thumb|Hilary Putnam Hilary Whitehall Putnam (Chicago, 31 juli 1926 – Boston, 13 maart 2016) was een Amerikaans filosoof, die vanaf de jaren zestig een centrale rol speelde in de westerse filosofie, met name in de filosofie van de geest, de taalfilosofie en de wetenschapsfilosofie.Casati R., "Hillary Putnam" in Enciclopedia Garzanti della Filosofia, ed. Gianni Vattimo. 2004. Garzanti Editori. Milan. Het typeert Putnam dat hij ook zijn eigen filosofische opstellingen kritisch bleef analyseren, op zoek naar fouten, wat hem de reputatie opleverde nogal snel van gedachten te veranderen. Daar hij ook over veel verschillende onderwerpen geschreven heeft, zijn zijn standpunten soms moeilijk te bepalen.

Biografie Putnams vader Samuel Putnam was een journalist en vertaler, die schreef voor de "Daily Worker", een New Yorks dagblad dat werd uitgegeven door de Amerikaanse communistische partij. Ten gevolge van zijn vaders verbondenheid met het communisme werd Putnam seculair opgevoed, hoewel zijn moeder, Riva, Joods was. Het gezin woonde in Frankrijk tot 1934 en keerde toen terug naar de Verenigde Staten, waar ze zich in Philadelphia vestigden. Putnam studeerde wiskunde en filosofie aan de Universiteit van Pennsylvania, waar hij zijn Bachelorstitel behaalde en lid werd van de "Philomathean Society", de oudste literaire sociëteit van Amerika. Hij studeerde verder af in de filosofie aan Harvard en promoveerde in 1951 aan de Universiteit van Californië in Los Angeles op het proefschrift "The Meaning of the Concept of Probability in Application to Finite Sequences" (De betekenis van het concept van waarschijnlijkheid toegepast op eindige reeksen). Putnams begeleiders hier waren Hans Reichenbach en Rudolf Carnap: beiden leidende personen in het logisch positivisme, de dominante filosofische school van die tijd. Een van Putnams meest consistente stellingnamen zou zijn afwijzing van het logisch positivisme als "zelfvernietigend" zijn.

Na een korte periode van lesgeven op Northwestern, Princeton en MIT verhuisde hij in 1965 naar Harvard met zijn vrouw Ruth Anna Putnam, die ook een leerstoel filosofie aanvaardde aan MIT. Hilary en Ruth Anna waren getrouwd in 1962. Ruth Anna was geboren in München in Duitsland in 1927, waar haar ouders politiek actief waren tegen de nazipartij, en net als Putnam was ze atheïstisch opgevoed. De Putnams rebelleerden tegen het antisemitisme dat ze gedurende hun jeugd hadden ervaren en besloten een traditioneel Joods huishouden voor hun kinderen te scheppen. Daar zij echter geen ervaring hadden met de Joodse rituelen, vierden ze Sederavond in het gezelschap van andere Joodse families. Om meer kennis op te doen, begonnen ze zich te verdiepen in Joodse rituelen en het Hebreeuws, en ze raakten meer geïnteresseerd, betrokken en actief in het Jodendom. In 1994 vierde Hilary Putnam de bar mitswa-dienst, en zijn vrouw onderging deze dienst vier jaar later.

Op Harvard was Putnam een populaire leraar. In de familietraditie werd hij in de jaren zestig en begin zeventig politiek actief in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en in de oppositie tegen de Vietnamoorlog. In 1963 organiseerde hij bij M.I.T. als een van de eersten een faculteit en studentencommissie tegen de oorlog. Putnam was erg verontrust door de claim dat de Verenigde Staten de Zuid-Vietnamese bevolking "beschermde" tegen de Vietcong door de vergiftiging van hun oogst. Na zijn overstap naar Harvard organiseerde hij campusprotesten en begon hij lessen te geven over het marxisme. Hij werd een officieel faculteitsadviseur voor de "Studenten voor een Democratische samenleving" en werd in 1968 lid van de Amerikaanse Progressieve Arbeiderspartij (PLP).

Na 1968 concentreerde hij zijn politieke activiteiten op de Progressieve Arbeiderspartij. Dit werk werd door het Harvardbestuur als ordeverstorend beschouwd, en zij trachtten het dan ook te censureren, maar twee andere medewerkers bekritiseerden deze gang van zaken. Putnam bleef bij de arbeiderspartij tot 1972. In 1997 bij een bijeenkomst van voormalige activisten beschreef hij zijn betrokkenheid bij de Progressieve Arbeiderspartij als een misstap. Hij was onder de indruk gekomen van hun toewijding tot het vormen van allianties en hun bereidheid om binnen de strijdkrachten actie te voeren.

In 1976 werd hij verkozen tot president van de Amerikaanse Filosofische Associatie. Het jaar nadien werd hij benoemd tot Walter Beverly Pearson Professor van wiskundige logica, ter erkenning van zijn bijdrage aan de filosofie van de logica en de wiskunde. Hoewel hij radicaal brak met zijn verleden, verloor Putnam nooit zijn geloof dat de academische wereld een specifieke sociale en ethische verantwoordelijkheid draagt tegenover de maatschappij. In zijn politieke visie bleef hij vooruitstrevend en progressief, waarvan artikelen als "How Not to Solve Ethical Problems" (1983) en "Education for Democracy" (1993) getuigen.

Professor Putnam was een fellow van de American Academy of Arts and Sciences en een corresponderend fellow van de British Academy. Hij legde zijn onderwijstaken neer in juni 2000 en was Cogan University Professor Emeritus bij Harvard. Zijn corpus omvat vijf delen van zijn verzameld werk, zeven boeken en meer dan 200 artikelen. Putnams hernieuwde belangstelling voor het Jodendom heeft hem er nog toe geïnspireerd verscheidene boeken en essays te schrijven. Samen met zijn vrouw schreef hij ook enige boeken en essays over de laat-19e-eeuwse Amerikaanse pragmatische beweging.

Putnam overleed op 13 maart 2016 op 89-jarige leeftijd aan de gevolgen van borstvlieskanker.

Werk: algemeen Putnam stond bekend om zijn bereidheid om hetzelfde geloof te hechten aan zijn eigen stellingname als aan die van anderen, waarbij hij elke vorm van radicale analyse afwees totdat de gebreken waren aangetoond.King, P.J., One Hundred Philosophers: The Life and Work of the World's Greatest Thinkers. Barron's 2004, p. 170. Hierdoor verwierf hij een reputatie dat hij regelmatig van standpunt wisselde. Zijn bijdragen aan met name de filosofie zijn bijzonder divers:

In de filosofie van de geest is Putnam bekend om zijn argumentatie tegen de type-identiteit van de mentale en fysische staat gebaseerd op zijn hypothese van de meervoudige realiseerbaarheid van het mentale en van het concept van functionalisme, een invloedrijke theorie in het lichaam-geestprobleem. In de taalfilosofie ontwikkelde hij, samen met Saul Kripke en anderen, de causale theorie van referentie, en formuleerde een originele theorie over betekenis, waarbij hij de notatie van semantisch externalisme uitvond gebaseerd op het beroemde gedachte-experiment “Twin Earth” genoemd.P. Clark-B. Hale (eds.), "Reading Putnam", Blackwell, Cambridge (Massachusetts)-Oxford 1995. In de filosofie van de wiskunde ontwikkelden hij en zijn mentor W. V. Quine de zogenaamde onvervangbaarheidsthesis van Quine-Putnam: een argumentatie omtrent de realiteit van wiskundige entiteiten,Colyvan, Mark, "Indispensability Arguments in the Philosophy of Mathematics", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2004 Edition), Edward N. Zalta (ed.). Gearchiveerd op 19 april 2023. en de latere stellingname dat wiskunde niet puur logisch is, maar "quasi-empirisch".Putnam, H. Philosophy of Mathematics: Selected Readings. Edited with Paul Benacerraf. Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall, 1964. 2nd ed., Cambridge: Cambridge University Press, 1983. Op het gebied van de kennistheorie is hij bekend om zijn "hersenen in een vat"-gedachte-experiment, dat een confrontatie aangaat met het scepticisme.Putnam, H. (1981): "Brains in a vat" in Reason, Truth, and History, Cambridge University Press; reprinted in DeRose and Warfield, editors (1999): Skepticism: A Contemporary Reader, Oxford UP. In de metafysica heeft hij vertrouwd op het zogenaamde metafysisch realisme, maar hij werd uiteindelijk een van de meest uitgesproken critici. Eerst adopteerde hij een visie die hij "intern realisme" noemde,Putnam, H. Realism with a Human Face. Edited by James Conant. Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1990. die hij later weer verliet voor een pragmatisch geïnspireerd direct realisme. Putnams "direct realisme" wil terugkeren naar de studie van de metafysica, gelijkend op de wijze waarop de mens de wereld daadwerkelijk ervaart, en hierbij de ideeën verwerpend van mentale representatie, zintuiglijke data, en andere intermediairs tussen de geest en de wereld.Putnam, H.. The Threefold Cord: Mind, Body, and World. New York: Columbia University Press, 1999.

Buiten de filosofie heeft Putnam bijdragen geleverd aan de wiskunde en computerwetenschap. Hij ontwikkelde het zogenaamde Davis-Putnamalgoritme voor het booleaanse vervulbaarheidsprobleem samen met Martin Davis,Davis, M. and Putnam, H. "A computing procedure for quantification theory" in Journal of the ACM, 7:201–215, 1960. en heeft een demonstratie gegeven van de onoplosbaarheid van het tiende probleem van Hilbert. In de Verenigde Staten was hij verder een politiek controversieel figuur, voornamelijk door zijn betrokkenheid bij de communistische Progressieve Arbeidspartij.To appear in the "American Philosophers" edition of Literary Biography, ed. Bruccoli, Layman and Clarke

Filosofie van de geest Meervoudige realiseerbaarheid thumb|240px|right|Illustratie van meervoudige realiseerbaarheid. M staat voor mentaal: P staat voor fysisch. Nu kan men hier zien, dat meer dan één P een M initieert, maar niet vice versa. De pijlen geven hier causale relaties weer tussen de toestanden (M1 wordt tot M2, etc.) Putnam is waarschijnlijk het beroemdst geworden door zijn buitengewone en originele bijdragen aan de filosofie van de geest. Met name een van zijn belangrijkste en langst blijvende bijdragen aan dit filosofisch vakgebied is de formulering van de hypothese van "meervoudige realiseerbaarheid" (Engels: multiple realizability).Bickle, John "Multiple Realizability", The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2006 Edition), Edward N. Zalta (ed.). Gearchiveerd op 9 januari 2023. De locus classicus van deze stelling is terug te vinden in verschillende publicaties uit eind jaren zestig. In deze publicaties stelt hij, in tegenstelling tot de claim van identiteitstheorie, dat het niet noodzakelijkerwijs waar is dat pijn identiek is aan het vuren van C-vezels. Het is heel goed mogelijk en ook waarschijnlijk dat pijn overeenkomt of samenhangt met volstrekt andere fysieke toestanden van het zenuwstelsel in verschillende organen. Toch is het in alle gevallen zo dat iemand de mentale toestand bereikt van 'pijn hebben'.

Putnam citeert verscheidene voorbeelden uit de dierenwereld om zijn stelling te illustreren. Hij vroeg zich af of het waarschijnlijk is dat de hersenen van alle zoogdieren, reptielen, vogels, amfibieën en weekdieren op exact dezelfde manier pijn kunnen ervaren of andere mentale toestanden hebben. Hebben hun hersenen eigenlijk wel dezelfde hersenstructuur? Als we het bewijs dat door de comparatieve neuroanatomie en neurofysiologie moeten geloven, is dit duidelijk niet het geval. Putnams antwoord is dat mentale soorten (eigenschappen, toestanden, gebeurtenissen) worden gerealiseerd door verschillende fysieke toestanden in verschillende organismen. Putnam trok vervolgens zijn argument door naar buitenaardse wezens, kunstmatig intelligente robots en op silicium gebaseerde levensvormen en hij vroeg zich af of deze hypothetische wezens al a priori niet in staat zijn om pijn te ervaren, omdat ze niet dezelfde neurochemie hebben als mensen. Hij concludeerde dat type-identiteit en reductionele theorieën een zeer ambitieuze en zeer onwaarschijnlijke speculatie doen die kan worden weerlegd met één enkel tegenvoorbeeld van meervoudige realiseerbaarheid.Putnam, H. (1975) Mind, Language and Reality. Philosophical Papers, vol. 2. Cambridge: Cambridge University Press, 1975. Dit wordt ook wel het waarschijnlijkheidsargument (Engels: likelihood argument) genoemd.