miniatuur|Marius Berliet (1911) miniatuur|De productie van legervoertuigen in de fabriek in Lyon miniatuur|De Berliet CBA voorzag het oorlogsfront bij Verdun in 1916 van nieuwe voorraden en werd tot 1932 geproduceerd miniatuur|Berliet Dauphine 11CV (ca. 1936) Berliet is een van de voorgangers van Renault Trucks en bussen.
Begintijd 1894-1905 Marius Berliet (1866-1948) stamde af van grootouders die boeren waren en wiens ouders het vak van zijdewever in zijdestad Lyon begonnen. Het was de bedoeling dat Marius het familiebedrijf zou voortzetten. Zijn passie ging echter meer uit naar het mechanische, het technische. Omstreeks 1890 dringen de berichten over de toen net uitgevonden verbrandingsmotor ook door in handelsstad Lyon. Marius was niet opgewassen tegen de verleiding zich ook met deze techniek bezig te houden. Het moest toch mogelijk zijn het paard voor de wagen te vervangen door een motor in de wagen. In 1893 begon hij met uitdenken en construeren van zijn eerste verbrandingsmotor. Dit werk resulteerde in 1894 in de eerste functionerende automobiel van de hand van Berliet. Achteraf gezien was het een bijna ongelofelijke prestatie die hij daarmee leverde: weinig ervaring, nauwelijks gereedschap en materialen en toch een verbrandingsmotor bouwen en aan de praat krijgen. Hij begon met automobielen met eencilindermotoren, in 1900 gevolgd door voertuigen met tweecilindermotoren. In 1902 nam Berliet de activiteiten van de constructeur Audibert et Lavirotte uit Lyon over en begon de constructie van modellen met viercilindermotoren voorzien van ‘honingraat-radiateurs’ en een dragende constructie van metaal in plaats van (het toen gebruikelijke) hout. In 1905 wenste het bedrijf ‘American Locomotive Company’ - tot dat moment fabrikant van uitsluitend locomotieven - automobielen te ontwikkelen en fabriceren. Dit bedrijf deed Berliet een bod op zijn chassisontwerp omdat deze constructie bijzonder robuust was. Het geld dat hij met deze verkoop verdiende stak Marius Berliet in uitbreiding van het bedrijf. Tegelijkertijd is deze transactie de herkomst van de gestileerde Amerikaanse stoomlocomotief in het beeldmerk van Berliet. Vóór de Eerste Wereldoorlog beschikte Berliet over een modellengamma met vermogens tussen de 8 en 60 pk. Het merendeel van de modellen was voorzien van een viercilindermotor (2412 cm³ en 4398 cm³) en er was ook een versie met 9500 cm³ verkrijgbaar.
1910-1920 Van 1910 tot 1912 produceerde Berliet een model met 12 pk en 1539 cm³ cilinderinhoud. Vanaf 1912 produceerde de fabrikant de modellen met zescilindermotoren alleen nog op bestelling. Het was ook in 1912 dat een auto van het merk Berliet de rally van Monte Carlo won. In 1913 was Berliet in staat de productie op te voeren tot 3500 eenheden per jaar in de fabriek te Monplaisir. Gedurende de Eerste Wereldoorlog produceerde Berliet, net als Renault en Latil, vrachtauto’s voor het Franse leger. In 1916 verlieten 40 voertuigen per dag de fabrieken van Berliet. Deze auto’s hadden een laadvermogen van 4 en 5 ton. In totaal dienden 2500 exemplaren van het type CBA het Franse leger aan het front in de Eerste Wereldoorlog. Tegelijkertijd fabriceerde Berliet ook granaten. Het personeelsbestand groeide tot 3500 personen. Na de Eerste Wereldoorlog opende Berliet een fabriek in Vénissieux (tegenwoordig stadsdeel van Lyon) en produceerde modellen met 12 CV (2613 cm³), 15 CV (3308 cm³) en 22 CV (4398 cm³). Het eerste model VB was een exacte kopie van een Dodge en werd met 100 eenheden per dag geproduceerd. ‘CV’ = Chevaux, letterlijk ‘Paarden’ staat voor fiscale pk’s, die cilinderinhoud weergeven waarbij 1 CV = ± 200 cc.
1921-1939 In 1921 had Berliet financiële problemen en werd hij onder curatele gesteld. Een nieuwe 7 CV (1159 cm³) verscheen in 1924. Nieuwe zescilinders volgden in 1927. Vanaf 1933 produceerde Berliet uitsluitend nog motoren met vier cilinders (1600 en 2000 cm³). Het laatste model personenauto wat Berliet produceerde is het model ‘Dauphine’ (‘Kroonprinses’), in productie vanaf 1936, gemotoriseerd met een 2-litermotor en gebruik makend van carrosseriedelen van de Peugeot 402. In 1939 beëindigde Berliet de productie van personenauto’s.
Vrachtwagens en autobussen 1906 In 1906 introduceert Berliet een vrachtwagen met frontstuurcabine, een viercilinder benzinemotor, kettingaandrijving en een nuttig laadvermogen van 2 ton. In 1908 omvatte het gamma voertuigen met 1,5 tot 5 ton nuttig laadvermogen. In 1914 voegde het bedrijf een vrachtwagen met frontstuurcabine met een nuttig laadvermogen van 6 ton aan het aanbod toe. In 1930 experimenteerde Berliet met een dieselmotor in het model ‘CBA’. In 1933 introduceerde Berliet een nieuw model, de CD2, met dieselmotor en voorzien van een klassieke overbrenging. In 1939 reikte het nuttig laadvermogen van 12 tot 15 ton, al naargelang het model.
1945 Na de Tweede Wereldoorlog hield Berliet alleen de productie van vrachtwagens over, waarmee de fabriek zeer succesvol was op de markt voor voertuigen met een totale massa (ledig voertuig plus laadvermogen) van 3,5 ton en meer. Vooral met de thans legendarische modellen ‘long nez’ (‘lange neus’) GLR, GBH of TLM en GBC, actief op alle bouwplaatsen en wegen in Frankrijk of op weg om de ‘woestijnpistes’ in Frans-Afrika te veroveren. Ook verlieten veel brandweervoertuigen de poorten van Berliet, dat deze voertuigen in de regel deed afbouwen door zijn dochterbedrijf CAMIVA en welke lange jaren de Franse brandweerkazernes bevolkten (model ‘K’ en vooral ‘GAK’). Verder staan Berliet-bussen gegrift in de geheugens van vele generaties Franse scholieren uit die tijd.
1949 Paul Berliet (geboren in 1918) volgt in 1949 zijn vader Marius Berliet op in de functie van Président Directeur Général (‘PDG’) van het bedrijf. Hij zou de familie-traditie voortzetten en het familiebedrijf Berliet binnenloodsen in het staatsbedrijf Renault - min of meer gedwongen door de omstandigheden en de politiek.
1950 miniatuur|Berliet GLR miniatuur|Berliet GCB 8KT In 1950 introduceert Berliet de GLR, een model met normaalstuurcabine, een 7,9 liter vijfcilinder dieselmotor met 125 pk, een vijfversnellingsbak, luchtremmen geschikt voor diverse soorten opbouw: kipper, tank of gesloten opbouw en met maximum PTAC van 15,5 ton. PTAC staat voor Poids Total Autorisé en Charge – maximaal voertuiggewicht in beladen toestand.
1951 Vanaf 1951 biedt het de GLB5 aan, een frontstuurconstructie met een viercilinder, 5 liter, 75 en 80 pk dieselmotor van het merk Ricardo Comet met een vierversnellings handschakelbak, luchtremmen, een wielbasis tussen de 2,70 en 3,65 en tussen de 9,8 en 10,5 ton PTAC. Tegelijkertijd introduceert Berliet de GLC, verkrijgbaar met twee (100 en 120 pk), 6,32 liter viercilinder dieselmotoren ter keuze en een versie met een 125 pk 7,9 liter vijfcilinder dieselmotor, een handgeschakelde vijfbak, luchtremmen en tussen de 11,5 en 14,5 ton PTAC. Voor de export naar Afrika werd de GLC uitgerust met een speciaal pakket, een wit dak, zonnescherm en voorruiten die geopend konden worden, met de naam Tropic.
1952 Gebouwd tussen 1952 en 1963 is dit het eerste Berliet-busmodel met een horizontaal gelegen ‘underfloor’-motor. Zoals bijna al zijn tijdgenoten werd dit voertuig als één model aangeboden in zowel een stads- als een streekversie. De bus had al naargelang de keuze van de exploitant een vijf- of een zescilindermotor. Maximumsnelheid: 60 km/h. Motor: zescilinder Berliet mh620/40. Vermogen: 180 Ch SAE. Versnellingsbak: Wilson semi automaat.
1953 In 1953 ontwikkelde Berliet een nieuwe dieselmotor met de aanduiding MDZ. Deze had 6 cilinders, 9,5 liter zuigerverplaatsing en tussen de 150 en 180 pk. Deze motor werd gemonteerd in het normaalstuurmodel met de naam TLR10, met twee soorten versnellingsbak (met 5 of 8 versnellingen), luchtvering en slaapcabine als optie. De TLR10 werd in de jaren 1953–1958 geproduceerd als chassis met een PTAC van 18 ton en als trekker met een PTRA tussen de 26 en 32 ton. PTRA is poids total roulant autorisé ofwel de totale massa van trekker plus oplegger/aanhanger. Ook de serie GLM 10 - met een tienversnellingsbak en 19 ton PTAC - beschikte over een MDZ-motor en werd tot 1972 geproduceerd.
1956 In 1956 lanceerde het bedrijf de serie GBO met een 15 liter MDO-diesel met tussen de 200 en 320 pk en twee typen versnellingsbakken (type FBOTP met vijf of 20 versnellingen), luchtvering en verkrijgbaar als 6x4 en 6x6. Dit voertuig werd vooral ingezet bij de bouw van stuwdammen, autosnelwegen, havens en raffinaderijen. Als chassis had dit model 45 ton PTAC en als trekker 60 ton PTRA als specificatie.
Speciale voertuigen: de T100, een legende miniatuur|Berliet T100 1957 In 1957 introduceerde Berliet een model vrachtwagen, speciaal toegesneden op de behoeften op de ‘Sahara bouwplaatsen’: de T100, Het was destijds de grootste vrachtauto ter wereld en er zijn maar vier exemplaren gemaakt. Het had een cabine met vier zitplaatsen, een VT 12 Cummins-diesel en twee turbocompressors van 29,61 L, een vermogen tussen 600 en 700 pk, stuurbekrachtiging door middel van een kleine personenautomotor (van het merk Panhard, om stuurbekrachtiging ook bij stilstaande hoofdmotor mogelijk te maken), bladvering met hydraulische schokdempers van het merk Messier, een semi-automaat van het merk Clark (4 versnellingen voorwaarts en 4 achterwaarts). Het geheel stond op Goodyear-banden van de maat 37,5 x 33R (1 bij 2,40 m), had schijfremmen van het merk Messier (bestemd voor vliegtuigen), een sperdifferentieel en twee brandstoftanks van 950 liter elk en was leverbaar als 6x4 en 6x6. Afmetingen van het voertuig: lengte: 15,30 m, breedte: 4,98 m, hoogte: 4,43 m en een draaicirkel van 13,20 m met een maximumsnelheid van 34 km/h. De T100 was bestemd voor de exploitatie van olievelden in de Sahara als chassis met een PTAC van 103(!) ton.
1959 In 1959 werd het derde exemplaar T100 geproduceerd als kipper met 155 ton PTAC met een kiepbak van het merk Marrel. Deze was bestemd voor een uraniummijn in dagbouw te Bessines in het departement Haute-Vienne. De Berliet T100 N°4 Tulsa werd geproduceerd met een frontstuurcabine met vijf zitplaatsen en geïntegreerde slaapplaats. Het voertuig had een breedte van 4,80m, met zes (!) ruitenwissers en een voorruit in drie (!) delen, een versnellingsbak (met 8 versnellingen én 8 versnellingen achterwaarts !), voorzien van een lier van het merk Garwood achter de cabine, met de afmetingen: 12,662 m lengte, 3,98 m hoogte, wielbasis 5,05 m, als 6x6 chassis met een PTAC van 102 ton en een versie als trekker met 190 ton PTRA. Aanvankelijk was dit voertuig gemotoriseerd zoals de andere T100’en, later heeft Berliet bij wijze van experiment een helikoptermotor gemonteerd van Turboméca (1000 pk bij 2400 tpm). Het brandstofverbruik van deze motor was dusdanig hoog dat men het experiment snel afblies. Alleen de T100 n°2 bestaat tot op de dag van vandaag (2009).
miniatuur|Berliet GAK (1963), het model werd in 1958 op de markt gebracht
Van 1958 tot 1966 miniatuur|Laatste logo van Berliet, geïntroduceerd in 1959 1958 In 1958 introduceerde de onderneming de modellenreeks GAK, een vrachtauto met frontstuurcabine met Perkins-diesel (6 cilinders, 4,73 liter, 89 pk, een handgeschakelde vijfbak, luchtremmen en totaal voertuiggewicht van 8,5 ton als trekker/oplegger-combinatie (‘PTRA’)). Ook in 1959 lanceerde de firma haar nieuwe cabine voor zowel normaal- als frontstuurcabines met de naam Relaxe.
1958 Berliet opende in die tijd twee fabrieken, één in Marokko en een jaar later in Algerije. De Algerijnse vestiging zou later in Algerijnse overheidshanden geraken en in die hoedanigheid omgevormd worden tot fabriek waar Berliet (voertuig) en Deutz (luchtgekoelde motoren) de componenten voor mochten leveren.
1960 In 1960 opende Berliet fabrieken in Spanje en Portugal.
1961 In 1961 introduceerde Berliet drie vrachtwagenmodelreeksen: