De voor- en vroegschoolse educatie (VVE) in Nederland is een onderdeel van het onderwijssysteem dat beoogt onderwijsachterstanden van leerlingen te voorkomen, dan wel te verminderen bij de start in groep 3 van de basisschool.

Gemeentebestuur en schoolbesturen hebben de verantwoordelijkheid om een onderwijsachterstandenbeleid te ontwikkelen en te (helpen) uitvoeren om startcondities van kinderen te verbeteren bij hun entree op de basisschool. Het gaat hierbij met name om kinderen met een leerlingengewicht en doorgaans ook om kinderen met taalachterstand.

De leesmethode Maan Roos Vis is hier een voorbeeld van. Een andere methode is CATTVISHTREEE, die oorspronkelijk uit Engeland komt en die in groep 2 het meest wordt gebruikt. Hiermee leren de kinderen onder meer hoofdletters te schrijven en leenwoorden uit te spreken.

Voor- en vroegschoolse educatie is bedoeld voor jonge kinderen van circa 2 tot 6 jaar. Er zijn speciaal ontwikkelde programma's voor kinderen van die leeftijd met een risico op taal- en ontwikkelingsachterstand die het gevolg zijn van ongunstige factoren gelegen in de thuisomgeving, doorgaans samenhangend met het sociaal-economisch milieu of met een niet-westerse achtergrond. Het doel er van is de kansen op een goede schoolloopbaan voor deze kinderen te vergroten.

thumb|Leren tellen met een telraam. Voorschoolse educatie vindt plaats in een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf en is bedoeld voor peuters van 2 en 3 jaar. De voorschoolse educatie valt onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Vroegschoolse educatie gebeurt in basisscholen en is gericht op kinderen in de kleuterklassen. Tot 2006 werd de vroegschoolse educatie bekostigd door de gemeente, sindsdien door het Rijk via de schoolbesturen.

VVE richt zich niet alleen op taalontwikkeling, maar ook op andere ontwikkelingsgebieden. Het gaat om: Taalontwikkeling, die wordt gestimuleerd door de beginnende geletterdheid en de woordenschat Beginnende rekenvaardigheid, zoals het leren tellen, het meten en de oriëntatie in ruimte en tijd Motorische ontwikkeling, waarbij het ontwikkelen van grove en fijne motoriek centraal staat Sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals het stimuleren van zelfstandigheid en zelfvertrouwen en van het samen spelen en werken Om deze doelen te bereiken, wordt bij VVE gewerkt met specifieke VVE-programma's, zoals Kaleidoscoop en Piramide, maar er zijn er inmiddels veel meer.

Begrippen Doelgroepkinderen Kinderen die in aanmerking komen voor VVE worden 'doelgroepkinderen' genoemd. In de voorschoolse periode is de gemeente verantwoordelijk voor het bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Gemeenten en schoolbesturen krijgen geld van het Rijk om de benodigde VVE-voorzieningen te bekostigen op basis van het aantal 'gewichtenkinderen' in een gemeente, maar hebben zelf de ruimte om criteria op te stellen voor de definitie van doelgroepkinderen. In artikel 167 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) staat beschreven dat burgemeester en wethouders van een gemeente minimaal jaarlijks overleggen met de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang. De bedoeling van dit overleg is het bestrijden van onderwijsachterstanden en het evenwichtig verdelen van leerlingen met onderwijsachterstanden over scholen. Daarnaast is het overleg gericht op het maken van afspraken over welke kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal in aanmerking komen voor voorschoolse educatie.

Een van de belangrijkste criteria die de gemeenten gebruiken om vast te stellen of een kind tot de VVE-doelgroep behoort, is de zogenaamde gewichtenregeling die in het onderwijs wordt gebruikt. Op basis van de opleidingsachtergrond van de ouders krijgen sommige leerlingen namelijk extra een 'gewicht' toegekend. Dat extra gewicht wordt vervolgens vertaald in extra geld om de onderwijsachterstanden te voorkomen en weg te werken. Soms wordt dit criterium nog aangevuld met gegevens uit andere bronnen die informatie geven over mogelijke risico's op achterstanden. Zo heeft het RIVM in samenwerking met het Centrum Jeugdgezondheid een instrument ontwikkeld waarmee op grond van een omgevingsanalyse risico's op taal- en ontwikkelingsachterstanden kunnen worden aangegeven. Ook wordt als aanvullende informatie wel gebruikgemaakt van het Van Wiechenschema, een methode om de ontwikkeling van een kind te kwantificeren, die door consultatiebureaus wordt gebruikt bij baby's en peuters. In sommige gemeenten worden kinderen al op heel jonge leeftijd, meestal door consultatiebureaus geïndiceerd. In andere gemeenten gebeurt dit op latere leeftijd, bijvoorbeeld tijdens een wenperiode op een voorschool. In deze periode laten de leidsters de peuters eerst wennen en bepalen pas daarna op diagnostische gronden of een kind een doelgroepkind is of niet. Bij deze aanpak is de diagnose veel meer gericht op het feitelijk functioneren van het kind en op deze manier krijgen alleen de peuters die in de praktijk daadwerkelijk VVE nodig hebben een diagnose als 'doelgroepkind'.

Of een kind een (potentieel) doelgroepkind is, kan worden geregistreerd in het Integraal Dossier JGZ (ID-JGZ). Omdat de definiëring van doelgroepkinderen per gemeente verschilt kan het voorkomen dat er in een bepaalde gemeente relatief veel of juist weinig doelgroepkinderen zijn.

Kindplaatsen Kindplaatsen is het aantal plaatsen dat de gemeente voor doelgroepkinderen beschikbaar stelt. Aan kindplaatsen worden eisen gesteld die te maken hebben met de condities waaronder de voor- en vroegschoolse educatie wordt uitgevoerd. Het gaat dan over voorwaarden als de scholing van de VVE-leidsters en het aantal leidsters per groep.

Bereik Gemeenten en houders van peuterspeelzalen en kindercentra moeten zorgen voor een voldoende aanbod van VVE-kindplaatsen en zijn er verantwoordelijk voor dat deze kindplaatsen ook daadwerkelijk door doelgroepkinderen bezet worden. Bij de vaststelling van het bereik wordt gekeken naar zowel het aantal aangeboden als bezette VVE-kindplaatsen.

Omdat gemeenten (net als schoolbesturen) zelf de criteria voor de definiëring van hun doelgroepkinderen mogen vaststellen, kunnen er in een bepaalde gemeente relatief veel of juist weinig doelgroepkinderen zijn. Wanneer uitsluitend het leerlinggewicht wordt meegenomen in de definitie zal dit tot minder doelgroepkinderen leiden dan wanneer ook kinderen van allochtone ouders of kinderen met ontwikkelingsachterstanden worden meegenomen. Gemeenten die een ruime definitie hanteren, krijgen echter niet meer geld, omdat het Rijk voor de bekostiging uitgaat van de 'gewichten'-definitie. De betreffende gemeenten financieren deze andere doelgroepkinderen uit andere potjes. Bij het bepalen van het bereik van VVE moet daarom onderscheid gemaakt worden tussen de vraag of een gemeente voldoende VVE-plaatsen aanbiedt in relatie tot de VVE-bekostiging vanuit de 'gewichten'-definitie en de vraag hoeveel, door de gemeente gedefinieerde, doelgroepkinderen daadwerkelijk VVE krijgen. Deze 'vrijheid' van gemeenten en schoolbesturen heeft overigens tot consequentie dat een kind met bepaalde kenmerken in de ene gemeente wel tot de doelgroep kan worden gerekend en extra hulp krijgt, terwijl een kind met exact dezelfde kenmerken in een andere gemeente niet tot de doelgroep wordt gerekend en geen extra hulp ontvangt.

Toeleiding Het begrip toeleiding verwijst naar het proces waarin men zich inspant om zo veel mogelijk doelgroepkinderen te bereiken en naar kindplaatsen te leiden. Gemeenten hebben diverse mechanismen en activiteiten om de toeleiding te bevorderen. Dit is belangrijk aangezien peuters niet leerplichtig zijn en daarom niet gedwongen kunnen worden om vve te volgen. Er zijn echter wel 'drang'-middelen om peuters toe te leiden naar VVE.

Of de toeleiding naar VVE effectief is, blijkt uit het gerealiseerde bereik; hoeveel van de VVE-kindplaatsen worden ook daadwerkelijk bezet door doelgroepkinderen? Er zijn verschillende stappen die gemeenten kunnen zetten om de toeleiding naar VVE zo effectief mogelijk te maken. Daar hoort bijvoorbeeld bij of een gemeente weet welke groepen peuters onvoldoende worden bereikt en hoe een gemeente probeert om het non-bereik aan te pakken. Op basis van de GBA en het ID-JGZ wordt duidelijker welke (groepen) kinderen weinig of niet deelnemen aan voorschoolse educatie en wat de redenen van het non-bereik zijn. Op basis van deze informatie kan de gemeente bepalen hoe zij de toeleiding van deze kinderen alsnog effectiever kan maken. Daarnaast is het bijvoorbeeld van belang dat het toeleidingstraject goed in elkaar zit. Er zijn verschillende momenten waarop er contact kan zijn met ouders waarin zij geïnformeerd kunnen worden over VVE. Dit kan bijvoorbeeld op het consultatiebureau of door de wijkverpleegkundige. Op deze momenten kunnen ouders ervan overtuigd worden dat een voorschool voor hun kind een goede startpositie op kan leveren en dat het geen negatief stigma is.

Doorgaande lijn Het doorstromen van doelgroepkinderen van de voorschool naar de (bijbehorende) vroegschool, wordt aangeduid met de term 'doorgaande lijn'. Het gaat om een ononderbroken ontwikkelingsproces van doelgroepkinderen door het onderwijs. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de voorschoolse periode en de schoolbesturen voor het vroegschoolse deel is een nauwe samenwerking tussen die partijen van groot belang voor de doorgaande lijn van vve.

Voor een goede afstemming tussen voor- en vroegscholen is overdracht van leerlinggegevens nodig. Het systematisch observeren en registreren van de ontwikkeling van kinderen en de opbrengsten is hierin een eerste stap. De overdracht kan gebeuren met behulp van een doorlopend toets- en observatiesysteem of met een overdrachtsformulier. Ook een 'warme overdracht' van kindgegevens komt de doorgaande lijn ten goede. Dit wil zeggen dat leidsters van voorscholen in een overleg met leerkrachten van vroegscholen toelichting geven op toets- en observatiegegevens en deze gegevens aanvullen met waarnemingen over het kind.

In artikel 167 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) staat, zoals hierboven is uitgelegd, beschreven dat de burgemeester en wethouders van een gemeente minimaal jaarlijks overleggen met de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang om op deze manier zorg te dragen voor een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. Ook de verplichting tot overdragen van bepaalde gegevens om de doorstroom van kinderopvang of peuterspeelzaal naar de basisschool goed te laten verlopen staat vastgelegd in dit artikel. De gegevens die een houder van een kinderopvangcentrum of peuterspeelzaal verplicht overdraagt aan een basisschool over leerlingen die op de basisschool zijn ingeschreven, zijn het programma van voorschoolse educatie dat een kind heeft gevolgd en de duur van het programma dat is gevolgd. Houders van kinderopvangcentra of peuterspeelzalen maken afspraken met de basisscholen binnen een gemeente over de manier waarop deze gegevens worden overgedragen. In het wetsartikel is ook de bewaartermijn voor de overgedragen gegevens vastgelegd op twee jaar nadat het kind het kinderopvangcentrum of peuterspeelzaal heeft verlaten.

Leerlingvolgsysteem In 2008 is afgesproken dat schoolbesturen erop toezien dat bij de instroom in groep 1 op de basisschool informatie uit de voorschoolse periode opgenomen wordt in het leerlingvolgsysteem. Het gaat daarbij om gegevens over het aantal maanden dat een leerling VVE heeft gevolgd; het specifieke VVE-programma dat een leerling aangeboden heeft gekregen; en de uitkomsten van de toetsen en/of observaties van de ontwikkeling van een leerling. Deze afspraken zijn gemaakt in september 2008 tijdens de Agenda 'Focus op vroegschoolse educatie', een convenant tussen schoolbesturen, onderwijsvakorganisaties, de VNG en de staatssecretaris van OCW.