thumb|300px|Sterk vereenvoudigde voorstelling van de menselijke evolutie De evolutie van de mens is het biologische proces waardoor de moderne mens is ontstaan uit eerder levende primaten, en is onderwerp van studie van meerdere wetenschappelijke disciplines. De paleoantropologie, antropologie en de genetica, alle drie ressorterend onder de biologische antropologie, zijn hierbij de belangrijkste. Het begrip mens, in de context van de menselijke evolutie, verwijst naar het geslacht Homo, dat deel uitmaakt van de familie Hominidae (mensachtigen). Het onderzoek naar de menselijke evolutie omvat meestal ook de andere Hominidae, zoals de gorilla's, chimpansees en de Australopithecus.

Evolutionaire geschiedenis vóór het ontstaan van het geslacht Homo De evolutionaire geschiedenis van de primaten gaat, op grond van vondsten van fossiele botresten, zo'n 60 miljoen jaar terug. De primaten vormen een van de oudste overlevende zoogdiergroepen. De meeste paleontologen denken dat de primaten een gemeenschappelijke voorouder hebben met de vleermuizen, een andere zeer oude evolutionaire lijn, en dat deze voorouder samenleefde met de laatste dinosauriërs, gedurende het late Krijt.

De oudst bekende fossiele primaten komen uit Noord-Amerika, maar ze kwamen ook wijdverspreid voor in Eurazië en Afrika, gedurende de tropische klimaatomstandigheden van het Paleoceen en Eoceen. De primaten stierven bijna overal uit, met een afkoeling van het klimaat, waarbij het eerste Antarctische ijs werd gevormd, in het vroege Oligoceen, ongeveer 40 miljoen jaar geleden. In Afrika en Zuid-Azië wist een minstens 55 miljoen jaar geleden afgesplitste tak van de primaten zich echter te handhaven, en uit deze overlevende, tropische populaties kwamen alle huidige soorten primaten voort, te weten de: lemuren van Madagaskar, loriachtigen van Zuidoost-Azië, galago's of "bush babies" van Afrika en de antropoïden, zoals de breedneusapen: de apen van de Nieuwe Wereld en de smalneusapen: de apen uit de Oude Wereld, de mensapen en de mensen

De vroegst bekende fossiele smalneusaap is Kamoyapithecus, uit het Priabonien, gevonden bij Eragaleit in de noordelijke Keniaanse Grote Slenk of Grote Riftvallei. Dit fossiel is 24 Ma (miljoen jaar) oud. De voorouders worden algemeen beschouwd als nauwe verwanten van de 35 Ma oude, in Faium gevonden fossielen van de geslachten Aegyptopithecus, Propliopithecus, en Parapithecus. Er zijn geen fossielen van de tussenliggende 11 Ma. Met behulp van de Noord-Afrikaanse fossielen kunnen er geen nauw verwante voorouders van de Zuid-Amerikaanse breedneusapen, waarvan de oudste fossielen dateren uit 30 Ma, geïdentificeerd worden. Mogelijk zijn het andere voorouders, die leefden in West-Afrika en ergens tijdens het Oligoceen verwikkeld raakten in de nog steeds mysterieuze trans-Atlantische wedren, waarbij primaten, boa constrictors, knaagdieren en Cichlidae uit Afrika in Zuid-Amerika terechtkwamen.

In het vroege Mioceen (22 Ma) wijst de rijkdom aan soorten van aan het bos aangepaste smalneusapen in Oost-Afrika, op een lange evolutionaire voorgeschiedenis van diversifiëring. Omdat fossielen van 20 Ma ook fragmenten bevatten van Victoriapithecus, de vroegst bekende Cercopithecoidea, worden de nauwst aan de nog levende apen en mensen verwante soorten geschaard onder de groep die de naam Hominoidea heeft gekregen. In deze groep, die duurt tot 13 Ma, zijn de geslachten Proconsul, Rangwapithecus, Dendropithecus, Limnopithecus, Nacholapithecus, Equatorius, Nyanzapithecus, Afropithecus, Heliopithecus, en Kenyapithecus ondergebracht, die alle afkomstig zijn uit Oost-Afrika.

Fossiele vondsten van andere, veralgemeende non-cercopitheciden uit het midden-Mioceen, op plaatsen ver weg van de grotvondsten van Otavipithecus in Namibië, zoals Pieroloapithecus en Dryopithecus in Frankrijk, Spanje en Oostenrijk, bevatten een grote verscheidenheid aan vormen (soorten) in Afrika en het Middellandse Zeegebied, gedurende het relatief warme en gelijkmatige klimaat van het vroege- en midden-Mioceen. De jongste (9 Ma) Miocene hominoïde, Oreopithecus, is gevonden in een bruinkoollaag in Italië. Van Graecopithecus freybergi, gevonden in Griekenland en Bulgarije (7,2 Ma) vertoont het gebit menselijke eigenschappen. Dat was voor enkele onderzoekers aanleiding te veronderstellen dat de gemeenschappelijke voorouder van aap en mens in Zuid-Europa heeft geleefd.Potential hominin affinities of Graecopithecus from the Late Miocene of Europe. PLOS One; 22 mei 2017 Rond zes miljoen jaar geleden viel de Middellandse Zee droog, de zogenaamde Messiniaanse Crisis. Diverse diersoorten konden toen tussen Europa en Afrika migreren, totdat 5,3 miljoen jaar geleden het bekken zich weer vulde, tijdens de Zancliaanse Vloed.Great Moments in Earth History: The Messinian Salinity Crisis and the Zanclean Flood

Moleculair onderzoek maakt aannemelijk dat de lijn van de gibbons (familie Hylobatidae) ontstond tussen 18 en 12 Ma en die van de orang-oetans (subfamilie Ponginae) rond 12 Ma. Er zijn geen fossielen die duidelijk de evolutionaire voorouders van de gibbons aangeven. Mogelijk behoorden deze voorouders tot een tot nu toe onbekende Zuidoost-Aziatische hominoïde populatie. Fossiele proto-orang-oetans worden misschien vertegenwoordigd door de fossiele vondsten van de Ramapithecus in India en de Griphopithecus in Turkije, die ongeveer 10 Ma oud zijn. thumb|Familieboom van de Hominidae Resultaten van moleculair onderzoek geven aanleiding te veronderstellen dat tussen 8 en 4 Ma zich eerst de gorilla's en daarna de chimpansees (geslacht Pan) hebben afgesplitst van de lijn die naar de mens leidt. Er zijn geen fossiele resten van beide groepen gevonden, mogelijk doordat de botten in het vochtige en warme milieu van het regenwoud niet gefossiliseerd zijn. Gedacht wordt dat Homininae een van de zoogdiergroepen zijn die zich aangepast hebben aan het biotoop van het open grasland, dat ongeveer 8 Ma geleden ontstond door de toenemend seizoensgebonden klimaten, met periodieke (regelmatig optredende) droge periodes. Andere zoogdiergroepen die zich aanpasten aan dit nieuwe biotoop waren de antilopen, hyena's, honden, varkens, olifanten en paarden. Hun fossielen zijn relatief goed bekend. De vroegste zijn: Sahelanthropus tchadensis (7–6 Ma) en Orrorin tugenensis (6 Ma), gevolgd door: Ardipithecus (5,5–4,4 Ma), met de soorten Ar. kadabba Ar. ramidus Australopithecus (4–2 Ma), met de soorten Au. anamensis Au. afarensis Au. africanus Au. bahrelghazali Au. garhi Au. sediba Homo naledi, laatste vondsten met eigenschappen van Australopithecus en vroege mens (datering is nog onzeker) Paranthropus (3–1,2 Ma), met de soorten P. aethiopicus P. boisei P. robustus Homo (2 Ma–heden)

Het geslacht Homo

In de tegenwoordig gehanteerde taxonomie is de moderne mens (Homo sapiens) de enige nog overlevende soort van het geslacht Homo. Het onderzoek naar de wortels van de mens laat zien dat er andere, nu uitgestorven, soorten zijn geweest. Sommige van deze soorten zijn misschien de voorouders van de mens geweest, terwijl er waarschijnlijk vele soorten "neven" van de huidige mens zijn geweest, die afgesplitst zijn van de evolutionair-voorouderlijke lijn. Er is geen overeenstemming tussen onderzoekers in hoeverre de verschillende groepen beschouwd moeten worden als aparte soorten of ondersoorten. Dit komt door de schaarste aan fossielen, of door de geringe verschillen waarop de indeling van de soorten in het geslacht Homo is gebaseerd.

DNA-onderzoek heeft geleid tot de veronderstelling dat veel van deze "soorten" onderling vruchtbaar waren en er genetische uitwisseling plaatsvond tussen bijvoorbeeld neanderthalers, denisovamensen en de moderne mens. Tevens lijken er in Afrikaanse populaties van moderne mensen DNA-sporen aanwezig van een Afrikaanse uitgestorven mensachtige (Archaic African hominins), sporen die 35.000 jaar geleden in deze moderne populaties terechtkwamen. (2011). Genetic evidence for archaic admixture in Africa. Proceedings of the National Academy of Sciences 108(37): 15123–15128; Wetenschappers gaan ervan uit dat tijdens de hele menselijke evolutie er steeds verschillende menssoorten naast elkaar hebben geleefd, en dat er genetische uitwisseling heeft plaatsgevonden tussen de verschillende soorten. (2016). Human Hybrids. Scientific American, Special collector's edition: The story of us

In 2021 werden er artefacten gevonden van de vroege Homo sapiens op de site van de Ga-Mohana Hill North Rockshelter in de Kalahari (Zuid-Afrika) gedateerd op 105.000 jaar geleden. Het gaat om 22 witte kristallen en struisvogeleieren, die waarschijnlijk als waterhouders werden gebruikt.Innovative Homo sapiens behaviours, 105.000 years ago in a wetter Kalahari, 31 maart 2021, Nature

Vroege ontwikkeling menselijke eigenschappen Omstreeks 2,5 miljoen jaar geleden begonnen de vermoedelijke voorouders van Homo met het sporadisch eten van vlees, en ongeveer twee miljoen jaar geleden werd dit een vast bestanddeel van het menu, waarbij ook het vervaardigen opkwam van de eerste, nog primitieve vormen van stenen werktuigen, die als messen en schrapers werden gebruikt.

Ongeveer 1,6 miljoen jaar geleden verdroogde Afrika door de klimaatveranderingen en ontstond veel open savanneterrein. De mensachtigen gingen meer vlees eten, en tijdens de jacht in het open terrein werden er grote afstanden afgelegd en werd er hard gerend. Er zijn twee grote aanpassingen: Menselijke huid: Om oververhitting te vermijden verloor de vroege mens zijn beharing en kreeg hij veel eccriene zweetklieren, die waterig zweet afgeven direct op de opperhuid, en niet via de haren (apocriene zweetklieren en talgklieren). Sommige zoogdieren met een vacht, zoals paarden, zweten ook maar dit is veel minder efficiënt, omdat het koeleffect van de verdamping aan het uiteinde van de haren niet optreedt in direct contact met het lichaam. Door het haarverlies moet de huid veel steviger worden – de huid heeft geen bescherming meer en moet tegen ruwe behandeling kunnen – en moet ze worden beschermd tegen uv-straling middels pigmentatie. Er is geen rechtstreeks bewijs voor het naakt zijn, daar na de dood alleen beenderen overblijven, alle organen, inclusief de huid, worden na de dood biologisch afgebroken. Uit DNA-studies van de genen van de menselijke huid blijkt dat veel genetische veranderingen omstreeks 1,6 miljoen jaar geleden hebben plaatsgevonden. Een efficiënt koelsysteem liet een verdere evolutionaire groei van de hittegevoelige hersenen toe.The Naked Truth, Nina G. Jablonski, Scientific American, speciale herfst 2016 uitgave: The story of us. Het dragen van kleren zou pas veel later gebeuren. Uit DNA-studies zou blijken dat de kleerluis mogelijk pas 170.000 jaar geleden als aparte luizensoort ontstond, toen de vroege mens kleding begon te dragen.Origin of clothing lice indicates early clothing use by anatomically modern humans in Africa. Gearchiveerd op 23 mei 2023.Men neemt aan dat de neanderthaler in het koude Europese ijstijdklimaat wel kleding droeg. Haar ter bescherming van het hoofd tegen de hitte is wel gebleven. Dit was kroeshaar, vlak haar is pas een zeer late evolutionaire ontwikkeling bij de moderne mens. Slanker lichaam met langere benen, om snel en efficiënt lange afstanden te kunnen afleggen (en hard te kunnen lopen). De grotere oppervlakte-volume-ratio helpt ook om oververhitting te vermijden. Het rechtoplopen (bipedie) trad al veel eerder in de evolutie van de mens op (zie Australopithecus), maar het lichaam was nog gedeeltelijk aangepast voor het leven in de bomen.

Evolutie schedelgrootte, bevalling en vroege kindertijd thumb|Evolutie geboortekanaal