thumb|De ster en het grootkruis met de zwaarden in deze orde thumb|De ster van een grootkruis op het blauwe lint met de rode bies. Particuliere verzameling Groningen.

De Huis- en Verdienstorde van Hertog Peter Friedrich Ludwig, in het Duits Haus- und Verdienstorden des Herzogs Peter Friedrich Ludwig, was een ridderorde van het groothertogdom Oldenburg. De orde werd in 1838 ingesteld en ging, tenminste formeel, in 1918 met de Oldenburgse monarchie ten onder. Omdat het een "huisorde", een dynastieke orde betreft leert het orderecht dat het hoofd van een voormalige regerende dynastie een dergelijke orde mag blijven verlenen. De vrijstaat Oldenburg heeft de banden met deze orde dus formeel verbroken en zij is als huisorde blijven voortbestaan.

De Oldenburgse Huis- en Verdienstorde van Hertog Peter Friedrich Ludwig werd op 27 november 1838 door groothertog August van Oldenburg gesticht. Het is opmerkelijk dat de groothertog en zijn regering geen onderscheid maakten tussen een huisorde, een privé-aangelegenheid van de vorst, en zijn familie en een orde van verdienste, die een instrument van de regering is.

In het stichtingsakte verwoordde groothertog Paul Friedrich August zijn voornemen als volgt: "In het voornemen, door een bijzondere openlijke onderscheiding de mogelijkheden te vergroten om trouwe onderdanen die zich voor het vaderland verdienstelijk hebben gemaakt bewijzen van Onze tevredenheid en Onze gunst te schenken...".Letterlijk: "In der Absicht, durch eine besondere öffentliche Auszeichnung die Mittel zu vermehren, getreuen Unterthanen, welche um das Vaterland sich verdient gemacht Beweise Unserer Zufriedenheit und unseres Wohlwollens zu geben." Het fenomeen van de ridderorde was nieuw voor Oldenburg. De groothertogen en hertogen hadden geen orden gesticht en na de Napoleontische tijd waren er alleen medailles verleend voor trouw en verdienste. Er was ook een Medaille voor Verdienste tijdens de Veldtocht van 1815.

De nieuwe ridderorde moest aan de op 27 november 1813 teruggekeerde, eerder door Napoleon afgezette hertog Peter Friedrich Ludwig herinneren. De onderscheiding werd voor bijzondere civiele en militaire verdiensten verleend. De orde kende kapittelridders en ereleden, beiden in vijf klassen. De kapittelridders moesten onderdanen van Oldenburg zijn. De ordedag was de 17e januari. Het kruis van de orde was wit geëmailleerd en hing, al dan niet onder een kroon, aan een blauw lint met twee rode strepen. Het medaillon draagt het monogram "P.F.L." onder een kroon en het motto van de orde "EIN GOTT * EIN RECHT * EINE WAHRHEIT". Op de keerzijde was het wapen van de groothertog aangebracht.

In 1838 waren er vier graden, Großkreuze, Großkomture, Komture en Kleinkreuze. Deze graden kwamen en de "Erste und Zweite Ordensklasse", die van de Kappitulare en die der Ehrenritter voor. De orde werd al in 1841 hervormd. In dat jaar werden Grootkruisen met en zonder kroon ingesteld. In 1856 kwam de mogelijkheid om het Eretekruis der Eerste Klasse ook met een gouden kroon te verlenen. In 1869 werden de Kleinkreuze ridders in twee graden waarbij alleen de Eerste Klasse ook kapittelridder kon zijn.

De keten van de orde werd in 1863, alleen voor de grootkruisen met de gouden kroon, ingesteld.

In 1903 werd de rang van officier aan de orde toegevoegd.

In 1906 werd vastgelegd dat het zilveren kruis van een ereridder der Tweede Klasse in het vervolg met en zonder kroon kon plaatsvinden. De bestaande ereridders werden nu "ereridder der IIe Klasse met Zilveren Kroon".

In 1910 werden medailles in goud, zilver en brons ingesteld. De medailles werden aan de orde verbonden.Door Nimmergut in zijn "Deutsche Orden" genoemd en als No. 1535-1537 opgenomen in zijn catalogus. De gouden medaille was van verguld zilver.

In 1918 werden "Lorbeerzweige über den Schwertern", twee groen geëmailleerde lauwertakken die op de armen van het kruis en ook op de gouden of zilveren ster werden gelegd aan de orde toegevoegd.

Oldenburg kende, anders dan de meeste Duitse staten, alleen deze ridderorde. Om aan de ingewikkelde 19e-eeuwse eisen van rang en stand en de diplomatieke gebruiken tegemoet te kunnen komen breidde de orde zich in de tachtig jaar van haar bestaan uit van tweemaal vier rangen met twaalf versierselen tot een ingewikkeld decoratiestelsel met minstens negenenveertig verschillende rangen en uitvoeringen.

De graden in 1918 right|200px|Keten van een Grootkruis met de Zwaarden De regerend groothertog was grootmeester De erfgroothertog was grootprior De prinsen van het groothertogelijk huis waren geboren ere-grootkruisen Ere-grootkruisen en grootkruisen-kapittelridders Er waren in deze beide categorieën grootkruisen mèt en zonder kroon, Grootkruisen met en zonder zwaarden, grootkruisen met zwaarden aan de ring, ten minste één grootkruis met een gouden ster en ten minste één grootkruis met Gouden Kroon, zwaarden en lauwerkrans. Ook een grootkruis met diamanten wordt door Nimmergut genoemd. In 1901 werd een grootkruis met zwaarden aan de ring en diamanten uitgereiktNimmergut-catalogus No. 1495. Ere-grootcommandeurs en grootcommandeurs-kapittelridders Er waren in deze beide categorieën grootcommandeurs mèt en zonder kroon, grootcommandeurs met en zonder zwaarden en grootcommandeurs met zwaarden aan de ring. Nimmergut noemt ook grootcommandeurs met diamanten en grootcommandeurs met zwaarden en lauwerkrans. Ere-commandeurs en commandeurs-kapittelridders Er waren in deze beide categorieën commandeurs met en zonder zwaarden en commandeurs met zwaarden aan de ring. Nimmergut noemt ook commandeurs met zwaarden en lauwerkrans en commandeurs met briljanten. Er werden tussen 1839 en 1918 1121 commandeurs benoemd.André Huesken. Officier Deze in 1903 aan de orde toegevoegde graad werd mèt en zonder de zwaarden en in een gedocumenteerd gevalIn de Eerste Wereldoorlog aan luitenant-kolonel v. Hohnhorst, bevelhebber van het 91e Oldenburgse infanterieregiment. Het kruis bevindt zich als langdurig bruikleen in de verzameling van de Forschungsstelle Oldenburgische Ordenskunde in het slotmuseum van Jever. met een lauwerkrans en zwaarden verleend. Het insigne van de officier is een "steckkreuz", een broche die niet aan een lint werd vastgemaakt maar op het midden van de linkerborst werd gespeld. Desondanks bestaat de graad van "Officier met de Zwaarden aan de Ring" wat merkwaardig is omdat er geen ring is. De zwaarden werden daarom boven het kruis gemonteerd. Er zijn vijf benoemingen tot Officier met de Zwaarden aan de Ring bekend.André Huesken op german-militaria.de Er zijn nooit officieren-kapittelridders geweest. Ereridders der Eerste Klasse en ridders-kapittelleden der Eerste Klasse Dit zijn de vroegere kleinkruisen. Er waren in deze beide categorie kruisen met en zonder zwaard en kruisen met zwaarden aan de ring. Het kruis is van verguld zilver en heeft een gouden beugelkroon als verhoging. Ereridders der Tweede Klasse en ridders-kapittelleden der Tweede Klasse Er waren in deze beide categorieën zilveren kruisen met een verguld medaillon mèt en zonder zilveren kroon en kruisen met en zonder zwaarden; ridderkruisen der Tweede Klasse met zwaarden aan de ring komen, al dan niet met zilveren kroon, eveneens voor.

Deze vormen van de decoratie komen ook in tal van combinaties voor zoals "met kroon en zwaarden aan de ring". Bijzonder is dat Oldenburgse onderdanen kapittelridders in de ene graad en ereridder in een hogere graad konden zijn. Aan het lidmaatschap van het kapittel, de zogenaamde eerste ridderklasse van de orde, was een pensioen van 400 thaler in goud voor de twee grootkruisen-kapittelridders, 300 thaler in goud voor de twee grootcommandeurs-kapittelridders, 200 thaler in goud voor de vier commandeurs-kapittelridders en 100 thaler in goud de twee oudste onder de acht ridders-kapittelleden verbonden.Opgave van Gritzner in 1893. Over de pensioenen van de mogelijk na 1903 benoemde officieren-kapittelridders ontbreken bronnen. Na 1918 moest de vrijstaat Oldenburg deze verplichtingen overnemen.

Van de insignes van de Ridders-kapittelridders is bekend dat er tussen 1839 en 1918 vijftien exemplaren aan de kanselarij zijn geleverd. Er zijn veel meer exemplaren op de antiquiteitenmarkt in omloop. Deze verschillen sterk van het enige twijfelloos originele exemplaar in de verzameling Friedhelm Beyreiß in het slotmuseum van Jever. Het kan om afwijkende modellen van andere hofjuweliers, privéopdrachten van de kapittelridders, kopieën voor verzamelaars en vervalsingen gaan.Bron: Friedhelm Beyreiß, artikel: "Grand-Duchy Oldenburg - Fakes of awards and medals" in het tijdschrift Militaria Nr. 1, 2/2001.

Het aantal Oldenburgse ere-ridders was aan een numerus clausus onderworpen, de leden van de groothertogelijke dynastie niet meegerekend mochten er niet meer dan vier Oldenburgse ere-grootkruisen, vier Oldenburgse ere-grootcommandeurs en acht ere-commandeurs zijn. Het aantal ere-ridders in iedere klasse was tot vierentwintig beperkt.Maximilian Gritzner.

De versierselen van de orde moesten in geval van bevordering binnen de eerste of tweede ridderklasse worden teruggestuurd aan de kanselarij in Oldenburg. Bij bevordering binnen dezelfde ridderklasse moest het lagere versiersel worden teruggegeven.

In het zeer standsbewuste en sociaal gestratificeerde wilhelminische Duitsland was het ondenkbaar dat iemand die geen "Herrschaft" was, zoals een onderofficier of een man die met zijn handen zijn brood verdiende ridder in een ridderorde zou kunnen worden. Daarom werden aan tal van Duitse ridderorden kruisen en medailles verbonden. De dragers van deze onderscheidingen mochten zich met de ridderorde verbonden voelen maar zij waren géén lid van het uitgelezen gezelschap.

Erekruisen right|100px|Erekruis in Goud Het "Allgemeines Ehrenzeichen", ook erekruis genoemd, was in 1838 ingesteld. Het ereteken was aan de orde verbonden maar de dragers waren geen ridders. Men verleende het ereteken aan de lagere beambten van het hof, middenstanders en onderofficieren. In 1856 werden een kroon, zwaarden en zwaarden aan de ring aan het ereteken toegevoegd.

Erekruis in Goud met Kroon Dit verguld bronzen of verguld zilverenNimmergut-catalogus No. 1525 Br Vg en 1525 Sv Vg. kruis werd in 1856 ingesteld om een graad tussen het ridderkruis en de gouden kruisen der Ie Klasse te kunnen uitreiken. Erekruis in Goud Erekruis in Zilver Erekruis in staal

De vier erekruisen werden ook met zwaarden, en met zwaarden aan de ring, verleend.Aanvullend Ordestatuut van 17 januari 1863.

Men noemt deze onderscheidingen meestal "Ehrenkreuz I. Klasse" enzovoort.Bijvoorbeeld bij Nimmergut. In de oudere beschrijving door Maximilian Gritzner is sprake van een "Allgemeines Ehrenzeichen in Gold".

De versierselen thumb|Keerzijde van het commandeurskruis en voorzijde van een kruis "met zwaarden aan de ring". thumb|Keerzijde van het grootkruis met de (gouden) kroon. thumb|Officierskruis met Zwaarden aan de Ring

De versierselen werden vervaardigd aan de hand van de door de kanselarij ter beschikking gestelde tekeningen en gedrukte voorschriften. Hofgoldschmied Bernhard Knauer in Oldenburg heeft een aantal kruisen van zijn stempel voorzien. Er zijn ook kruisen die geen fabrieks- of juweliersmerk dragen. Ook de keuren voor het edelmetaal en de daar bijbehorende jaarletter ontbreken.

Het kleinood van de orde is een zogenaamd kruis pattée met witgeëmailleerde armen met brede gouden of zilveren randen. Het centrale blauwe medaillon draagt een donkerrode ring met het motto van de orde. In het medaillon is het gekroonde gouden groothertogelijke monogram "PFL" aangebracht.