De Conservative Party (Nederlands: Conservatieve Partij; Welsh: Y Blaid Geidwadol; officieel: Conservative and Unionist Party) is een liberaal-conservatieve partij in het Verenigd Koninkrijk. Het is de op een na oudste partij ter wereld, na de Democratische Partij in de Verenigde Staten.
Geschiedenis 1820-1880 thumb|upright|left|130px|Robert Peel, premier van het Verenigd Koninkrijk (1834-1835 en 1841-1846) thumb|upright|left|130px|Robert Arthur Talbot Gascoyne-Cecil, 3rd Marquess of Salisbury De moderne Conservatieve Partij ontstond in de jaren dertig van de 19e eeuw, maar haar voorgangers hebben wortels die teruggaan tot de 17e eeuw. In die tijd waren er weinig politieke allianties en de parlementsleden opereerden veel zelfstandiger. De oorsprong van de Conservatieve Partij gaat terug tot de tijd van Karel II, een vorst wiens macht door het parlement aan banden was gelegd. De parlementsleden die de invloed van de koning wilden inperken, onder leiding van Lord Shaftesbury, kwamen toen tegenover de koningsgezinden te staan, die gekant waren tegen Shaftesbury’s Exclusion Bill die bedoeld was om Jacobus II van de troonsopvolging uit te sluiten. Deze groep koningsgezinden werd als Tories bekend, hetgeen van het Ierse ‘tóraidh’ is afgeleid, een scheldwoord voor een katholieke boer. Vanaf 1780 waren de Whigs onder leiding van William Pitt de Jongere de dominante groep in de politiek. Zij gingen steeds meer samenwerken met de Tories. In de late jaren twintig van de 19e eeuw brak een discussie over politieke hervormingen hen op. Een regering geleid door Arthur Wellesley, de Hertog van Wellington, viel uit elkaar. Robert Peel vormde daarna een nieuwe coalitie. In 1834 presenteerde hij het Tamworth Manifesto, waarin de basisprincipes van het conservatisme werden verwoord.
Een regering onder leiding van Peel kwam in 1846 ten val vanwege een conflict over de Graanwetten. Tijdens de Grote Hongersnood had Peel in eerste instantie niet door hoe groot het probleem was. Maar toen de omvang duidelijk werd, trok hij de Graanwetten tégen de landeigenaren in. Deze wet ondersteunde landbouwinkomsten door graanimport te limiteren. Door deze wet in te trekken, ging hij radicaal in tegen het Tory-protectionisme. Hij hoopte meer eten vrij te maken voor de Ierse bevolking. Zijn eigen partij ondersteunde deze beslissing niet, maar de motie werd goedgekeurd met de steun van de Whigs. De daaropvolgende motie werd direct afgewezen en Peel trad af als premier. Na zijn dood zouden veel van zijn volgers zich in 1859, samen met Whigs en Radicalen, verenigen in de Liberale Partij.
De crisis had grote gevolgen gehad voor de slagkracht van de Conservatieve Partij. Onder leiding van Edward Smith-Stanley en Benjamin Disraeli herstelde zij zich langzaam. Smith-Stanley zou in de jaren vijftig en zestig verschillende minderheidskabinetten leiden, maar pas in 1874 verkreeg de Conservatieve Partij weer een meerderheid. Een combinatie van Disraeli's patriottistische geluid en beloften voor sociale hervormingen zorgden ervoor dat de Conservatieve Partij genoeg aanhang kreeg onder de werkende klasse en Disraeli werd premier. In 1880 moest hij aftreden vanwege een verkiezingsnederlaag.
1880-1918 Vanaf 1886 wist de Conservatieve Partij voor langere tijd stabiele regeringen te vormen, aanvankelijk met passieve steun van de Liberale Unionisten en vanaf 1895 samen in een coalitie met hen. Aanvankelijk was lord Salisbury de premier, maar in 1902 trok hij zich terug en droeg het premierschap over aan zijn neef Arthur Balfour. Het kwam in 1904 tot een breuk binnen de Conservatieve Partij vanwege het beleid van Joseph Chamberlain, minister van Koloniën. Deze was zelf lid van de Liberale Unionisten. Chamberlain was een voorstander van protectionisme. Dit leverde hem veel kritiek op. Verschillende parlementsleden van de Liberale Unionisten en de Conservatieve Partij maakten de overstap naar de Liberale Partij. Onder hen was Winston Churchill. De situatie werd verergerd door de uitbraak van de Boerenoorlog, die op weinig steun onder de bevolking kon rekenen. Bij de parlementsverkiezingen in 1906 leden beide partijen een grote nederlaag en er kwam een liberale regering. De Conservatieve Partij wist een groot deel van haar verlies goed te maken bij de parlementsverkiezingen in januari 1910 en december 1910. Hierdoor waren de liberalen gedwongen voor hun regering de steun te vragen van Ierse Nationalisten. De steun van de regering nam echter verder af door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, en een aantal fouten die daarbij in het begin werden gemaakt. De Conservatieve Partij keerde terug in de regering, aanvankelijk nog samen met de Liberalen, maar in 1918 als dominante partij in de regering van Lloyd George.
1918-1945 thumb|upright|130px|Winston Churchill, premier van het Verenigd Koninkrijk (1940-1945 en 1951-1955) Voor de jaren daarna leek het mogelijk dat de Liberalen en Conservatieven samen zouden opgaan in een nieuwe partij, maar de Liberalen weigerde hun identiteit op te geven en daardoor verdween het momentum. Meningsverschillen over de relatie met de Sovjet-Unie, de omgang met vakbonden en de Ierse kwestie zorgden ervoor dat steeds meer Conservatieven wilden breken met de regering. Partijleider Bonar Law moest in 1921 aftreden omdat er bij hem kanker geconstateerd was en hij werd opgevolgd door Austen Chamberlain. Deze had zijn partij niet onder controle en in oktober 1922 trokken de Conservatieven hun steun in voor de regering van Lloyd George. Chamberlain trad af en werd opgevolgd door Bonar Law, die was overgehaald zijn terugkeer te maken in de politiek. In mei 1923 trad hij definitief af als gevolg van zijn ziekte en kort daarna overleed hij. Zijn opvolger was de relatief onbekende Stanley Baldwin. De partij bereikte een nieuw hoogtepunt onder zijn leiderschap. Hij streefde sociale hervormingen na en gaf leiding aan verschillende stabiele kabinetten. In 1931 wist Baldwin – als laatste tot op heden - bij de verkiezingen zelfs een absolute meerderheid te behalen.
In 1937 werd Baldwin opgevolgd door Neville Chamberlain. Deze zou de geschiedenis ingaan als de man die dacht de wereldvrede te hebben gered ("Peace for our time") door in 1938 een verdrag met Adolf Hitler te sluiten over de annexatie van Sudetenland door Duitsland. Toen Duitsland in september 1939 Polen binnenviel werd zijn positie steeds onhoudbaarder. Chamberlain zou echter pas in mei 1940 worden opgevolgd door Winston Churchill die gedurende de oorlogsjaren leiding gaf aan een Nationale Coalitie.
1945-1975 thumb|upright|130px|Edward Heath, premier van het Verenigd Koninkrijk (1970-1974) Kort na de oorlog verloren de Conservatieven de verkiezingen en kwam er een Labour-regering. In 1951 keerde de Conservatieve partij met Churchill aan het hoofd terug in de regering. Zij gingen akkoord met veel van de hervormingen die Labour had ingezet, maar ook draaiden ze er een aantal terug, zoals de nationalisatie van de staalindustrie. In 1955 trad Churchill terug ten faveure van Anthony Eden. Deze was erg populair geweest als minister van Buitenlandse Zaken, maar zijn regering raakte in de problemen door oververhitting van de politiek. In 1956 probeerde Groot-Brittannië in samenwerking met Frankrijk en Israël het Suezkanaal terug te veroveren toen Egypte dit nationaliseerde. De Amerikaanse regering van Dwight Eisenhower dwong echter samen met de Sovjet-Unie de Europese machten om zich terug te trekken. Edens positie werd onhoudbaar en begin 1957 trad hij af "vanwege gezondheidsproblemen".
Eden werd opgevolgd door Harold Macmillan die het imago van de overheid probeerde te hervestigen door de nadruk te leggen op economische groei. In 1959 voerde hij campagne onder de slogan "You’ve never had it so good". De regering van Macmillan kreeg te maken met een terugslag toen aan het begin van de jaren zestig de werkloosheid toenam. Dit effect werd verergerd door het aftreden van John Profumo, minister van Oorlog, door wat bekend kwam te staan als de Profumo-affaire. In oktober 1963 werd er terminale kanker geconstateerd bij Macmillan en hij trad af. Hij werd opgevolgd door Alec Douglas-Home, maar deze slaagde er niet in de verkiezingen in 1964 te winnen.
De Conservatieve Partij stapte in 1964 over op een systeem waarbij de nieuwe leider door de Lagerhuisfractie werd gekozen. Douglas-Home werd in 1965 opgevolgd door Edward Heath. Heath verloor de parlementsverkiezingen in 1966 en steeds meer stemmen riepen om zijn aftreden, onder andere vanwege vermeende gezondheidsklachten. Heath weigerde en verraste velen door de verkiezingen in 1970 te winnen. Heath werd premier. Zijn premierschap was een van de meer controversiële periodes in de geschiedenis van de Conservatieve Partij. Zijn monetaire beleid faalde en de werkloosheid nam toe. Dit ging gepaard met een hoge inflatie. The Troubles in Noord-Ierland dwongen Heath ertoe het Parlement van Noord-Ierland te ontbinden. Noord-Ierland viel onder het directe bewind van de Britten. Daardoor verloor de Conservatieve Partij de steun van de Ulster Unionist Party in het Britse Parlement. Dit had gevolgen voor de jaren daarop waarbij het voor de Conservatieve Partij lastig was genoeg steun te vinden in het parlement voor haar plannen.
Heath zelf zag de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Economische Gemeenschap als een van zijn grootste successen, maar dit was juist een erg controversieel thema in zijn partij. De Oliecrisis van 1973 zorgde voor een verdere inflatie en in reactie daarop extra salariseisen in de kolenindustrie. De regering weigerde in te gaan op deze eisen en dat leidde tot massale stakingen en acties, waardoor er veel minder elektriciteit beschikbaar was. Dit leidde tot een rantsoenering van de elektriciteit door de overheid. Heath schreef nieuwe verkiezingen uit onder de slogan "Who Governs Britain?" De Conservatieve Partij was echter helemaal niet klaar voor nieuwe verkiezingen en de mijnwerkers gaven aan dat zij niet zagen hoe een herverkiezing van de regering zou bijdragen aan een oplossing van de situatie. De Conservatieve Partij werd verder getroffen door de dood van Ian Macleod en het aftreden van Enoch Powell. Deze kon zich niet vinden in de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de EEG en riep de kiezers op om op Labour te stemmen. Bij de verkiezingen behaalde de Liberale Partij en de verschillende kleinere regionale partijen een opvallende stemmenwinst. De Conservatieve Partij slaagde er niet in samen met de Liberale Partij een regering te vormen, waarna Heath aftrad als premier.
1975-1997 thumb|upright|130px|Margaret Thatcher, premier van het Verenigd Koninkrijk (1979-1990) In 1975 werd Margaret Thatcher leider van de partij. Ten tijde van de parlementsverkiezingen in 1979 was de inflatie opgelopen tot boven de 20 procent. Op die golf van ongenoegen werd zij gekozen als premier, nadat ze als oppositieleidster een motie van wantrouwen tegen het LibLab pact van James Callaghan had gewonnen met een meerderheid van één stem. Zij streefde de privatisering van publieke bedrijven na en was voorstander van en vrije-markt-toenadering. Dit beleid zorgde ervoor dat sommige sociale lagen ontevreden werden over het beleid van de regering. Haar beleid kwam bekend te staan als het Thatcherisme. Ze slaagde erin de inflatie terug te brengen tot 4 procent, maar dit leidde wel tot een toegenomen werkloosheid. Vooral in de mijnsector verloren veel arbeiders hun baan. Ook streefde Thatcher naar een vermindering van de macht van de vakbonden. Zij vond dat deze met hun acties de economische groei belemmerden. Dat idee was deels gevoed door de acties van de vakbonden ten tijde van het premierschap van haar voorganger Heath.