Het Openbaar Ministerie (OM) of parket is belast met de juridische aspecten van strafrechtelijke onderzoeken en het strafrechtelijk vervolgen van verdachten. Anders dan de naam kan doen vermoeden, is het Openbaar Ministerie geen ministerie van de regering maar van de 'openbaarheid'. Het OM is onderdeel van de uitvoerende macht, officieren van justitie werkzaam bij het OM zijn rechterlijke ambtenaren. Rechters daarentegen zijn onderdeel van de rechterlijke macht. De minister van Justitie en Veiligheid kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het OM.

Het werkterrein van het Openbaar Ministerie betreft voornamelijk het strafrecht. Wanneer iemand verdacht wordt van een strafbaar feit bepaalt het Openbaar Ministerie aan de hand van bewijsmateriaal of vervolging opportuun is.

Als mensen en bedrijven onderling met elkaar in conflict raken, kunnen zij hun geschil voorleggen aan de civiele rechter, bijvoorbeeld bij echtscheidingen, burenruzies, arbeidsgeschillen of huurconflicten. Als burgers het niet eens zijn met overheidshandelen waardoor ze in hun belangen zijn getroffen, kunnen ze klagen bij het betreffende bestuursorgaan en daarna bij de bestuursrechter, bijvoorbeeld bij een belastingaanslag, vergunningsweigering of toekenning van een uitkering.

Geschiedenis In het 18e-eeuwse Frankrijk lieten de Franse koningen zich vaak bijstaan door de procureur des Konings (ook wel Gens du Roi genoemd, oftewel heren des konings, vergelijkbaar met officieren van justitie) van het Ministère Public, om zo gehoorzaamheid van de bevolking af te kunnen dwingen. Tijdens de Franse Revolutie gingen er stemmen op om het Openbaar Ministerie op te heffen als onderdeel van het ancien régime, maar dat plan werd tegengehouden in het Franse parlement en het Ministère Public werd hervormd. Er kwam uiteindelijk onder Napoleon Bonaparte één Wetboek van Strafrecht (Code Pénal) en één Wetboek van Strafprocesrecht en de wortels werden gelegd voor een functioneren van het OM zoals Frankrijk en Nederland dat nu kennen.

In de periode van 1795 tot 1810 werd in een voorloper van Nederland, de Bataafse Republiek, de basis gelegd voor vernieuwing van de maatschappij: er werd gekozen voor een gecentraliseerde eenheidsstaat. De jurist Rutger Jan Schimmelpenninck werd de belangrijkste staatsman in de republiek, hij ontwierp in 1805 in opdracht van Napoleon en in overleg met zijn ambtenaren een nieuwe staatsinrichting. In 1806 werd de republikeinse traditie verlaten: Nederland werd weer een koninkrijk met Lodewijk Napoleon als koning en in 1810 werd het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk ingelijfd. Het Franse bestuursmodel, de wetgeving en de rechterlijke organisatie werden in het grondgebied van het hedendaagse Nederland ingevoerd, er waren onafhankelijke rechters en een zelfstandig orgaan dat het belang van de keizerlijke overheid behartigt, Le Ministère Public.

Toen Nederland na de val van Napoleons keizerrijk in 1813 de onafhankelijkheid herwon, werd besloten het Franse strafrecht en het Openbaar Ministerie te handhaven, met enige wijzigingen.Bij Koninklijk Besluit van 11 december 1813 van Willem I, spottend het "Gesel- en Wurgbesluit" genoemd. Eenvormig strafrecht en handhaving door het OM voorkomt een excessieve eigenrichting van het publiek. Het Openbaar Ministerie kreeg meer armslag, het seponeren van zaken werd weer mogelijk, terwijl later in de eeuw ook de transactie terugkeerde. Straffen in het openbaar en lijfstraffen werden in de praktijk vervangen door eenzame opsluiting in een cellulaire gevangenis.

Taak De taak van het Openbaar Ministerie ligt wettelijk vast. In de Wet op de rechterlijke organisatie staat die taak aldus omschreven: Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij wet vastgestelde taken. Een voorbeeld van zo'n bijkomende taak van het Openbaar Ministerie is het toezicht op mensen die gedwongen worden opgenomen in een psychiatrische inrichting (de Wet verplichte ggz).

Het OM is de enige instantie die strafzaken bij de rechter mag aanbrengen.

De hoofdtaak van het Openbaar Ministerie is te verdelen in drie kleinere: de opsporing van strafbare feiten, de vervolging van strafbare feiten, toezicht op de uitvoering van strafvonnissen.

Opsporing Als blijkt of vermoed wordt dat ergens een strafbaar feit is gepleegd, is het opsporingswerk een taak van de politie. De politie zoekt naar sporen, hoort getuigen en slachtoffers, houdt verdachten aan en legt alle gegevens schriftelijk vast in een proces-verbaal. De eindverantwoordelijkheid voor de opsporing ligt bij het Openbaar Ministerie. Vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de officieren van justitie, hebben daarom ook het gezag over de onderzoeken van de politie. Vooral als het om zware misdrijven gaat, geeft de officier van justitie direct leiding aan het onderzoek. Daarbij houdt deze in de gaten dat de opsporing zorgvuldig en eerlijk verloopt. Dat wil zeggen: volgens de regels die in de wet zijn vastgelegd.

Niet alleen het werk van de politie valt onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is ook verantwoordelijk voor de opsporing door de gemeentelijke sociale recherches en de bijzondere opsporingsdiensten als de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst–Economische controledienst (FIOD-ECD) en de Algemene Inspectiedienst (AID). Om het opsporingswerk goed te kunnen doen, kan de officier van justitie de politie opdracht geven bepaalde dwangmiddelen te gebruiken, bijvoorbeeld het in beslag laten nemen van gestolen voorwerpen of het aanhouden van een verdachte die niet op heterdaad is betrapt. Het Openbaar Ministerie is niet vrij om tijdens de opsporing te doen en laten wat het wil. Als het Openbaar Ministerie zware dwangmiddelen wil gebruiken, bijvoorbeeld huiszoeking of het afluisteren van de telefoon, moet het eerst toestemming vragen aan de rechter-commissaris.

Sepot Soms besluit de officier van justitie tot een sepot, niet vervolgen. Bijvoorbeeld een 'technisch sepot' als de politie onvoldoende bewijs heeft verzameld. Daarnaast is er het zogenaamde 'beleidssepot' op basis van het opportuniteitsbeginsel. In zo'n geval is er wel voldoende bewijs, maar er is bijvoorbeeld sprake van een klein vergrijp waarbij de dader de schade aan het slachtoffer heeft vergoed. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen tegen een sepot een klacht indienen bij het gerechtshof, een artikel 12-procedure. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.

Transactie De officier van justitie kan ook besluiten tot een transactie. In zo'n geval betaalt de verdachte een bepaald bedrag aan het Openbaar Ministerie (bijvoorbeeld bij een ontnemingstransactie, ook wel "plukken" genoemd), aan het slachtoffer of voert hij een taakstraf uit. Uit artikel 74 lid 1 laatste zin Sr blijkt dat door deze transactie het recht tot strafvordering vervalt. Het Openbaar Ministerie besluit soms tot een transactie als het gaat om overtredingen of veel voorkomende misdrijven. Het geld gaat naar de staatskas of soms – bij een transactieschadevergoeding – naar het slachtoffer.

Als een verdachte is aangehouden voor zo'n zaak en nog op het politiebureau zit, kan meteen de hoogte van het transactiebedrag worden bepaald. Dit wordt ook wel "aanhouden en uitreiken", of "lik op stuk" genoemd. Bij een dergelijk lik-op-stukbeleid krijgt een verdachte direct een dagvaarding en een acceptgiro met het transactiebedrag mee naar huis. Als de verdachte deze acceptgiro niet betaalt, moet deze alsnog voor de rechter verschijnen. De keuze van het wel- of niet betalen van het transactiebedrag is aan de verdachte: hij is niet verplicht deze te betalen.

Vervolging Vervolging vindt in lichtere gevallen vaak plaats door een strafbeschikking.

Als bij vervolging een strafbeschikking niet aan de orde is volgt de gang naar de strafrechter. Soms begint vervolging op last van de rechter al voor iemand in de rechtszaal verschijnt. De rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld opdracht geven iemand in voorlopige hechtenis te nemen, als deze ervan wordt verdacht dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. We spreken dan ook wel van voorarrest.

Het Openbaar Ministerie zorgt dat de verdachte een dagvaarding krijgt: een brief waarin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt verdacht. De opsomming van de feiten waarvoor een verdachte terecht moet staan, heet de tenlastelegging. De rechter kan een verdachte enkel veroordelen voor de feiten die in de tenlastelegging staan vermeld. Afhankelijk van de zwaarte van het strafbare feit wordt een zaak voorgelegd aan een of drie rechters.

In de rechtszaal miniatuur|Een Officier van Justitie tijdens het proces van Pieter Menten Komt het tot een rechtszaak, dan ziet de verdachte de officier van justitie voor zich in zijn rol van openbare aanklager. De officier van justitie vertelt tijdens de zitting waarvoor iemand terecht moet staan. Vervolgens neemt de rechter de tijd om de verdachte te ondervragen over de zaak. Ook de officier van justitie krijgt de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna houdt de officier zijn requisitoir: een betoog waarin hij de rechter vertelt wat hij van de zaak vindt en een straf eist. Dat kan een geldstraf zijn, een taakstraf of een celstraf. Als de officier van justitie in de rechtszaal het woord voert, staat hij altijd. De rechter, die recht tegenover de verdachte zit, blijft altijd zitten. Om die reden worden leden van het Openbaar Ministerie ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters maken deel uit van de zittende magistratuur.

Straffen Het Nederlandse strafrecht kent drie hoofdstraffen. De eerste is de celstraf. De tweede categorie is de geldstraf. Als laatste zijn er de taakstraffen. Er zijn twee soorten taakstraffen: allereerst is er de werkstraf, waarbij iemand onbetaalde arbeid verricht voor instellingen als gemeenten, ziekenhuizen, Staatsbosbeheer of andere niet-commerciële instellingen. Daarnaast is er de zogenaamde leerstraf. Een voorbeeld is de cursus sociale vaardigheden, die de rechter nogal eens oplegt aan minderjarigen.

Maatregelen Naast deze hoofdstraffen kan een officier van justitie de rechter vragen een maatregel op te leggen. Een voorbeeld is de onttrekking aan het verkeer van bepaalde goederen, bijvoorbeeld verdovende middelen, wapens of illegale kopieën van cd's. Een tweede voorbeeld is de 'strafrechtelijke ontnemingsmaatregel' bekend als de wet "pluk ze", bedoeld om een verdachte de winst af te nemen die hij met zijn misdrijven heeft gemaakt, bijvoorbeeld in het geval van diefstal, oplichting of handel in verdovende middelen. Een derde belangrijke maatregel is de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de veroordeelde een bedrag aan het slachtoffer moet betalen. Een bijzondere maatregel is de terbeschikkingstelling, afgekort tbs. Deze maatregel vraagt het Openbaar Ministerie bij verdachten met een psychische stoornis, voor wie dwangverpleging nodig wordt geacht. Verdachten aan wie de rechter deze maatregel oplegt, komen terecht in een speciaal forensisch psychiatrisch centrum. Als de rechter een straf of maatregel heeft opgelegd, is het Openbaar Ministerie ervoor verantwoordelijk dat deze worden uitgevoerd.

Minderjarigen