Peter Paul Cetera Jr. (Chicago, 13 september 1944) is een Amerikaans zanger, liedjesschrijver en bassist in ruste. Cetera is bekend geworden als een van de zangers uit de band Chicago. In 1985 verliet hij deze band voor een solocarrière die tot 2018 duurde. Cetera heeft zeventien albums met Chicago uitgebracht en acht als soloartiest. In beide fases van zijn carrière scoorde hij twee nummer 1-hits; drie daarvan zijn (mede) door hem geschreven.

Jeugd Cetera, geboren en getogen in de South Side van Chicago, Illinois (Morgan Park), is van Pools-Hongaarse afkomst; hij is de tweede van zes kinderen van Peter Paul Cetera Sr. en Margareta (Bechtold) Cetera. Zijn vader werkte als machinist, zijn moeder wilde dat Cetera priester zou worden, maar doordat ze hem en zijn broers en zussen meerstemmig leerde zingen werd al snel duidelijk waar zijn toekomst lag. Ook broers Tim en Kenny Cetera kozen voor de muziek; zo maakte eerstgenoemde aan het begin van de jaren zeventig een album met Ricky Nelson. Beiden zouden ook hun medewerking verlenen aan enkele opnamen van Cetera met en zonder Chicago.

Op zijn elfde kreeg Cetera een accordeon in plaats van de gewenste gitaar en won een jaar later een lokale talentenjacht. Dit leverde hem een radio-optreden op dat een week later werd uitgezonden; zijn ouders hebben het echter moeten missen omdat ze geen FM-ontvanger hadden.

Op de middelbare school begon de vijftienjarige Cetera serieus na te denken over een carrière als zanger; hij werd door oudere schoolgenoten meegenomen naar een optreden van de Rebel Rockers en kocht vervolgens een akoestische gitaar bij Montgomery Ward. Hij ging uiteindelijk elektrische bas spelen en trok met schoolvrienden - een drummer, een gitarist en een saxofonist - langs de lokale dansclubs; Cetera deelde daarbij de leadzang met de gitarist.

Bo Diddley, Little Richard, Richie Valens, Jimmy Reed en The Ventures waren grote inspiratiebronnen voor de beginnende Cetera; als professioneel muzikant van begin twintig raakte hij beïnvloed door de Beatles.

Loopbaan The Exceptions Cetera speelde in diverse bands uit de omgeving van Chicago, waaronder The Exceptions waarmee hij midden jaren zestig door het Midden-Westen van Amerika toerde. "Tegen de tijd dat ik achttien was verdiende ik neer geld dan m'n vader." Met de Exceptions nam Cetera enkele singles op waaronder de vijf nummers tellende 7-inch ep Rock 'N' Roll Mass. Een van die nummers - Come On Home, markeerde zijn songschrijversdebuut - zij het dat hij de credits deelde met Kal David en Marty Grebb. Daarnaast speelde Cetera elektrische bas op een album van folkzanger en songschrijver Dick Campbell; Dick Campbell Plays Where It's At werd in 1966 uitgebracht op het Mercury. Toen de Exceptions aangaven dat ze psychedelische muziek wilden maken besloot Cetera om op te stappen. De Exceptions veranderden hun naam in Aorta en werden een van de eerste psychedelische bands op een grote platenmaatschappij.

Chicago In december 1967 zag Cetera een concert van The Big Thing; deze rockband met blazerssectie maakte zoveel indruk op hem dat hij zich twee weken later bij hen aansloot. The Big Thing werd al snel omgedoopt tot Chicago Transit Authority (uiteindelijk verkort tot Chicago) en bracht in 1969 het eponieme debuutalbum uit op Columbia. Op drie van de elf nummers, Questions 67 & 68, I'm a Man, en Someday, was Cetera als leadzanger te horen; zijn tenorstem complementeerde de baritonpartijen van toetsenist Robert Lamm en gitarist Terry Kath, de andere twee zangers in de band.

De opvolger Chicago II werd in 1970 een wereldwijd succes, mede dankzij de door Cetera gezongen top 10-hit 25 or 6 to 4; ook leverde hij de albumtrack Where Do We Go From Here?. Gedurende de jaren zeventig ontwikkelde Cetera zich tot een van de belangrijkste songschrijvers binnen de band; zo was hij op Chicago VII uit 1974 vertegenwoordigd met Wishing You Were Here en Happy Man. Leden van de Beach Boys zongen mee op Wishing You Were Here dat tot een elfde plaats kwam in de Billboard Hot 100. Happy Man werd door producer James Guercio omschreven als "een nummer 1-hit die nooit op single is verschenen".

In 1976 behaalde Cetera zijn grootste succes met Chicago toen de door hem geschreven en gezongen ballad If You Leave Me Now van het album Chicago X de Billboard Hot 100 aanvoerde en ook elders op nr. 1 stond. In Nederland bleef het zestien weken in de top 40 staan. In Amerika werd het nummer met goud en platina bekroond en viel het in de prijzen bij de 19e Grammy Awards op 19 februari 1977. Nadeel was echter dat Chicago voortaan als balladgroep werd beschouwd door het grote publiek, en Cetera als de blikvanger. Dit beeld werd andermaal bevestigd toen zijn compositie Baby, What a Big Surprise van Chicago XI datzelfde jaar tot een vierde plaats kwam. In Nederland werd het een top 3-hit gedurende een verblijf van negen weken.

Ondertussen begon Cetera ook met andere artiesten samen te werken; zo was hij onderdeel van de sterrencast die singer-songwriter Angelo bijstond op diens titelloze debuutalbum dat in 1976 uitkwam. In 1977 verzorgde hij de backing vocals op het album Beached van Ricci Martin (zoon van Dean Martin). Producer was Martins zwager Carl Wilson van de Beach Boys. Ook de blazers van Chicago, James Pankow, Walter Parazaider en Lee Loughnane speelden mee. In 1978 was hij een van de achtergrondzangers op Billy Joel's My Life van diens album 52nd Street. Datzelfde jaar werkte Cetera mee aan Karen Carpenters eponieme soloalbum als achtergrondzanger op Making Love in the Afternoon dat hij speciaal voor haar had geschreven. Het album zou pas in 1996 worden uitgebracht op A&M.

Eind jaren zeventig was Chicago qua populariteit voorbijgestreefd door disco, met als absoluut dieptepunt het album Chicago XIV dat in 1980 op een 71e plaats in de Billboard 200. Columbia kocht dientengevolge het nog lopende contract van de band uit.

Cetera was dan al bezig met zijn eerste soloalbum en moest de rechten ervan kopen aangezien Columbia het niet wilde uitbrengen. Het titelloze verscheen in 1981 op Warner Bros., het nieuwe thuislabel van Chicago, maar flopte en kwam niet verder dan nr. 143 in de Billboard 200. Volgens Cetera zou Warner hebben geweigerd hem als soloartiest te promoten uit angst dat hij Chicago zou verlaten.

In 1982 werd producer David Foster erbij gehaald, hetgeen resulteerde in Chicago 16. Het album kwam de top tien binnen (nr.9) en betekende een grootse comeback voor Chicago. Drie singles werden ervan getrokken; allen geschreven en gezongen door Cetera die voor de eerste twee werd bijgestaan door Foster. De eerste single, Hard to Say I'm Sorry, werd de tweede nr. 1-hit voor de band, bekroond met goud in september 1982 en genomineerd voor een Grammy Award. Ook was het te horen in de film Summer Lovers met Daryl Hannah. Daarna volgden Love Me Tomorrow (nr. 22 in de Billboard Hot 100) en What You're Missing. Als lid van de American Society of Composers, Authors and Publishers won Cetera de ASCAP Pop Music Award voor Meestgedraaide Nummer voor zowel Hard To Say I'm Sorry als Love Me Tomorrow en werd hij onderscheiden als meervoudig winnende songschrijver. Tussen alle Chicago-verplichtingen deed Cetera de achtergrondzang op Paul Anka's laatste Amerikaanse top 10-hit Hold Me 'Til the Mornin' Comes (medegeschreven door Foster) die in de zomer van 1983 werd uitgebracht.

Chicago 17 werd in 1984 het succesvolste album van de geroutineerde band; alleen al in de VS werden er zes miljoen exemplaren van verkocht. Alle vier de singles van het album werden gezongen door Cetera (waarvan drie door hem medegeschreven) en haalden de Amerikaanse top 20; Sray the Night (nr. 16), Hard Habit to Break (nr.3), You're the Inspiration (nr.3) en Along Comes a Woman (nr. 14). Hard Habit to Break, geschreven door Steve Kipner en John Lewis Parker, leverde Cetera drie nominaties op bij de Grammy Awards waarvan een samen met David Foster voor zangarrangement; de enige keer dat hij hiervoor werd genomineerd. Verder sleepte Cetera ASCAP-awards in de wacht voor You're the Inspiration. Dankzij de bijbehorende videoclip en de groeiende populariteit van MTV werd Cetera nu definitief het 'gezicht' van de gezichtsloze band die Chicago lange tijd is geweest.

Vertrek Door het verworven succes begon Cetera erover te denken om weer een soloalbum op te nemen, vooral omdat het zware tourschema ter promotie van Chicago 17 hem tegenstond. Toen de 17-tournee in mei 1985 ten einde liep maakten de manager van Chicago en enkele bandleden bekend dat ze ook in de zomer wilden optreden om aansluitend een nieuw album te maken. Cetera was het hier niet mee eens en verliet de band in juli 1985. Jason Scheff verving hem als zanger en bassist. Cetera vertelde later dat hij een soortgelijke regeling had gewild als Phil Collins die naast zijn tournees als lid van Genesis ook soloplaten uitbracht; ook Chicago-drummer Danny Seraphine vond dat de band hiermee had moeten instemmen. In 1987 zei Cetera over de breuk "Het was niet vriendschappelijk, maar het was ook rampzalig. Het is niets dat een nieuwe hit voor mij en een nieuwe hit voor hen niet kan verbeteren."

Solocarrière 1986-1989 Na zijn vertrek uit scoorde Cetera in 1986 zijn eerste hit als soloartiest; Glory of Love, geschreven met David Foster en Diane Nini was oorspronkelijk bedoeld voor de film Rocky IV, maar werd uiteindelijk het themanummer van The Karate Kid Part II. Het leverde Cetera zijn derde nr. 1-notering in de Billboard Hot 100 op en gooide ook in de rest van de wereld hoge ogen. Cetera en Foster wonnen respectievelijk een ASCAP-award en een BMI Film & TV Award. Verder was het genomineerd voor een Oscar, een Golden Globe en een Grammy. Tijdens de 59e Oscaruitreiking zong Cetera een ingekorte versie van het lied. In twee interviews uit 1987 liet Cetera zich ontvallen dat er bij sommige mensen eerst dachten dat Glory of Love een nieuw nummer van Chicago was. Rond februari van dat jaar had hij zich echter voldoende bewezen om ook een American Video Award in de wacht te slepen voor Beste Nieuwkomer.

Glory of Love verscheen op Cetera's tweede soloalbum Solitude/Solitaire uit 1986; het verkocht meer dan een miljoen exemplaren en haalde goud en platina. In Nederland stond het zeven weken in de top 40 met nr.21 als hoogste notering; zijn enige onder eigen naam. Ook de opvolger - The Next Time I Fail, een duet met Amy Grant, werd in Amerika een nr. 1-hit en genomineerd voor een Grammy. Solitude/Solitaire haalde de 23e plaats in de Billboard 200 en verkocht beter dan Chicago 18 (nr.35), het eerste album zonder hem.

Daarna werkte Cetera samen met Agnetha Fältskog van de Zweedse groep ABBA; hij produceerde haar soloalbum I Stand Alone dat in november 1987 verscheen en in Zweden op nr. 1 kwam. Cetera schreef samen met co-producer Bruce Gaitsch het titelnummer en vervulde de rol van duetpartner in het op single uitgebrachte I Wasn't the One (Who Said Goodbye). Kenny Cetera zong backing vocals.

In 1988 sloeg Cetera de handen ineen met producer Patrick Leonard voor zijn derde soloalbum One More Story; van de tien nummers hebben ze er acht samen geschreven waaronder de titeltrack en de single One Good Woman die in Amerika tot nr. 4 kwam. Leonard speelde ook piano en synthesizers op het album waaraan ook bekende gastmusici hebben bijgedragen zoals Richard Sterban (The Oak Ridge Boys), Bonnie Raitt in Save Me en David Gilmour in Body Language en You Never Listen to Me. Madonna, die destijds met Leonard aan haar nieuwe album werkte, vervulde een cameo als Lulu Smith in Scheherazade. Save Me was de oorapronkelijke herkenningstune van de tv-serie Baywatch, You Never Listen to Me was te horen tijdens de openingsscène van de Miami Vice-aflevering Redemption in Blood: Part 2 hoewel dit niet werd vermeld bij de aftiteling.