Sint-Jansgeleen (vroeger Heer Jans Geleen) is de historische locatie van een deels verdwenen kasteel tussen Geleen en Spaubeek, aan de noordrand van de gemeente Beek in de Nederlandse provincie Limburg. Van het in de jaren 1930 deels gesloopte kasteel zijn slechts de bijgebouwen bewaard gebleven.

Ligging 350px|thumb|Locatie van Spaubeek en Sint-Jansgeleen op de topografische gemeentekaart van Beek De overblijfselen van het vroegere Kasteel Sint-Jansgeleen bevinden zich iets ten noorden van Spaubeek. Het domein ligt buiten het dorp, maar wordt daarvan gescheiden door de A76. De resterende kasteelhoeve ligt met haar ingang aan de lokale weg naar Geleen, dicht bij de spoorlijn, die de haakse bocht in de Geleenbeek met een boog volgt, maar ter plekke het riviertje bijna raakt. Het domein vormt nu planologisch niet veel meer dan een overschotje, als een piekvormige noordelijke uitstulping van Spaubeek, behorend tot de gemeente Beek. Het is een lager gelegen, smal en driehoekig stuk niemandsland, dat aan de beek gelegen is en door haar wordt doorsneden, maar voor het bebouwd gedeelte in hoofdzaak ingeklemd tussen de autosnelweg en de spoorlijn. Wel heeft het gebied zijn landelijk karakter weten te behouden ondanks de verstedelijking van de naburige gemeenten Geleen en Beek.

Het leengoed omvatte meer dan 170 hectare grond en lag in een dal of vallei (een 'spalt' of 'spau') van de Geleenbeek, tussen Schimmert en Op-Geleen. Het lag aan de voet van de brede heuvel op de rechteroever, die via steile hellingen, bebost met dennen en eiken, verderop naar Sweikhuizen voert, om dan aan de noordzijde over te lopen in het bos van de Danikerberg, aan de oostkant van Geleen. Tussen dat heuvelplateau en het kasteel stroomde de visrijke Geleenbeek, voorzien van drie watermolens. In de directe omgeving liggen het Kasteel Terborgh en het Huis Ten Dijcken.

Naamgeving Het domein ontleent zijn naam aan het voormalige huis of kasteel van Spaubeek, dat in de oudste bronnen wordt aangeduid als "dat huys tot Spaubeeck". In de vijftiende eeuw kreeg het kasteel de naam "Heer Jans Geleen". Die benaming verwijst naar de drie heren met de voornaam Jan, die in die tijd het kasteel bezaten. Een van die heren was Jan II Rode van Opsinnich, die in 1476 heer van Spaubeek werd, en daarmee zijn vader (die ook Jan heette), opvolgde. Deze laatste was op zijn beurt de rechtsopvolger van zijn zwager, Jan van Werst. Aldus waren er vanaf het midden van de vijftiende eeuw achtereenvolgens drie heren met dezelfde voornaam Jan. De heerlijkheid stond vanaf de vijftiende eeuw bekend als huys ende hoef van Here Johans Geleen.

Toen de familie Huyn van Amstenrade het kasteel in bezit kreeg, liet zij de naam veranderen in "Sint-Jansgeleen". Zo liet Arnold Huyn van Amstenrade in 1601 bij het opmaken van zijn nieuwe leenregistratie reeds vastleggen, dat hij heer was van "den Huijse van Sint Jans Geleijn".M.J.H.A. Schrijnemakers (1985) bespreekt deze naamsovergang in zijn monografie Sint-Jansgeleen. Kasteel, hoeve en molens, 1985. Beek Mogelijk wilde de familie Huyn de herinnering aan de vorige eigenaars uitwissen. De naam Heer Jansgeleen bleef echter tijdens het hele ancien régime in gebruik. In een akte uit 1775 vinden we: "Het Casteel van Heer Jans Geleen met den voorhoff, waeraen sijn gehoorende ontrent vijff en vijfftig Bunders ackerland en ontrent drij en twintigh Bunders soo weijden als beemden neffens eenen Bosch ‘Den Vrouwen bosch’ genaemt alles in een stuck gelegen."Het nu nog zo geheten Vrouwenbos was genoemd naar de Vrouwe van Heer Jansgeleen).

Een alternatieve verklaring van deze naamsverandering is gebaseerd op het vermoeden dat er sprake is geweest van een fout in de voorloper van de Atlas van Blaeu (1645), waar de locatie vermeld wordt als S.Jans Gelen.Theatrum Orbis Terrarum, sive Atlas Novus in quo Tabulæ et Descriptiones Omnium Regionum, Editæ a Guiljel et Ioanne Blaeu ("Theater van de Wereld, of een Nieuwe Atlas van Kaarten en Beschrijvingen van Alle Streken, uitgegeven door Willem en Joan Blaeu"), 1645. Het kwam vaker voor dat de Blaeus een van een voornaam afgeleid toponiem (al dan niet op eigen gezag) voorzagen van de aanduiding 'Sint', zie het artikel Daniëlsweert. Oude eigendomsverhoudingen werden daarmee niet langer gehonoreerd, terwijl de naamsbekendheid zo via een stichtelijke variant behouden kon blijven. Het slot heette echter al generatieslang Heer Jansgeleen,Vergelijk voor dit naamtype het artikel 'Huis te Merwede' op cms.dordrecht.nl: "Omdat vrijwel alle Van der Merwedes die de “heerlijke” rechten uitoefenden Daniël heetten (...), wordt de ambachtsheerlijkheid Van der Merwede ook wel aangeduid als Heer Daniëls Ambacht." Vergelijk ook namen als Heerjansdam en Heerhugowaard. Informatief in dit verband is verder de geschiedenis van het dorp Nieuw Gastel. Jan IV van Glymes van Bergen, heer van Bergen op Zoom, verkreeg in 1550 van Keizer Karel V toestemming tot inpoldering van de gorzen rond het dorp Gastel. De polder kreeg de naam Heer Jansland (1551). Daar ontstond vervolgens een dorp dat 'Nieuw Gastel' werd genoemd. Het bestaande oude dorp ging zich nu "Oud Gastel" noemen. Nieuw Gastel werd reeds in 1551 een afzonderlijke parochie, bediend door een eigen pastoor. De markies van Bergen op Zoom benoemde in 1569 een polderbestuur voor het beheer van Heer Jansland. genoemd naar Jan II Rode van Opsinnich.

Ook in de 19e eeuw was de officiële aanduiding nog Huis Jansgeleen (Kuyper 1867). In onze tijd staan dus zowel het goed als de buurtschap, de Sint-Jansmolen en zelfs de tamelijk nabijgelegen voormalige Sint-Janskluis in Oud-Geleen (uit 1699, thans een kapel), uiteindelijk te boek met een verkeerde, a-historische naam.

Architect Jan Stuyt (1868-1934) maakte aan het begin van de 20e eeuw een ontwerp voor een tuinstad op een terrein nabij St-Jansgeleen. De wijk, die ook de naam Sint-Jansgeleen zou krijgen, werd nooit gebouwd.Het ontwerp voor de tuinstad Sint-Jansgeleen, te vergelijken met Philipsdorp bij Eindhoven, werd later door architect Jan Stuyt gebruikt voor een mijnwerkerswijk in Heerlen-Zuid, Molenberg, (1915-'30). De naam St.-Jansgeleen is later in de 20e eeuw overgenomen door een Geleens zorgcentrum, dat tot voor kort een halve kilometer noordelijker lag, in de uiterste zuidoostpunt van Geleen aan de weg naar Spaubeek. Het zorgcentrum is sinds 2001 iets noordelijker gevestigd aan de Lienaertsstraat, op de plaats waar vroeger de Geleense vestiging lag van het Maasland- of St.-Barbaraziekenhuis.

Bouwhistorie thumb|350px|Fragment uit de kaart van Tranchot en Von Müffling uit 1803, met daarop een van de oude kernen van Spaubeek (in het rode kader) en linksboven het kasteel, hoeve en molen Sint-Jansgeleen thumb|350px|Fragment Tranchotkaart uit 1804/1805 met het kasteel, hoeve en molen Sint-Jansgeleen Het kasteel Sint-Jansgeleen is ontstaan als “dat huys van Spaubeke”, waarvan de grondslagen vermoedelijk werden gelegd door Dirk II van Schinnen alias van Rode (Wijnandsrade) in het destijds meer omvattende gebied van Opgeleen (Geleen). Dirk II behoorde tot de familie Van Schinnen en was een nakomeling van de heren van Kasteel Terborgh. In het midden van de dertiende eeuw was deze familie van Schinnen gegoed in Schinnen, Spaubeek en Wijnandsrade, via welke laatste twee familietakken en hun opvolgers ook het na onenigheid verdeelde patronaatsrecht van de Sint-Dionysiuskerk overerfde. Aan “dat huys van Spaubeke” was een leenhof verbonden, dat misschien via de oude band tussen Schinnen en Sint-Jansgeleen als erfenis van de oude Heren van Schinnen afgesplitst is. Vonk (2009) geeft aan, dat het wellicht evengoed als zelfstandige instelling ontstaan kan zijn. Het leenhof van Spaubeek had veel goederen in Schinnen, waaronder goederen als Strijthagen (te Hegge), Stammen en Te Broeck (te Nagelbeek). Feit is dat het huis van Spaubeek in een latere periode op zichzelf leenroerig blijkt te zijn aan het landsheerlijk leenhof van Valkenburg. Spaubeek maakte oorspronkelijk deel uit van de Valkenburgse hoofdbank Beek. Sinds 1557 behoort het tot de schepenbank van Geleen en wordt deel van de heerlijkheid Geleen en Spaubeek. Van toen af had het zelf lage en middelbare rechtspraak. Het huidige kasteel Sint-Jansgeleen dateert uit omstreeks 1567, blijkens ook het later herplaatste alliantiewapen (1571) boven de ingang van de voorhof. Het was een rechthoekig, twee verdiepingen hoog huis van mergel, met een noordelijke en een oostelijke vleugel die haaks op elkaar stonden, en was omgeven door diepe grachten en brede vijvers. Schrijnemakers (1985) geeft een nauwgezette omschrijving van het kasteelgebouw en zijn verval.

Bewoningsgeschiedenis Van Hoen naar Rode van Opsinnich De familie Rode van Opsinnich was geparenteerd aan de familie Hoen van den Broeck, later Van Hoensbroeck geheten. Zoals kasteel Hoensbroek oorspronkelijk genoemd was naar ('Heer Hoens Broek'; 'broek' = moeras), zo kwam ook het Huis Spaubeek in 1388 in het bezit van de familie Hoen. Ridder Daniël, een zoon van ridder Herman Hoen, gehuwd met Johanna van Merwede, vrouwe van Gerdingen, ontving via zijn vader het kasteel en de landerijen te Spaubeek. Het echtpaar kreeg alleen dochters (maar Daniël had ook nog twee onwettige kinderen, zie Daniëlsweert). Daniël Hoen liet Spaubeek na aan hun oudste dochter Margaretha, die in 1444 met ridder Jan van Werst trouwde, wiens familie afkomstig was uit Weerst in het graafschap Dalhem (nu in de provincie Luik gelegen). Dochter Catharina Hoen van Spaubeek trouwde in 1448 met Jan Rode van Opsinnich, wiens familie uit de Voerstreek stamde. In beide gevallen ging het om edelen uit de regio, uit bezittingen die net als Spaubeek (via Valkenburg) tot de gebieden van de Landen van Overmaas behoorden. Zij haalden hun echtelieden dus niet van heel ver, maar trouwden min of meer in eigen kring op regionaal niveau. Dat gold ook voor de derde dochter, Cecilia, die huwde met Joris van Retersbeek (bij Klimmen). Het waren Catharina en Jan I Rode die nieuwe bewoners van Spaubeek werden, na ruil met Magaretha en Jan van Werst van het moederlijk erfdeel Gerdingen.

Na de dood van haar echtgenoot (in 1472) kwam het leengoed vervolgens aan Catharina en hun kinderen, waarmee voor de familie Rode van Opsinnich haar Spaubeekse periode aanving. Na de dood van zijn moeder in 1476 werd de oudste zoon, Jan II, met Spaubeek beleend. Toen pas kreeg het leengoed zijn eigenaardige naam. Naar analogie van (Heer) Hoens-broek gingen het huis en goed toen Heer Jans-Geleen heten. Jan II genoot kennelijk aanzien, maar zijn zoons, van wie Jan III Rode van Opsinnich in 1537 heer van Spaubeek werd, wisten het huis niet voor de familie te behouden. Zij vestigden zich wat noordelijker in het Maasland, met name in Elen (onder Maaseik), waar de takken Rode van Opsinnich van het kasteel Sipernau en Rhoe/Roye van Opsinnich van de hof aen die Capelle ontstaan.

Van Rode van Opsinnich naar Huyn In 1557 ging het goed over op de familie Huyn, die ook al de molen van Heer Jansgeleen had gepacht. Het geslacht Huyn van Amstenrade en Geleen was expansief in de hele zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw en zou uiteindelijk (in 1654) de grafelijke status bereiken.

Arnold I Huyn van Amstenrade, overleden omstreeks 1553, zoon van Gerard en Agnes van Printhagen, erfde bij de dood van zijn vader, omstreeks 1510, de molen bij Heer Jansgeleen en vermoedelijk de twee hoeven van Printhagen. In 1514 werd hij beleend met de Hoef toe Geleen. Dit is de hoeve Genhoof in de Spaubeekse wijk Hoeve.