Malorix en Verritus waren twee Friese vorsten in de eerste eeuw na Christus. Hun optreden is gedocumenteerd door de Romeinse geschiedschrijver Tacitus in diens Annales.
Achtergrond In het jaar 58 vestigden zich Friezen op braakliggende gronden aan de Rijnoever. De grond behoorde, volgens de afspraken zoals geformuleerd door Corbulo na de opstand van de Friezen in 28, toe aan het Romeinse Rijk. De Friezen beginnen de grond te bewerken en te bebouwen "alsof het hun erfdeel is", volgens een vermelding bij Tacitus. Als het zaaigoed al in de grond zit sommeren de Romeinen de Friezen het gebied te verlaten. Daarop besluiten Mallorix en Verritus naar Rome te reizen om hun zaak bij de Romeinse keizer Nero te bepleiten. In Rome kregen ze een rondleiding langs de bezienswaardigheden, waarbij ze ook het theater van Pompeius bezochten. Tacitus schrijft dat zij het bezoek aan dit theater deftig geklede gezanten van andere volkeren op de deftige senaatsbanken zagen zitten. Volgens Suetonius, die het verhaal ook kent, waren dit gezanten van de Parthen en Armeniërs. De beide noorderlingen stoorden zich volgens hem eraan dat zij bij het gewone volk moesten plaatsnemen. Tacitus vertelt:
Keizer Nero verleende aan Malorix en Verritus het Romeins burgerrecht, maar hun stam moest wel de Rijnoever verlaten. De diplomatieke onderneming van de twee vorsten had dus niet het gewenste effect bereikt. De koningen en hun volk weigerden vooralsnog het gebied te verlaten. Enige tijd later werden ze verdreven door een ruiteraanval van door Tacitus niet nader aangeduide 'Romeinse bondgenoten'. Wie zich verzette, werd gevangengenomen of gedood.
Bronnen Tacitus, Annales XIII 54 (parallelle Latijnse en Nederlandse tekst, vertaald door Ben Bijnsdorp) Jan Blokker, Jan Blokker Jr. en Bas Blokker, ' Het vooroudergevoel ' Bas Blokker, Gijsbert van Es, Hendrik Spiering, ' Nederland in een handomdraai, de vaderlandse geschiedenis in jaartallen '
Categorie:Romeinen in Nederland Categorie:Geschiedenis van Friesland