Javaanse Surinamers zijn een bevolkingsgroep in Suriname met een Javaanse en bij uitbreiding Indonesische achtergrond.
De eerste leden kwamen op 9 augustus 1890 aan en waren door de Nederlandse kolonisators uit toenmalig Nederlands-Indië aangevoerd. Na de afschaffing van de slavernij in Suriname had men nieuwe arbeidskrachten nodig voor de plantages. Aanvankelijk werden hiervoor Brits-Indiërs aangevoerd, maar dat had meerdere nadelen. Zij waren onder andere geen Nederlandse onderdanen, waardoor men ze niet volledig naar eigen goeddunken kon gebruiken en de goodwill van de Britten nodig had. Deze problemen, gecombineerd met een toenemende invloed van Oost-Indië op het denken van het Ministerie van Koloniën, zorgden er uiteindelijk voor dat men in 1890 begon met het verschepen van Nederlands Oost-Indiërs.
In totaal kwamen 32.956 mensen van Nederlands Oost-Indië als contractarbeiders naar Suriname. Iets meer dan 26% van hen keerde terug naar hun thuisland. Ongeveer 24.000 immigranten bleven in Suriname. In de census van 2012 telden hun nakomelingen 73.975 leden in Suriname, naast nog een aantal mensen van gemengde afkomst.
Sinds de tweede helft van twintigste eeuw zijn veel Javanen vanuit Suriname geëmigreerd, zodat ook buiten Suriname grote groepen Javaanse Surinamers te vinden zijn. Een eerste groep vertrok in 1954 naar het pas onafhankelijke Indonesië en vestigden zich op West-Sumatra. Tijdens en na de onafhankelijkheid van Suriname vertrokken veel Javanen, net als leden van andere Surinaamse bevolkingsgroepen, naar Nederland. Een kleinere gemeenschap bestaat in Frans-Guyana.
De Javaanse Surinamers zijn erin geslaagd een groot deel van hun Javaanse cultuur te behouden. Ze spreken nog altijd een variant van de Javaanse taal, het Surinaams-Javaans, beoefenen hun traditionele religies en ook andere culturele tradities, zoals het Javaanse toneel. Wel hebben zij in in de loop van de tijd aan hun veranderde omstandigheden aangepast. Het Surinaams-Javaans kent bijvoorbeeld veel leenwoorden uit het Nederlands, Sranan, Sarnami en tot kleinere schaal het Indonesisch, wat voornamelijk komt door de populariteit van Indonesische films.
De Javaanse immigratie wordt in Suriname elk jaar als nationale feestdag op 9 augustus herdacht.Waterkant, "Herdenking Javaanse Immigratie in Suriname" (9 augustus 2014). Gearchiveerd op 20 juni 2023.
Geschiedenis Voorgeschiedenis miniatuur|Javaanse contractarbeiders in Suriname Door de afschaffing van de slavernij in 1863 kampten de Surinaamse plantages met een arbeiderstekort. In de aanloop naar de afschaffing werden al proeven met arbeidskrachten uit China, Madeira en de Nederlandse Antillen gedaanSuriname.nu, De Hindoestanen - in 1853 werd zelfs een groep Chinezen uit Java geïmporteerdSuriname.nu, De Chinezen - maar deze experimenten werden als mislukkingen beschouwd. Hun omvang bleef beperkt (in totaal ongeveer 5000 arbeiders). Na 1872 werden hoofdzakelijk contractarbeiders uit Brits-Indië ingevoerd, de voorouders van de Hindoestanen.
Dit werkte goed, maar er waren meerdere grote problemen. Het grootste was dat de Indiërs Britse onderdanen bleven. Een groot deel van de bevolking van de Nederlandse kolonie Suriname begon dus uit buitenlanders te bestaan. Deze konden in beroep gaan tegen beslissingen van zelfs de hoogste Nederlandse instanties en daarbij de steun van het Verenigd Koninkrijk aanvragen. Dit werd niet geacht de onderdanigheid van de arbeiders te bevorderen. Ook was uiteraard Britse toestemming nodig om contractarbeiders uit Brits-Indië in te voeren. Deze kon elk moment teruggetrokken worden, zoals in 1875 enkele jaren lang gebeurde. Tevens legde de groeiende onafhankelijkheidsbeweging in Indië steeds meer druk op het Verenigd Koninkrijk om het contractarbeiderssysteem volledig te stoppen, wat ook uiteindelijk in 1916 gebeurde. Daarnaast had men voor het aanwerven van Hindoestaanse contractarbeiders concurrentie. Zij werden immers ook naar Britse en Franse koloniën verscheept. Op Java zou men de eerste keuze onder de arbeiders hebben.
Tegelijk werd aan het einde van de negentiende eeuw de invloed van Oost-Indië op het denken van het ministerie van Koloniën steeds groter. Indië was immers een bloeiende kolonie, terwijl het, zeker na de afschaffing van de slavernij, erg slecht ging met Suriname. Ook verkortten de bouw van het Suezkanaal en de uitvinding van de stoomboot de reistijd tussen de koloniën aanzienlijk. Het kwam dus steeds vaker voor dat gouverneurs, bestuurders, ambtenaren en technici uit Oost-Indië naar Suriname werden gestuurd. Dit was ook logisch; Suriname leek qua geografie en klimaat erg op Oost-Indië.
De combinatie van deze factoren: de problemen verbonden met het importeren van Britse onderdanen en de groeiende vertrouwdheid met Oost-Indië bij het koloniale bestuur, zorgde er uiteindelijk voor dat het oog viel op de Javanen.
De Nederlandse regering verbood echter aanvankelijk de migratie van Javanen. Men zette ze liever in op andere, minder dichtbevolkte delen binnen Oost-Indië dan daarbuiten. Nog in 1887 argumenteerde de minister van koloniën tegen de import van contractarbeiders uit Oost-Indië. De Javanen zouden niet zeer geneigd zijn te migreren naar het verafgelegen en onbekende Suriname. Na sterk lobbyen door Surinaamse planters en beambten stond men uiteindelijk in 1890 een eerste experiment met Javaanse contractarbeiders toe.
Eerste proeven thumb|Javaanse contractanten komen aan in Paramaribo Deze eerste groep contractarbeiders kwam op 9 augustus 1890 aan boord van de Prins Willem IISuriname.nu, De Javanen, pagina 6 aan in Suriname. Zij waren met 94, hoofdzakelijk afkomstig uit Soerakarta (tegenwoordig Solo), en waren bestemd voor de plantage Mariënburg, eigendom van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Er zijn aanduidingen dat een aantal van hen niet vrijwillig zijn opgestapt.Suriname.nu, Javanen, "De Pioniers", pagina 1
Hoewel de directie van Mariënburg de Javanen "langzaam", "traag van begrip" en door overmatig opiumgebruik ongezond vond, vermeldden de rapporten van de NHM niets dan positiefs over de Javaanse contractarbeiders. Men wilde ze graag aan het werk houden.
Het experiment werd succesvol geacht en in juni 1894 kwam de eerste grotere groep Javaanse contractarbeiders aan. 612 mensen waren in Indonesië opgestapt. Onderweg stierven 32 van hen en voor de ontscheping in Paramaribo stierven nog eens 16. Tweehonderd mensen werden zwaar ziek in het militair hospitaal opgenomen. Latere transporten hadden niet meer zo'n hoog sterftecijfer.
Contractarbeiders Ronseling De Javanen vertrokken om meerdere redenen naar Suriname. Een belangrijke factor waren de valse beloften van de wervers. Zij werden betaald per aangeworven arbeider en grepen daarom vaak naar oneerlijke middelen.Une Saison en Guyane, "Java sur les rivages de l’atlantique : 120 ans de présence javanaise au Suriname" Zo vertelden zij aan potentiële arbeiders dat de reis niet al te lang zou duren,Noor Hendrix & Marjoleine van Waning, "De Javaanse moslims in Suriname: een kwalitatief onderzoek anno 2009.", afstudeerscriptie aan de Universiteit Utrecht (2010) het werk niet erg zwaar zou zijn en zij als rijke lieden terug naar huis zouden keren. Een groot aantal van de contractarbeiders gaf later zelfs aan door de wervers betoverd te zijn. Daarnaast waren er vele individuele redenen om naar Suriname te vertrekken. Mensen waren ontevreden met hun levenscondities; sommigen waren voortvluchtig of hadden open schulden; sommigen vertrokken uit zucht naar avontuur of om verboden liefdes waar te maken en een aantal vrouwen werden gekidnapt. Later kwamen ook mensen in navolging van al in Suriname aanwezige familie.
De contractanten kwamen uit dorpen in Midden- en Oost-Java. Een deel van hen waren dan ook geen Javanen; vijf procent was Soendanees - zo onder andere Iding Soemita, oprichter van de Javaanse partij KTPIChan Choenni, "Bapak Iding Soemita; de innemende leider van Javanen in Suriname" (5 augustus 2009). Gearchiveerd op 2 februari 2017. - en een halve procent was Madoerees. Javanen vormden echter wel de overgrote meerderheid (>90%2,5% kwam uit Batavia (het huidige Jakarta), waardoor hun etniciteit niet te bepalen is. Ook onder hen waren wellicht veel Javanen.). Dit leidde tot de dominantie van de Javaanse taal en de uiteindelijke assimilatie van de andere groepen.
Vervoer naar Suriname Nadat de contractanten ingestemd hadden om naar Suriname te gaan, gingen zij naar een van de vertrekplaatsen in Batavia, Semarang of Tandjoeng Priok. Daar wachtten zij hun vertrek af in een depot, waar zij werden geregistreerd en gekeurd en waar zij ook hun contract ondertekenden. Het vervoer van de Javaanse immigranten verliep tot 1914 (behalve in 1894) in twee etappes via Amsterdam. Men bracht hen in kleine groepen vanuit Nederlands-Indië naar Nederland, en vandaar groepsgewijs naar Paramaribo.
Tijdens de overtocht waren zij gescheiden van hun dorpsgenoten en van hun familie, die nochtans zeer belangrijk is in de Javaanse cultuur. De djadie ("lotgenoten" ofwel "soortgenoten", mensen die op hetzelfde schip de overtocht maakten) werd een soort nieuwe familie. Eenmaal aangekomen in Suriname werden de arbeiders echter over verschillende plantages verdeeld. Zij verloren hierdoor in zekere zin hun familie tweemaal.
Leven op de plantages
Contractanten werden ondergebracht in huizen van lage kwaliteitInside Indonesia, "The Javanese of Suriname" (8 juni 2008). Gearchiveerd op 20 juni 2023. en kregen veelal niet hun volle loon uitbetaald. Vele planters hadden moeite hun plantages draaiende te houden en gebruikten de lonen van de arbeiders als sluitpost op de begroting.Suriname.nu, De Javanen, pagina 1 De Javanen hadden ook moeite zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen; velen hadden heimwee. Daarnaast was er een vrouwentekort, aangezien meer mannen werden ingevoerd dan vrouwen. (Ter illustratie: Bij de ongeveer 15.000 tot 1920 ingevoerde Javanen waren 10.000 mannen en slechts 5.000 vrouwen.) Dit gaf regelmatig aanleiding tot spanning en conflicten.
Blijfredenen Na afloop van hun vijfjarig contract kregen de contractarbeiders de keuze om terug te keren naar Java, of om in Suriname te blijven. Het gouvernement wou dat zo veel mogelijk van hen de tweede optie koos. Zo zou het bevolkingstekort in de kolonie (gedeeltelijk) opgelost kunnen worden. Een verordening uit 1863 hield echter in dat mensen die kozen om te blijven hun recht op vrije terugkeer zouden verspelen, wat velen afschrikte. In 1895 werd daarom bepaald dat contractanten die afzagen van dit recht een premie van 100 gulden kregen. Daarnaast konden ze kleine voorschotten krijgen van het gouvernement en, als hen grond was toegewezen, deze zes jaar lang vrij gebruiken. Door deze voordelen koos hierna het merendeel van de contractanten om te blijven. (2015), blz. 200 en 204
Naast deze materiële voordelen speelde ook het feit dat men zich schaamde. Velen waren vertrokken in de hoop na vijf jaar als rijk man terug te keren. Toen zij vaststelden dat ze niet rijk geworden waren, durfden ze uit vrees thuis uitgelachen te worden niet meer terug te keren. Ook speelden ook hier weer een hoop individuele redenen. Sommigen zagen ertegen op de lange boottocht te herhalen; vrouwen bleven vaak omdat ze intussen getrouwd waren met iemand die bleef. Bij een onderzoek in 1963 werd echter geen enkele persoon gevonden die bleef omdat het land hem of haar beviel.
Lawaspoorweg Niet alle contractanten werkten op de plantages. In oktober 1903 kwamen 71 Javanen aan om te werken aan de Lawaspoorweg. Zij leverden vooraleerst goed werk, maar na verloop van tijd bleek dat zij, net als vele andere groepen arbeiders, erg vatbaar waren voor de malaria die in het binnenland heerste. Ze werden na afloop van hun contract in 1906 terug naar huis gestuurd. (2015), blz. 252
Interbellum Leegloop van de plantages