Scutellosaurus is een monotypisch geslacht van uitgestorven ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Thyreophora, dat tijdens het Vroeg-Jura leefde in het gebied van huidige Noord-Amerika. De enige benoemde soort is Scutellosaurus lawleri.

Vondst en naamgeving In 1971 vond de geologiestudent David Lawler, ten onrechte door sommige bronnen aangeduid als 'Douglas Lawler', bij Rock Head op het West Moenkopi Plateau van Coconino County, Arizona, de resten van een dinosauriër.

De typesoort Scutellosaurus lawleri werd in 1981 benoemd en beschreven door Edwin Harris Colbert. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijn scutellum, 'klein schild', een verwijzing naar een pantser bestaande uit vele kleine beenplaatjes. De soortaanduiding eert Lawler.

Het holotype MNA Pl. 175 is gevonden in een laag van de Silty Facies Member van de Kayentaformatie, die wellicht dateert uit het vroege Pliensbachien, ongeveer 190 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel en onderkaken. Bewaard zijn gebleven: stukken van de premaxillae inclusief uitgekomen tanden; twee stukken van het rechterbovenkaaksbeen met in één ervan, gedeeltelijk bedekt door stukken van de neusbeenderen, zeven uitgekomen tanden; het linkerbovenkaaksbeen met vijf tanden; een mogelijke processus paroccipitalis van het achterhoofd; een voorste stuk van het linkerdentarium van de onderkaak met achttien tanden; een voorste stuk van het rechterdentarium met tien tanden; eenentwintig wervellichamen van halswervels en ruggenwervels; losse wervelbogen van deze wervels; achtenvijftig staartwervels; chevrons; talloze stukken rib; de bijna volledige schoudergordel, echter zonder de bovenkanten van de schouderbladen; beide opperarmbeenderen; de onderkant van het rechterspaakbeen; beide uiteinden van het linkerspaakbeen en de linkerellepijp; elementen van beide handen; stukken van beide darmbeenderen, schaambeenderen en zitbeenderen; beide dijbeenderen; het rechterscheenbeen met het rechtersprongbeen; het linkerscheenbeen, de onderkanten van beide kuitbeenderen; een mogelijk onderste tarsale; elementen van beide voeten; en ruim driehonderd pantserplaatjes. Het gaat vermoedelijk om een onvolwassen exemplaar.

Colbert wees ook een paratype aan, specimen MNA Pl.1752, dat in dezelfde formatie maar op een iets andere locatie, Gold Spring Wash, was aangetroffen. Dit bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel en omvat vier prescrale wervels, twee sacrale wervels, vierenveertig staartwervels, delen van de schoudergordel en het bekken, en elementen van de voorste en achterste ledematen.

In 2000 werden aanvullende vondsten gemeld. De belangrijkste daarvan is specimen UCMP 130580, een gedeeltelijk skelet met een veel vollediger schedel dan het holotype. Daarnaast bestaat het nieuwe materiaal uit de specimina UCMP 170829: een gedeeltelijk skelet bestaande uit een voorhoofdbeen en delen van de voorpoten en achterpoten; en UCMP 130581, UCMP 175166, UCMP 175167 en UCMP 175168: losse botten waaronder opperarmbeenderen. In 2009 wees Sterling Nesbitt nog de specimina TMM-43687-16; MCZ 8592 en MCZ 8799 toe. In 2020 werden door Benjamin Breeden III nog eens zesenveertig individuen toegewezen gevonden tussen 1997 en 2000, waaronder twee vrij complete skeletten. Ongeveer zeventig procent van het skelet zou nu bekend zijn. in 2021 werden deze in meer detail beschreven.

De toegewezen specimina in 2021 waren MNA.V.3133, MNA.V.3137, MNA.V.12395, UCMP 130580, UCMP 170829, UCMP 130581, UCMP 175166, UCMP 175167, UCMP 175168, MCZ VPRA-8792, MCZ VPRA-8793, MCZ VPRA-8794, MCZ VPRA-8795, MCZ VPRA-8796, MCZ VPRA-8797, MCZ VPRA-8798, MCZ VPRA-8799, MCZ VPRA-8800, MCZ VPRA-8801, MCZ VPRA-8802, MCZ VPRA-8803, MCZ VPRA-8804, MCZ VPRA-8805, MCZ VPRA-8806, MCZ VPRA-8808, MCZ VPRA-8810, MCZ VPRA-8820, TMM 43647-7, TMM 43647-8, TMM 43647-11, TMM 43647-12, TMM 43648-13, TMM 43656-2, TMM 43656-3, TMM 43656-5, TMM 43661-1, TMM 43663-1, TMM 43664-1, TMM 43664-2, TMM 43669-5, TMM 43669-6, TMM 43669-11, TMM 43670-5, TMM 43670-7, TMM 43670-8, TMM 43687-9, TMM 43687-13, TMM 43687-16, TMM 43687-17, TMM 43687-22, TMM 43687-42, TMM 43687-50, TMM 43687-57, TMM 43687-75, TMM 43687-81, TMM 43687-96, TMM 43687-112, TMM 43687-114, TMM 43687-115, TMM 43687-116, TMM 43687-121, TMM 43687-122, TMM 43687-123, TMM 43687-124, TMM 43690-6, TMM 43691-18, TMM 43691-20, TMM 45608-3, TMM 45609-4, TMM 45609-5, TMM 45609-6 en TMM 47001-1.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Scutellosaurus in grootte vergeleken met een mens Scutellosaurus is een vrij kleine soort. In 2010 schatte Gregory S. Paul de lichaamslengte op 1,3 meter, het gewicht op drie kilogram. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat het holotype nog onvolgroeid was.

De algemene bouw van Scutellosaurus is die van een tweevoeter. De staart is extreem lang en beslaat twee derden van de lichaamslengte. Kennelijk diende die om het lichaam in evenwicht te houden tijdens het rennen. Dat er een goed vermogen tot rennen was, blijkt ook uit de ranke achterpoot met een verlengd onderbeen. Dat de bouw gericht was op het bereiken van een hoge maximumsnelheid lijkt in tegenspraak met de bepantsering. Dit is wel verklaard door aan te nemen dat de lange staart alleen diende om dat pantser in evenwicht te houden. Dat is echter onwaarschijnlijk omdat de staart zelf ook pantserplaten droeg en dit op zichzelf het romppantser meer dan gecompenseerd zou hebben. Een andere verklaring ligt in de vorm van de voorpoten. De vroegste bekende Ornithischia konden al op hun voorpoten steunen. Die van Scutellosaurus zijn nog wat langer. Colbert meende dat het dier facultatief op vier poten kon lopen. Hoewel latere onderzoekers dat weer zouden betwijfelen, duiden de robuuste armen op een vierpotige houding tijdens het eten. De tragere vlucht bij gevaar die hier het gevolg van was, kan dan gecompenseerd zijn door een lichaamspantser. In 2023 bevestigde een studie dat Scutellosaurus voornamelijk een tweevoeter was die alleen in speciale gevallen een viervoetige houding aannam. Latere verwanten zouden het vermogen tot rennen helemaal verliezen en zich allereerst gaan verdedigen met pantserelementen. Overigens zal het pantser bij Scutellosaursu maar een klein deel van het totale gewicht uitgemaakt hebben; zelfs bij zware Ankylosauria beliep het aandeel naar schatting slechts een tiende deel.

Het is, gezien de basale positie van Scutellosaurus in de stamboom van de Thyreophora, niet eenvoudig onderscheidende kenmerken vast te stellen. De oorspronkelijke diagnose van Colbert is nu verouderd. In 2008 gaf Richard Butler twee autapomorfieën aan: de voorbladen van de darmbeenderen strekken zich ver naar voren uit terwijl ze naar elkaar toe buigen; de staart bestaat uit minstens achtenvijftig wervels. In 2020 werden aanvullende autapomorfieën vastgesteld. De voorhoofdbeenderen zijn smal en langwerpig, tweemaal langer dan breed. De voorste staartwervels hebben doornuitsteeksels die meer dan de helft hoger zijn dan de wervellichamen. Het opperarmbeen is aanzienlijk langer dan het schouderblad. Het schouderblad is relatief kort en breed. Nog een mogelijke autapomorfie is het bezit van zes premaxillaire tanden; dit zou echter direct geërfd kunnen zijn van een voorouder gedeeld met Lesothosaurus hoewel de fylogenetische analyse dit niet als uitkomst heeft en alleen zo'n analyse vormt het bewijs van hun aanwezigheid: ze zijn niet in een fossiel aangetroffen.

In 2021 werden vier autapomorfieën gegeven. De voorhoofdsbeenderen zijn extreem smal, meer dan 350% langer dan de breedte tussen de oogkassen gemeten. De facetten voor de wervelboog van de atlas lopen door over het tandvormig uitsteeksel. De halswervels hebben opvallende en ruw kielen aan de onderzijde. Het voorblad van het darmbeen is verticaal laag waarbij de bovenrand en onderrand naar binnen uitlopen.

Skelet thumb|upright=1.7|Een skeletdiagram door Jaime Headden Schedel en onderkaken De schedel van Scutellosaurus werd oorspronkelijk door Colbert vrij bol gereconstrueerd, vanuit de gedachte dat het een 'primitieve' ornithischiër betrof. Tegenwoordig wordt de kop als matig verlengd gezien met een platte bovenkant en een in zijaanzicht spitse snuit. Het bovenkaaksbeen is een lage driehoek waarvan het achterste twee derden deel ondiep uitgehold is als een fossa voor een schedelopening, de fenestra antorbitalis. De binnenkant van het bovenkaaksbeen is bol gewelfd. De bovenrand is bol en raakt de onderkant van een lange holle zijrand van het neusbeen. Er zijn minstens tien maxillaire tanden. Boven de binnenste zijkant van iedere tandkas is er een putje waarvan het bot geresorbeerd wordt als het tijd is voor het uitkomen van de volgende vervangingstand.

De onderkaak is recht en plat met een laag verticaal uitsteeksel, processus coronoides, aan de achterkant. De buitenste zijkant toont enkele grote ovale foramina en een rij van een vijftiental kleine aderkanalen. Er zijn vermoedelijk achttien dentaire tanden. De onderste binnenkant heeft een lange horizontale groeve, de fossa Meckeliana. Het eivormige samengroeiingsvlak van de onderkaken is wat omhoog gedraaid. Er is geen spoor van een predentarium, de beenkern van de ondersnavel. De maxillaire en dentaire tanden hebben drie tot vier vertandingen op iedere snijrand.

Postcrania Wervelkolom De wervelkolom van Scutellosaurus bestaat uit zes of zeven halswervels, zeventien of achttien ruggenwervels — het aantal hangt af van de keuze een cervicodorsale wervel al dan niet als ruggenwervel te betitelen — vijf sacrale wervels en een zestigtal staartwervels. Bij deze indeling moet men bedenken dat de wervels van het holotype niet in verband zijn gevonden en hun ordening door Colbert dus het karakter van een hypothese draagt. Alle wervels zijn amficoel: hun wervellichamen hebben zowel voor als achter een hol vlak.