De Britse Mark I , was de eerste tank die werkelijk werd ingezet op het slagveld; op 15 september 1916 deden 49 machines van dit type mee aan een aanval bij Flers tijdens de Slag aan de Somme.

Om de impasse, waarin de Eerste Wereldoorlog was geraakt, te doorbreken zochten alle betrokken partijen koortsachtig naar nieuwe wapens. Het Britse leger had als eerste een werkende machine gereed voor inzet. Van de in totaal 49 machines die op de eerste dag werden ingezet, haalden slechts 39 de frontlijn en het merendeel hiervan werd al snel door de Duitsers uitgeschakeld. De Mark I werd binnen een jaar opgevolgd door betere typen (Mark II, Mark IV) en ook het Franse en Duitse leger kwamen in respectievelijk 1917 (Schneider) en 1918 (A7V) met een dergelijk wapen.

Achtergronden Al ruim voor de Eerste Wereldoorlog hadden verschillende militairen de ontwikkeling bepleit van gepantserde rupsvoertuigen als een logisch uitvloeisel van de vervanging van spierkracht door machinekracht. Vanwege de hoge kosten had echter geen enkel leger zelfs maar een prototype vervaardigd. Op een heel geleidelijke wijze evolueerden commerciële legervrachtauto's in pantserwagens toen de troepen om zich te beschermen hun voertuigen voorzagen van geïmproviseerde pantserplaten. Vrachtautofabrieken begonnen daarna (vanaf 1902) speciale pantserwagens te produceren. Deze pantserwagens waren maar beperkt bruikbaar op het slagveld door hun geringe terreinvaardigheid. thumb|300px|De Hornsby 1909 War Office Tractor, een rupsbandtractor met benzine-paraffinemotor; dergelijke tractoren deden bij velen onafhankelijk het idee opkomen van pantserrupsvoertuigen

In 1914 gebruikten alle partijen vanaf het begin van de oorlog dit soort pantserwagens, zo ook de Britten. Toen de fronten nog in beweging waren, bewezen ze hun nut. Maar al snel verzandde de strijd in een loopgravenoorlog. Op 19 oktober 1914 kwam een Britse officier, majoor Ernest Dunlop Swinton, op het idee om gepantserde rupstractoren gepantserde sledes vol soldaten over de vijandelijke loopgraven heen te laten trekken. Op de mogelijkheid rupstractoren voor oorlogsdoeleinden te gebruiken was hij in juli 1914 al gewezen door een bevriende Zuid-Afrikaanse ingenieur, Hugh Marriott. Onafhankelijk van hem kwam in 1915 de Franse kolonel Estienne op precies dezelfde gedachte. Swinton stuurde een nota aan zijn functioneel superieur, luitenant-kolonel Maurice Hankey. Hankey probeerde eerst informeel Lord Kitchener, toen Minister van Defensie, te polsen, maar die toonde weinig belangstelling. Hij stuurde daarop eind december een memorandum aan het Committee of Imperial Defence, waar hijzelf de secretaris van was, met als lid de First Lord of the Admiralty Winston Churchill. Hierin stelde hij de bouw van een gigantische stalen roller voor, voort te duwen door een rupstractor, waarachter soldaten veilig konden oprukken. Churchill schreef op 5 januari 1915 op zijn beurt weer een nota aan premier Herbert Asquith, waarin hij de vaste verwachting uitsprak dat de Duitsers weldra met een soortgelijk wapen zouden komen (iets waarvoor overigens niet het minste bewijs bestond). Verontrust beval Asquith veldmaarschalk Kitchener een commissie in het leven te roepen, het Inventions Committee onder leiding van generaal Scott-Moncrieff (de directeur fortificaties), die de ontwikkeling van pantservoertuigen moest bestuderen.

Op 17 februari 1915 testte het leger Swintons voorstel door bij Shoeburyness een Amerikaanse Holt-tractor een zwaar beladen stalen bak door de modder te laten voorttrekken. Kapitein Tom Tulloch had hierbij de directe leiding gekregen omdat hij zelf al in 1911 een (afgewezen) voorstel had gedaan een tank te ontwikkelen. Het experiment, Trojan Horse genoemd, mislukte echter volkomen en met een zekere opluchting kwam men tot de conclusie dat pantservoertuigen onbruikbaar waren. Achttien dagen eerder was Eugène Brillié, hoofdingenieur van het Franse Schneider, bij het bekijken van dezelfde tractor tot de tegengestelde slotsom gekomen en had de ontwikkeling gestart van de eerste Franse tank. Even leek het erop dat de Fransen de tankrace zouden gaan winnen.

Eerste projecten thumb|300px|Het Pedrail Landship, zoals gebouwd bij Stothert & Pitt te Bath

thumb|300px|De gepantserde Killen-Strait thumb|300px|Twee gekoppelde Bullocktractoren; het geheel heeft zichzelf vastgewerkt in een loopgraaf Churchill was echter niet van plan zich hierbij neer te leggen. Als het leger niet verder wilde, zou de marine alleen opstomen. Hij richtte op 20 februari het Landship Committee op, onder voorzitterschap van een uiterst verbaasde Eustace Tennyson Henry William d'Eyncourt, de directeur marinescheepsbouw, die eerst niet kon begrijpen wat dit alles met zijn organisatie van doen had. Een belangrijk medewerker was de secretaris, luitenant Albert Gerald Stern (1878-1966), in het burgerleven een invloedrijk bankier. Ook maakte fabrikant William Ashbee Tritton deel uit van het gezelschap: Churchill kende hem van een eerder plan voor een bruggenleggende tractor. De commissie hoefde niet op zoek naar nieuwe ideeën. Die waren al aangeleverd uit een heel onverwachte hoek: de Royal Naval Air Service. Toen de Britse marineluchtvaartdienst namelijk vliegvelden in Noord-Frankrijk in gebruik nam, stuurde ze een contingent pantserwagens mee ter bescherming en om neergekomen piloten op te pikken. Stern was in december begonnen met het verbeteren van die pantserwagens. Officieren van dit onderdeel werden door de gevechtshandelingen geïnspireerd tot het maken van allerlei onconventionele plannen.

Commandeur Thomas Hetherington had al op 17 februari voorgesteld een "landslagschip", het Big Wheel Landship, te construeren in de vorm van een gigantische driewieler met wielen van 40 voet doorsnee. Het geval van dertig meter lengte en 300 ton gewicht (door een pantsering van 76 mm rondom) moest voorzien worden van drie gevechtstorens, ieder bewapend met twee 102 mm kanonnen en voortgestuwd worden door een 800 pk duikbootmotor. Natuurlijk moest ook hij meteen lid worden van de commissie. Churchill keurde de bouw van zes prototypes goed, zij het dan in verkleinde vorm met wielen van 15 voet, daar voorlopige berekeningen hadden aangetoond dat het gewicht anders eerder rond de 1000 ton zou komen te liggen. Fosters, het bedrijf van Tritton te Lincoln bouwde een houten model op ware grootte, dat iedereen ervan overtuigde dat het toch niet zo'n goed plan was. Begin juni werd de ontwikkeling stopgezet. Wonderlijk genoeg voltooide in augustus 1915 Rusland echter wel de bouw van een soortgelijk prototype: de "Tsaartank".

Kapitein Murray Sueter stelde op 4 maart voor een voertuig te ontwikkelen gebaseerd op de Pedrail tractor van het merk Diplock, een machine met één enkele brede rupsband in het midden. Op 26 maart keurde Churchill de bouw van 12 prototypes goed. De feitelijke ontwikkeling werd in handen gelegd van kolonel R.E.B. Crompton (1845-1940) en luitenant Walter Gordon Wilson (1873-1956), beide ervaren ingenieurs. Wilson had in 1906 de Armstrong-Whitworth pantserwagen ontwikkeld. Crompton was al als hoofdingenieur bij het hele project betrokken omdat het vierde lid van het Landship Committee, kolonel Dumble, hem in januari gevraagd had een soort beweegbaar fort rond een tractor te ontwerpen, dat het mogelijk moest maken vijandelijke loopgraven van boven te bestormen door er het fort bovenop te zetten. Crompton kwam al in maart tot de conclusie dat de Britse Pedrail volslagen ongeschikt was. Het chassis was te lang en de motor te zwak. Hoewel de ontwikkeling van een Pedrail-voertuig langzaam doorging en uitmondde in een (nooit voltooid) prototype van een 32 ton vlammenwerper, probeerde Crompton een andere basis te vinden. Hij zond luitenant George Field naar de Verenigde Staten om er een fabrikant te vinden die bereid was grote aantallen rupsbanden te leveren - men was op dat moment niet van plan ze zelf in licentie te produceren. Holt liet weten dat hun orderboekje al voor jaren vol zat. Door deze toevallige samenloop van omstandigheden zouden de eerste Britse tanks, anders dan de Franse en Duitse, niet op de Holt-tractor gebaseerd zijn.

Het lukte Field echter wel om twee andere fabrikanten te vinden. Eind maart stuurde hij de Killen-Strait rupstractor op. Op zichzelf te klein om verder te ontwikkelen, werd dit voertuig gebruikt voor allereerste proefnemingen in terreinvaardigheid en het vermogen pantserplaten te dragen. Het kan in de laatste vorm, voorzien van de pantseropbouw van de Delauny-Belleville pantserwagen, gezien worden als het allereerste gepantserde rupsvoertuig en wordt als zodanig vermeld in het Guinness Book of Tank Facts and Feats. De andere fabrikant was de Bullock fabriek te Chicago, die één enkele tractor aan een Engels bedrijf geleverd had. Crompton bekeek die op 28 april en liet toen via Field twee Bullock Creeping Grip Caterpillar tractoren bestellen, hoewel de laatste waarschuwde dat de kwaliteitsstandaard bij Bullock erbarmelijk was. Die waren op zich nog steeds te klein, maar door de voertuigen aan elkaar te koppelen, kon toch het vereiste overschrijdingsvermogen verkregen worden. Op 10 mei werden er twee paar extra lange rupsbanden besteld om desnoods het loopwerk te verlengen. De tractoren kwamen op 16 juni in Engeland aan; de rupsbanden op 3 augustus.

Begin juli begon het War Office zich met de zaak te bemoeien. Tenslotte was het het leger en niet de marine dat met de dingen zou moeten vechten - en het leger zou dus wel bepalen hoe ze eruit kwamen te zien. Het Inventions Committee was midden juni nieuw leven ingeblazen en kwam nu naar buiten met een lijst specificaties. Crompton kreeg het bevel af te zien van infanterietransport (zijn eerste ontwerpen waren het idee van een beweegbaar fort nog niet ontgroeid) en alle klemtoon te leggen op de bewapening. Koepels met kanonnen moesten worden aangebracht. Crompton probeerde dit met zijn bestaande ontwerpen te integreren, maar het lukte hem niet tot een bevredigende oplossing te komen. Sueter, die al bezig was met de training van bemanningen, raakte ongeduldig - zo ongeduldig dat hij een zekere luitenant MacFie 700 pond gaf om een alternatieve tank te ontwikkelen bij fabrikant Nesfield, een project dat echter in onderlinge ruzie eindigde. Op zijn aandringen besloot op 22 juli 1915 het Landship Committee de ontwikkeling van een enkelvoudig voertuig, te baseren op een verlengde Bullock rupstractor, op te dragen aan Fosters, het bedrijf van William Tritton, onder toezicht van luitenant Wilson. Op 5 augustus ging Stern ertoe over de bejaarde Crompton (geboren in 1845 had hij nog als cadet deelgenomen aan de Krimoorlog) al het werk uit handen te nemen. Tezelfdertijd werden op bevel van Asquith de beide commissies samengevoegd tot het Experiments Committee. Churchill was eigenlijk opgelucht dat het leger "zijn" project overnam, want door het mislukken van het Dardanellenoffensief waren zijn dagen als marineminister geteld: weldra zou hij als bataljonscommandant naar het front in Vlaanderen gaan. Kolonel Crompton was echter verbitterd, en bleef doorgaan met het (vruchteloos) ontwerpen van tanks: zijn zogenaamde Emplacement Destroyers.

Little Willie thumb|300px|De Nº 1 Lincoln Machine ofwel Little Willie in zijn oorspronkelijke vorm, nog met de Bullockophanging thumb|300px|Little Willie, het eerste voltooide tankprototype uit de geschiedenis