud van eigen identiteit) of naar terugkeer van deze kinderen naar hun moederland. De school werd gesloten in 1996. In het boek Bouschrã is de naam, geschreven door de oprichter van de school, wordt de ontstaansgeschiedenis van de school beschreven. Ook de NTR-documentaire De klas van '94, geregisseerd door Hassnae Bouazza, heeft de school als onderwerp. In de documentaire gaat historicus Nadia Bouras op zoek naar klasgenoten, schoolgenoten, voormalige leraren en de oprichters van Bouschrã.
Het duurde tot 1988 voor de volgende twee – volledig door de Nederlandse overheid gefinancierde – islamitische basisscholen van start gingen, één in Eindhoven (Tarieq ibnoe Ziyad) en één in Rotterdam (Al Ghazali). De oprichting van deze scholen vond plaats uitgerekend in een tijd dat het integratiebeleid er heel anders ging uitzien dan gedurende de voorgaande twee decennia. Medio jaren 80 werd duidelijk dat de (voormalige) gastarbeiders en hun gezinnen – die door gezinshereniging of gezinsvorming inmiddels in Nederland woonden – in Nederland zouden blijven. Nu ze niet terug zouden keren naar het land van herkomst, vond de politiek dat ze zich een plek in de Nederlandse maatschappij moesten verwerven, daarmee raakte het Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) omstreden. De roep om islamitische scholen en daarmee een eigen islamitische zuil werd luider. Aanvankelijk probeerde een aantal gemeenten de vestiging van islamitische scholen te ontmoedigen of tegen te houden, maar hier laat art. 23 van de Grondwet geen ruimte voor. Als er voldoende behoefte bestaat aan een bijzondere school en er aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan – waaronder kwaliteitseisen – kan een school van bijzonder onderwijs (protestants, katholiek, islamitisch, etc.) worden opgericht.
Etnische achtergrond van de scholen Van de islamitische basisscholen is ongeveer 30% opgericht vanuit Turkse gemeenschappen in Nederland. Het aantal Turks islamitische scholen neemt procentueel gezien de laatste jaren niet toe. Turkse Nederlanders hebben minder behoefte aan islamitisch onderwijs omdat de meesten het standpunt van de Turkse Staat onderschrijven dat islamitisch onderwijs niet nodig is. Volgens Turkije voorziet de moskee in voldoende mate in het beleven van het islamitisch geloof. De meeste leerlingen van deze Turks-islamitische scholen zijn van Turkse afkomst, de scholen zijn meestal gematigd., Rapport BVD, 2002, pagina 12. Gearchiveerd op 21 april 2022.
Zo'n 45% van de islamitische basisscholen is opgericht vanuit Marokkaanse gemeenschappen. De bestuursleden van deze scholen hebben vaak een conservatief islamitische geloofsovertuiging. Een aantal van deze scholen wordt ook ondersteund door islamitische gidslanden of buitenlandse islamitische fondsen. De door het buitenland ondersteunde scholen zijn vaak zeer conservatief. Leerlingen op deze scholen zijn overwegend van Marokkaanse afkomst, maar de scholen trekken ook leerlingen afkomstig uit 'nieuwe minderheden' zoals Somaliërs, Soedanezen en Afghanen. Het aantal scholen opgericht door Marokkaanse Nederlanders neemt toe., Rapport BVD, 2002, pagina 13. Gearchiveerd op 21 april 2022.
Ongeveer 25% van de islamitische basisscholen is gemengd, in het bestuur zitten mensen van diverse afkomst. Het initiatief voor de meeste van deze gemengde scholen ging uit van moslims van Surinaamse afkomst. Net als het bestuur zijn de leerlingen van diverse afkomst, deze gemengde scholen zijn meest gematigd.
Bij het bovenstaande dient te worden opgemerkt dat de betreffende informatie over dit onderwerp al van oudere datum is en het niet bekend is hoe de verhoudingen momenteel liggen.
Basisscholen Op islamitische basisscholen wordt net als op alle andere Nederlandse scholen gewerkt met vaste lesprogramma's en leer- en kerndoelen; dat is wettelijk vastgelegd. Vakken waarvoor kerndoelen vanuit de overheid gelden zijn: Nederlandse taal, Engels, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, natuuronderwijs, techniek, kunstzinnige oriëntatie en gymnastiek. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van Nederlandse onderwijsmethodes. Alle lessen worden in het Nederlands verzorgd. Naast reguliere Nederlandse methodes zijn er ook Islamitische godsdienstmethodes en geschiedenisleermiddelen beschikbaar.
De dag wordt vaak geopend met het voordragen van soera De Opening uit de Koran. Ook worden de islamitische feesten gevierd en wordt er op de meeste scholen gezamenlijk het middaggebed gebeden. Door het verschuiven van vrije dagen (bijvoorbeeld een mei-vakantie van één week in plaats van twee weken) hebben de leerlingen zowel met het Suikerfeest als met het Offerfeest vrij. Daarentegen worden Kerstmis, Sinterklaas en andere christelijke feesten niet gevierd. Doorgaans hebben de leerlingen anderhalf uur per week godsdienstles, waarbij de helft van deze tijd wordt besteed aan recitatie van de Koran.
De islamitische basisscholen voeren – afhankelijk van de mate van orthodoxie die zij aanhangen – een verschillend beleid wat betreft zaken die strijdig zouden kunnen zijn met de islam, zoals het verbod op muziek of het verbod op het maken en tonen van afbeeldingen van levende wezens. Op de meeste scholen wordt wel (religieus) gezongen en worden afbeeldingen gemaakt, met respect voor de leerlingen die dat niet willen. Soms worden onderdelen van het curriculum die strijdig zouden zijn met de interpretatie van de Koran niet behandeld en (letterlijk) uit de leermiddelen verwijderd, zoals de evolutieleer en seksuele voorlichting. Het gymnastiekonderwijs voor jongens en meisjes is na de leeftijd van 7 jaar doorgaans gescheiden. Op sommige scholen komt het ook voor dat jongens en meisjes in de hogere groepen in van elkaar gescheiden klassen zitten. Ook kennen sommige scholen kledingvoorschriften, waarbij alle meisjes een hoofddoek moeten dragen (Driessen & Bezemer, 1999Driessen, G., & Bezemer, J. (1999). Islamitisch basisonderwijs. Schipperen tussen identiteit en kwaliteit? Nijmegen: ITS. Gearchiveerd op 7 april 2022.).
De meeste leerkrachten op islamitische basisscholen zijn niet-moslim. Wel onderschrijven zij de islamitische grondslag van de school. Daarbij wordt op sommige scholen van hen ook verlangd dat zij zich aan bepaalde kledingvoorschriften houden, zoals voor vrouwen wijdvallende kleding en een hoofddoek. De afgelopen jaren is er steeds meer sprake van instroom van moslim-leerkrachten.
Hoger onderwijs Naast islamitisch basis- en voortgezet onderwijs zijn er in Nederland ook enkele islamitische instellingen voor hoger onderwijs. De meeste opleidingen zijn onderdeel van of werken samen met bestaande instellingen voor hoger onderwijs; dit garandeert (in principe) niet alleen de kwaliteit, maar ook de financiering. Er zijn islamitische instellingen voor hoger onderwijs in Amsterdam, Rotterdam en Schiedam. In Rotterdam is de Islamic University of Applied Sciences Rotterdam (voorheen Islamitische Universiteit Rotterdam) gevestigd, deze opleiding is door de Nederlandse overheid erkend, maar ze ontvangt geen geld van de overheid.
Koepelorganisaties