De Orde van de Rode Adelaar (Duits: Roter-Adler-Orden) werd op 17 november 1705 door markgraaf George Willem van Brandenburg-Bayreuth (1678-1726) gesticht als "Ordre de la Sincérité". De orde werd later een Pruisische orde, de laatste verlening vond in 1940 in Huis Doorn plaats door keizer Wilhelm II van Duitsland.Hüsken, A. (2001). Katalog der Orden, Ehrenzeichen und Auszeichnungen des Kurfürstentums Brandenburg, der Markgrafschaften Brandenburg‑Ansbach und Brandenburg‑Bayreuth, des Königreiches Preußen, der Republik Preußen unter Berücksichtigung des Deutschen Reiches. Band 1: Kurfürstentum Brandenburg, Markgrafschaft Brandenburg‑Ansbach, Markgrafschaft Brandenburg‑Bayreuth, Orden des Königreiches Preußen (320 p., ISBN 3‑89757‑136‑6). Hamburg: H. M. Hauschild GmbH.

thumb|Orde van de Rode Adelaar IVe klasse. In het kruis is het Pruisische Algemeen Ereteken te herkennen. Particuliere verzameling Groningen.

Geschiedenis van de orde van de Rode Adelaar thumb|Kruis, een kopie uit de late 19e eeuw thumb|Een diploma van de ridderorde van de Rode Adelaar getekend door de Pruisische koning Frederik Willem IV.

Na een enthousiast begin leidde de orde tijdens de regeringen van Georg Wilhelms opvolgers een kwijnend bestaan. Er werden weinig nieuwe ridders benoemd. In 1734 werd de, inmiddels bijna vergeten, ridderorde omgedoopt tot "Hochfürstlicher Brandenburgischer Roter-Adler-Orden". De laatste markgraaf van Brandenburg-Ansbach en Bayreuth, Karel Alexander (1736-1806), gaf de orde in 1776 nieuwe statuten en de naam "Hoogvorstelijke Brandenburgse Rode Adelaarsorde" (Duits: "Hochfürstlicher Brandenburgischer Roter-Adler-Orde"). Nadat de markgraaf in 1791 aftrad en zijn land vrijwillig aan Pruisen overdroeg, ging ook de orde over naar Pruisen. Op 12 juni 1792 verhief Frederik Willem II van Pruisen de orde tot de op een na hoogste Pruisische ridderorde, in rang volgend op de Hoge Orde van de Zwarte Adelaar.

In 1810 kreeg de alleen uit ridders bestaande orde een 2e en 3e klasse. In 1830 kwam daar de vierde klasse bij, het vroegere Algemeen Ereteken Ie Klasse. Na 1832 werd de orde ook voor niet-adellijke leden opengesteld. De Orde van de Rode Adelaar kende geen vrouwelijke leden.

Na Pruisisch geweest te zijn werd Bayreuth in 1815 Beiers grondgebied en dat is deze protestantse stad ook gebleven. De Orde staat daarom ook in het artikel Lijst van Historische Orden van Beieren en in de categorie Beierse Orden.

De vier klassen en het grootkruis van 1861 Grootkruis (een bijzonder grootkruis met een keten) Eerste Klasse (vergelijkbaar met een grootkruis) Tweede Klasse (vergelijkbaar met een grootofficier) Derde Klasse (vergelijkbaar met een commandeur) Vierde Klasse (vergelijkbaar met een ridder)

Versierselen De versierselen waren sinds 1810 een naar boven breder wordend kruis pattée. Het centrale medaillon toont de rode Brandenburgse heraldische adelaar met een groene krans van olijfbladeren in de klauwen. Op de keerzijde is het koninklijke monogram "FW" onder de Pruisische koningskroon afgebeeld.

Grootkruis Het op 18 oktober 1861 in Koningsbergen ingestelde grootkruis droeg rode gekroonde adelaars in de hoeken van een groot witgeëmailleerd Maltezer kruis. Het medaillon toonde het monogram "WR" (Wilhelminus Rex) en het motto van de orde, Sincere et constanter ("eerlijk en standvastig"). Op de achterzijde staat de datum waarop het grootkruis werd ingesteld: 18 oktober 1861.

Het grootkruis werd boven de Eerste Klasse, die op de keper beschouwd ook al een grootkruis was, gesteld. Nu kon men de orde met en zonder keten verlenen. In de standsbewuste 19e eeuw was het verlenen van de juiste graad van een ridderorde een belangrijke zaak voor de protocolchefs van de ministeries en hofhoudingen. Nu kon men veldmaarschalken en koninklijke prinsen een grootkruis verlenen en de generaals en minister de Eerste Klasse zonder iemand te kort te doen.

Het nieuwe grootkruis werd aan een zware gouden keten of op de heup aan een breed lint over de linkerschouder gedragen. De ster was van verguld zilver.

De daarbij behorende gouden ster droeg een medaillon met daarop de rode adelaar met op de borst een wapenschild. Het blauwe schild bevat de scepter van de aartskamerheer, een erfelijke titel van de Hohenzollern. Rond het medaillon is een blauwe ring waarop in gouden letters het motto van de orde aangebracht.

De grootkruisen in deze orde droegen, wanneer zij ook de Hoge orde van de Zwarte Adelaar bezaten, of een ander grootlint droegen, het grootkruis van de orde van de Rode Adelaar aan een lint om de hals.

De keten werd ook op afbeeldingen van een wapenschild om het schild gehangen.

Eerste klasse De eerste klasse draagt een zilveren ster. De adelaar draagt hier het zwart-witte Hohenzollernwapen op de borst. Ook dit kruis werd vaak aan een lint om de hals gedragen zoals afgebeeld in het portret van de Belgische prins Leopold.

Tweede klasse De tweede klasse droeg een kruis van de orde aan een lint om de hals. De tweede klasse droeg ook een vierkant zilveren schild (een "plaque") op de linkerborst. De adelaar draagt ook hier het Hohenzollernwapen en de band met het motto van de orde is wit.

Derde klasse De derde klasse droeg een kruis van de orde aan een lint op de linkerborst. De bekende jachtvlieger Manfred von Richthofen was een van de dragers van het kruis met zwaarden en kroon.

Vierde klasse De vierde klasse droeg een zilveren kruis van de orde met een geëmailleerd medaillon aan een lint op de linkerborst.

Het kruis verving het oudere Algemeen Ereteken der Ie Klasse. Het oorspronkelijke zilveren kruis werd op 1 januari 1830 opgeheven en de Orde van de Rode Adelaar kreeg een IVe Klasse. In het zilveren versiersel van de IVe Klase is het oude Algemene Ereteken nog te herkennen.

Het lint van de orde was wit met twee oranje strepen. Voor verdienste in tijden van oorlog was er een bijzonder zwart-wit lint beschikbaar. Koning Frederik Willem IV van Pruisen wilde geen kruisen, het symbool van zijn geloof, aan niet-christenen verlenen. Hoewel daar van veel zijden bezwaar tegen werd gemaakt stond hij er op dat Joodse onderdanen en andere niet-christenen een zilveren stervormig ridderinsigne kregen uitgereikt. Bij de familie Rothschild zette dit zoveel kwaad bloed dat zij kantoren openden in Wenen, Londen en Parijs maar beslist niet in Berlijn.

Grootkruisen in de Orde van de Rode Adelaar thumb|Het grootkruis en de gouden ster van de Orde van de Rode Adelaar. Particuliere verzameling Groningen. thumb|De Britse Veldmaarschalk Lord Roberts draagt het het kruis der Ie Klasse om de hals en de ster op de borst. right|225px|thumb|Ster van de Grootkruisen right|225px|thumb|Ster der Ie Klasse De grootkruisen in de Orde van de Rode Adelaar waren bestemd voor de meest verdienstelijke Duitse diplomaten, bestuurders en militairen. Voor verdiensten in de economie, de wetenschap en andere maatschappelijke velden werd vooral voor benoemingen in de Kroonorde gekozen. De Duitse keizer en koning van Pruisen hadden de beschikking over het Grootkruis dat met en zonder de Keten kon worden toegekend. Verder waren er voor onderscheidingen op dit hoge politieke en militaire niveau de Orde van de Zwarte Adelaar, De Wilhelm-Orde, de Huisorde van Hohenzollern met zijn kruisen en adelaars voor kunstenaars en theologen en in bijzondere gevallen de beroemde Hohenzollernketen. Na 1900 was ook de door Wilhelm II ingestelde Orde van Verdienste van de Pruisische Kroon beschikbaar. In een maatschappij waarin de politieke en militaire top geregeld een onderscheiding verwachtte en buitenlanders bij officiële gelegenheden zoals in Berlijn gehouden congressen zelfs om decoraties vroegen moest de Duitse regering beschikken over een fijn afgestemd decoratiebeleid met mogelijkheden om de gedecoreerde precies op waarde te schatten. Keizerin Augusta (1811–1890), echtgenote van keizer Wilhelm I Een bijzondere benoeming. Pruisen onderscheidde in de 19e eeuw dames alleen met damesorden zoals de Louisen-Orde. Generaal-veldmaarschalk Albrecht Theodore Emil, Graf von Roon (1803–1879) Eerder ridder der IIIe Klasse. Hij ontving het grootkruis rond 1866 na de Slag bij Nikolsburg samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Otto Theodor Freiherr von Manteuffel (1805–1882), Deze Pruisische eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken ontving van een dankbare Frederik Willem IV in 1848 een bijzonder vormgegeven grootkruis met "scepter en kroon". Grootadmiraal Prins Heinrich van Pruisen, tweede zoon van Frederik III en jongere broer van Wilhelm II. Hij ontving het Grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Keizerin Augusta Victoria (1858–1921), keizerin van Duitsland en koningin van Pruisen, echtgenote van Wilhelm II. Zij ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Otto von Bismark (1815–1898), de rijkskanselier ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Luitenant-generaal en luchtvaartpionier Ferdinand graf von Zeppelin (1838–1917) Generaal-veldmaarschalk (later rijkspresident) Paul von Hindenburg (1847–1934) droeg een grootkruis en ster met Eikenblad en Zwaarden. Admiraal Gustav von Senden-Bibran (1847–1909) droeg een grootkruis en ster met Eikenblad en Zwaarden Generaal-veldmaarschalk Helmuth Karl Bernhard von Moltke, (1800–1891), de "Alte Moltke", chef van de Generale Staf Kroonprins Wilhelm van Pruisen werd al op zijn tiende verjaardag in 1892 onderscheiden. Prins Eitel Frederik van Pruisen (1883–1942), tweede zoon van Wilhelm II ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Prins Adalbert van Pruisen (1884–1948), derde zoon van Wilhelm II ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Prins August Wilhelm van Pruisen (1887–1949), vierde zoon van Wilhelm II ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Prins Oscar van Pruisen (1888–1958), vijfde zoon van Wilhelm II ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Bernhard von Bülow, minister van Buitenlandse Zaken van het Duitse Rijk ontving de Orde op 6 januari 1905 "voor het bevorderen van de Duitse relaties met China". Prins Joachim van Pruisen (1890–1920), zesde zoon van Wilhelm II ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Dr. Karl Heinrich v. Schönstedt, Pruisisch minister van Justitie ontving het Grootkruis ter gelegenheid van de verjaardag van Wilhelm II op 27 januari 1900. Ernst von Hammerstein-Loxten (1827–1914), Pruisisch minister van Landbouw ontving het Grootkruis ter gelegenheid van de verjaardag van Wilhelm II op 27 januari 1900. Prins Friedrich Sigismund van Pruisen (1891–1927), deze neef van de Duitse keizer droeg het grootkruis met kroon. Hij ontving het grootkruis eerder al samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Paul von Breitenbach (1850–1930), deze Duitse politicus ontving het grootkruis in 1913 samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Grootadmiraal Alfred von Tirpitz (1849–1930) droeg een grootkruis met gouden kroon. Hij ontving het grootkruis samen met de Orde van de Zwarte Adelaar. Korvettenkapitän Gerhard Stubenrauch (b. 1880) – Eerder ridder der IVe Klasse , Stubenrauch was de commandant van de Marineluchtvaartdienst in de Eerste Wereldoorlog.

Geëerde buitenlanders en niet-Pruisen

George IV van het Verenigd Koninkrijk, werd op 6 september 1814 na de overwinning op Napoleon in de orde opgenomen Willem IV van het Verenigd Koninkrijk, werd op 6 september 1814 na de overwinning op Napoleon in de orde opgenomen Prins Charles Maurice de Talleyrand-Périgord. De Franse staatsman werd onderscheiden in de periode dat Frankrijk en Pruisen samen tegen Rusland streden. Vorst Klemens Wenzel Nepomuk Lothar Fürst von Metternich-Winneburg-Ochsenhausen zu Beilstein. De aartsconservatieve Oostenrijkse staatsman was van 1809 tot 1848 minister van Buitenlandse Zaken van Oostenrijk. Prins Andreas Razoemovski (1752–1836), een staatsraad aan het Russische Hof