Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Servië.
Vroege geschiedenis In de oudheid werd Servië bewoond door Indo-Europese volkeren zoals de Kelten, Thraciërs, Triballi en Daciërs. In 2 v.Chr. volgde de Romeinse uitbreiding naar het huidige Servië. Later kwam het onder Byzantijns heerschappij. In de zevende eeuw arriveerden de Slavische Serviërs vanuit Wit-Servië, een historische streek in het huidige Centraal-Europa, op de Balkan. Zij kregen van de Byzantijnse keizer land tussen de rivier Sava en de Dinarische Alpen. De Servische stam heeft zich in de Balkan gevestigd in 6 verschillende groepen c.q. stammen onder leiding van de "onbekende archont", een groot leider: Raška Bosnië Duklja/Zeta Zahumlje Travunia Pagania thumb|250px|Servië in de 9e eeuw, volgens De Administrando Imperio thumb|250px|Nemanjics Servië, 1150–1220, gedurende de regering van Stefan Nemanja en Stefan Prvovenčani De Serviërs als volk waren niet meer verenigd tot in de middeleeuwen. De natie was verdeeld in staten die in situaties samen kwamen om een gezamenlijke vijand te bestrijden maar in tijden van vrede verdeeld leefden. De namen van die staten waren: Duklja (Zeta), Zahumlje (het huidige Herzegovina met de stad Ragusa (Dubrovnik)), Travunija (Trebinje, in het huidige Bosnië en Kroatië), Pagania (het huidige Dalmatië), Bosna (het huidige Bosnië) en Rascia (het huidige Sandžak en Kosovo). Raška werd uiteindelijke de sterkste staat en nam later de naam Servië aan.
De eerste Servische staat werd gesticht in de 7e eeuw door het Huis van Vlastimirović, de eerste prinsen waren Višeslav, Radoslav, Prosigoj, en Vlastimir. Zij waren afstammelingen van de "onbekende archont". Rond 870 bekeerden de Serviërs zich tot het christendom. De Vlastimirović dynastie doofde uit met Časlav Klonimirović rond 960 en Servië werd terug een deel van Het Byzantijnse Rijk.
Rond het jaar 1000 kwam een nieuwe dynastie aan de macht, het Huis van Vojislavljević, die zijn oorsprong had in Zeta (het huidige Montenegro) en later het vorstendom Duklja werd. Mihailo Vojislavljević werd in 1077 door de paus tot koning gekroond. Op dat moment waren Serviërs zowel katholiek als orthodox. Doordat de Serviërs zich gevestigd hadden in een regio waar de lijn van Theodosius liep werd het volk religieus verdeeld. Zijn opvolger Konstantin Bodin stichtte het aartsbisdom Bar, hiermee verkregen de Serviërs religieuze onafhankelijkheid en in 1091 stichtte hij het Groot Prinsdom Servië, de titel van "veliki župan ", 'grootžupan', een Zuid-Slavische titel van Avaarse origine, staat gelijk aan 'prins'. Vanaf 1080 tot 1167 kwam Servië (Raška) onder heerschappij van de Vukanovićdynastie.
In 1217 werd Servië een koninkrijk. Na een gevecht om de troon met zijn broers werd Stefan Nemanja heerser en stichter van de Nemanjić-dynastie. Hij kwam aan de macht in 1166 en begon met de vernieuwing van de Servische staat en de regio Raska. Dit deed hij af en toe met behulp van Byzantium en af en toe tegen de zin van Byzantium wat leidde tot schermutselingen tussen de twee. Stefan Nemanja begon de staat uit te breiden door de losse Servische staten te veroveren. In 1219 werd de Servisch-Orthodoxe Kerk gesticht door Sava van Servië. thumb|Omvang van het Keizerrijk Servië (1355) De Nemanjić-dynastie leidde Servië haar Gouden Eeuw in en werd de machtigste staat in die tijd onder leiding van tsaar Stefan Dušan in de 14e eeuw in de vorm van het Keizerrijk Servië. Later na zijn dood zouden zijn opvolgers niet daadkrachtig genoeg zijn om de staat intact te houden. De Servische edelen van de Lazarević, Mrnjavčević, Vojinović, Dejanović, Branković en Crnojević-dynastieën regeerden nadien over eigen vorstendommen. De val van het Servische rijk leidde tot de Slag om Kosovo in 1389. Servië vocht hier, onder leiding van vorst Lazar Hrebeljanović, met een samengestelde Balkan-alliantie, een veldslag tegen het Ottomaanse Rijk. Het leidde tot een nederlaag en volledige verovering van Servië door het Ottomaanse Rijk. Vorst Lazar en sultan Murat I sneuvelden tijdens het gevecht. Servië kwam na de nederlaag onder Ottomaans bewind al werd in 1402 nog wel het Despotaat Servië gesticht. Een vazalstaat geregeerd door de Lazarević en later Branković-dynastie.
Ottomaanse verovering en bezetting De eerste slag tegen de Ottomanen vond niet plaats in Kosovo maar in Bulgarije bij Marica. De gebroeders Mrnjavcevic stelden een leger samen en marcheerden Ottomaans gebied in om slag te leveren in 1371. Gedurende de slag werden ze te zelfverzekerd en tijdens een overnachting bij de rivier Marica werden ze overvallen door Ottomaanse strijdkrachten toen ze dronken waren. Het samengestelde leger werd verslagen en verdreven. Doordat dit leger werd verslagen, lagen de Zuid-Servische staten zonder verdediging wat leidde tot de Slag om Kosovo in 1389. De despoot Lazar deed een laatste poging om de Servische adel weer vereend te krijgen om slag te leveren. De slag om Kosovo werd het einde voor Servië omdat, hoewel de slag beëindigd werd in een gelijkspel, de Servische staat verzwakt achterbleef. Lokale vorsten werden een na een verslagen, en zo werd Servië stap voor stap veroverd. Uiteindelijk werd in 1459 de laatste slag bij Smederevo gevochten. De laatste Servische gebieden, Bosnië en Zeta werden uiteindelijk ook verslagen, waarbij Zeta als laatste in 1496.
Vanaf de 14e eeuw emigreerden vele Serviërs naar wat vandaag de dag bekendstaat als Vojvodina. Dit werd aangemoedigd door het Hongaarse koninkrijk dat Serviërs inhuurde als grenswachters tegen de Ottomanen. Servië kreeg zijn zelfstandigheid weer terug in 1804 en 1815 (Vorstendom Servië) en verwierf zijn volledige onafhankelijke status opnieuw in 1878 (koninkrijk Servië).
Koninkrijk Servië
Servië was van 1718 tot 1739 een provincie van de Habsburgse monarchie. De provincie gevormd van het territorium ten zuiden van de rivieren Sava en de Donau dat veroverd werd op het Ottomaanse Rijk in 1718. In 1739 kwam het gebied opnieuw onder Ottomaans bewind.
Negentiende eeuw en Balkanoorlogen Aan het hoofd van de staat stond de vorst. Hij was nog niet soeverein, maar een soort leenman van de Osmaanse sultan. De eerste vorst, Miloš Obrenović, had de Tweede Servische Opstand geleid. In 1830 kocht hij de erfelijkheid van zijn troon, en in 1839 werd hij daadwerkelijk door zijn zoon Michael opgevolgd. Deze moest echter in 1842 wijken voor een zoon van Zwarte George, in 1804 de leider van de Eerste Servische Opstand. Het grootste deel van de moslimbevolking van het vorstendom Servië werd in 1862 verdreven.
Tijdens het Congres van Berlijn werd in 1878 de onafhankelijkheid van het vorstendom Servië erkend. In 1882 werd dat het Koninkrijk Servië, met Belgrado als hoofdstad.
In de eerste helft van de 19e eeuw waren er in Zuid-Servië nog Turkse eenheden gelegerd, maar vanaf 1867 waren deze vertrokken en kon Servië een eigen leger opbouwen. Dit liet aanvankelijk nog te wensen over: opstanden werden onderdrukt, maar het bleek te slecht bewapend en te slecht georganiseerd om buitenlandse vijanden (Turkije, Koninkrijk Bulgarije) te verslaan. Pas in de Eerste Balkanoorlog bleek het Servische leger hier sterk genoeg voor. In de loop der tijd voerde het vorstendom ook steeds meer een buitenlands beleid. Hierbij leunde men sterk op Oostenrijk-Hongarije, tot ongenoegen van een groot deel van de bevolking en de Panslavisten. Zij gaven de voorkeur aan een pro-Russische beleid.
thumb|left Het vorstendom was een traditionele agrarische samenleving, waarvan de economie draaide op de varkensfokkerij. In Belgrado maakten varkens hun laatste stop voor ze de Oostenrijks-Hongaarse slachthuizen ingingen. De vorst roomde deze economie middels zijn recht tot belastingheffing af. De sultan klopte regelmatig op de Servische deur voor alweer een lening. De slimme vorsten bedongen steeds meer rechten als tegenprestatie. In 1903 werd de Servische economie door de Varkensoorlog gedwongen te diversifiëren. De samenleving was traditioneel-familiaal. Dit uitte zich in bepaalde regio's in Servië als volgt. Wanneer een familie door een huwelijk werd uitgebreid, bouwde het jonge paar hun huis aan het familiehuis vast, waardoor families bij elkaar bleven en huizen wel een straat lang waren. Meestal ging de bruid echter wonen bij de familie van de bruidegom. Servië kende destijds slechts één echte stad: Belgrado.
Servië was voortdurend een strijdtoneel. De huizen Obrenović- en Karađorđević betwistten elkaar voortdurend de macht, terwijl boerenopstanden vaak voorkwamen. In 1903 kwam het huis Karađorđević definitief aan de macht: koning Alexander Obrenović en koningin Draga werden door officieren vermoord en het raam uit gesmeten. De dynastie Obrenović stierf hiermee uit en Peter I Karađorđević kwam op de troon.
In 1908 was alleen het door Servië opgeëiste Macedonië nog Turks gebied. In 1912 begon de Eerste Balkanoorlog tussen de Balkanbond (de nieuwe staten Servië, Griekenland, Montenegro en Bulgarije) en het Osmaanse rijk, gevolgd door de Tweede Balkanoorlog tussen Bulgarije en de rest van al deze landen. Na deze oorlogen waren het Osmaanse Rijk en Bulgarije veel grondgebied verloren, en kon Servië Macedonië bezetten. Nu had Servië de huidige omvang, minus de Vojvodina dat nog aan Oostenrijk-Hongarije toebehoorde.
Eerste Wereldoorlog thumb In 1914 werd Servië door Oostenrijk-Hongarije beschuldigd van de moord op diens kroonprins Franz Ferdinand in Sarajevo. Uit het onderzoek naar de moord is gebleken dat de gebruikte wapens uit België afkomstig waren. De pistolen (FN Browning mod. 1910) waren onder Servische licentie vervaardigd en de bommen waren afkomstig uit het Servische staatswapenmagazijn in Kragujevac. Bovendien onthulde een van de verdachten Ilić de betrokkenheid van majoor Voja Tankosić een persoonlijk assistent van Dragutin Dimitrijević (beter bekend onder zijn bijnaam Apis) het hoofd van de Servische militaire dienst. Deze Tankosić zou de wapens hebben geleverd en de jongens van het moordcommando hebben getraind (o.m. met schietoefeningen) en hen hebben opgedragen na de aanslag zelfmoord te plegen. Drie andere verdachten (waaronder Gavrilo Princip die de fatale schoten loste) ontkenden eerst Tanković te kennen, maar gaven later toe dat deze bij de voorbereiding van de moord betrokken was.Slaapwandelaars hoe Europa in 1914 ten oorlog trok; Christopher Clark; isbn 978 90 8542 538 0 pagina 452 en 453 De Servische staat ontkende echter elke betrokkenheid aangezien er geen programma was om de Bosnisch Servische groep te ondersteunen.
Oostenrijk-Hongarije stelde een strikt ultimatum, wat er feitelijk op neer kwam dat Servië onder Oostenrijks-Hongaarse controle kwam te staan. Servië kon dit Juli-ultimatum niet accepteren en werd direct door Oostenrijk-Hongarije aangevallen, hetgeen het begin van de Eerste Wereldoorlog betekende. Het Servische leger wist door ervaring en modernisatie in de Balkanoorlogen de vijand tot het einde van 1914 tegen te houden, echter werd het gebied rond stad Sabac in het westen wel bezet evenals het gebied rond de Drina, de westelijke grens van Servië. De Oostenrijks-Hongaarse troepen pleegde daar direct op grote schaal oorlogsmisdaden, welke werden gedocumenteerd door de Nederlandse arts Arius van Tienhoven.
Uiteindelijk werd Servië echter veroverd in de winter van 1915-1916 en geannexeerd door Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije. Het grootste gedeelte van het Servische leger wist te ontsnappen door terug te trekken naar Albanië. Een ander deel werd krijgsgevangen gemaakt en kwamen in krijgsgevangenkampen terecht in Oostenrijk-Hongarije en Duitsland. Een deel van hen kwam uiteindelijk in het neutrale Nederland terecht: 91 van hen overleden uiteindelijk in Nederland. Een monument is voor hen opgericht te Garderen.