thumb|300px|Georg Wilhelm Friedrich Hegel, wellicht de bekendste idealist. Het Duitse idealisme is een filosofische stroming uit de geschiedenis van de moderne filosofie. De stroming is ontstaan in Duitsland in de late 18e en vroege 19e eeuw. Het Duitse idealisme is nauw verbonden met de Romantiek en met de revolutionaire ideeën van de Verlichting en vindt zijn oorsprong in het werk van Immanuel Kant. Ze kwam echter pas tot haar bekende vorm in het werk van Fichte, Schelling en Hegel. Andere filosofen die nauw met deze stroming worden geassocieerd zijn Jacobi, Reinhold en de theoloog Schleiermacher.
Het Duitse idealisme gaat ervan uit dat inzicht en veranderingen eerst op het niveau van de ideeën moeten plaats hebben. In haar vroege vorm, onder meer bij Kant en Fichte, draait het rond de stelling dat het het menselijke verstand en de menselijke rede zijn die de werkelijkheid structuur geven. In haar latere fase, bij Schelling en Hegel, is de centrale stelling dat deze rede zich ook doorheen de hele werkelijkheid, de natuur en de geschiedenis, voltrekt. De 'Duitse idealisten' werkten samen aan een basis voor een systematische eenheid van de verzamelde kennis. Zij worden daardoor ook weleens de laatste grote systeemfilosofen genoemd.
Betekenis van 'idealisme' Het woord 'idealisme' heeft meer dan één betekenis. De filosofische betekenis heeft niets te maken met "het beste over mensen en hun kwaliteiten denken", maar houdt verband met de kennis die de mens heeft over 'objecten'. We kunnen alleen directe kennis hebben van gevoelens, ideeën en voorstellingen in onze gedachten. Objecten kunnen door ons alleen indirect waargenomen worden; de ideeën representeren deze objecten. In deze zin kunnen we het woord 'idealisme' bij het Duitse idealisme gebruiken.
Achtergrond In ruimere zin gaat het idealisme terug tot de klassieke filosofie. Vooral Plato met zijn ideeënleer moet hier worden genoemd. Later kunnen ook Leibniz (1646–1716) met zijn monadenleer en het spiritualisme van George Berkeley (1685–1753) als voorboden gelden.
thumb|Immanuel Kant
Immanuel Kant Immanuel Kant (1724-1804) wordt soms gezien als de eerste Duitse idealist. De centrale vraag in het werk van Kant was: “Wat zijn de voorwaarden voor de mogelijkheid van kennis?” (Was sind die Bedingungen der Möglichkeit von Erkenntnis?). Kant noemde zijn filosofie dan ook 'transcendentaal': het zocht naar de grenzen en de mogelijkheidsvoorwaarden van de kennis überhaupt. Hij zette zijn filosofie daarover uiteen in zijn Kritik der reinen Vernunft (1781). Kants werk poogde een brug te slaan tussen de twee dominante filosofische scholen van de 18e eeuw, die hier elk een eigen antwoord op zijn vraag hadden: het rationalisme, dat beweerde dat kennis alleen a priori verkregen kan worden; het empirisme, dat beweerde dat kennis alleen door de zintuiglijke ervaring verworven kan worden. Kants voorstel was dat wij feiten over de wereld alleen maar via onze zintuigen kunnen ervaren, maar dat de “vorm” welke ze moeten aannemen, afkomstig is van de categorieën van het menselijk verstand. In die zin is, volgens Kant, de wereld zoals ze werkelijk los van de mens is (het Ding an sich) principieel niet kenbaar. De werkelijkheid waarmee we vertrouwd zijn is er een die in sterke mate vorm gegeven is door het menselijk verstand zelf. De mens kent dus de wereld niet zoals ze werkelijk los van de mens bestaat, maar enkel de wereld zoals die aan het menselijk verstand verschijnt.
Een verder fundamenteel element in de kennisverwerving voor Kant is de 'transcendentale apperceptie' (het Ich denke): de mens wil een zo groot mogelijke eenheid van ervaring krijgen en het is een soort a priori eenheid, het zelfbewustzijn, dat deze kennisoordelen steeds begeleidt. Als een boom wordt waargenomen, is het steeds een 'ik' dat de boom waarneemt of kent. Al deze kennis wordt daarbij steeds geplaatst binnen drie 'regulatieve' ideeën: God, de wereld en de ziel. Deze ideeën konden niet bewezen worden omdat ze zich buiten de categorieën van het verstand bevonden, maar moesten desalniettemin aangenomen worden om de andere ervaringen met elkaar te verbinden. De wereld zorgde voor een eenheid onder de ervaringen van het materiële, de ziel voor de eenheid van het psychische. God stond dan weer in voor de eenheid tussen het materiële en het psychische.
Voor Kant is het ding op zich, de kennisobjecten die buiten het empirische vallen, fundamenteel onkenbaar en dus geen object van kennis. Zo'n vorm van metafysica was voor hem uitgesloten. Het waren de latere idealisten die deze grens in vraag gingen stellen en betoogden dat de menselijke rede wel degelijk kennis over het Ding an sich kan hebben of dit begrip geheel verwerpen. Deze nog gematigde vorm van idealisme, die trouw blijft aan de grenzen van Kant, wordt ook weleens het transcendentaal idealisme genoemd.
thumb|Karl Leonhard Reinhold
Eerste reacties Friedrich Heinrich Jacobi (1743-1819) was een van de eersten die op het werk van Kant reageerden. Hij is vooral belangrijk door zijn boek David Hume über den Glauben, oder Idealismus und Realismus (1787), waaraan een appendix is toegevoegd die de filosofie van Kant behandelt. Hierin argumenteerde Jacobi dat de filosofie van Kant en zijn visies over het Ding an sich onhoudbaar waren en uitliepen op rationalisme, fatalisme en spinozisme. In de eerste plaats wees hij op een inconsequentie bij Kant: enerzijds beweerde Kant dat het het menselijk verstand is dat het object van kennis 'creëert', maar vervolgens beweerde hij wel dat er een extern object is, het ding op zichzelf, dat een zintuiglijke indruk op het verstand maakt. Het object bestaat dus zowel los als afhankelijk van de mens volgens Kant. Historisch gezien had dit werk niet het gevolg dat Kant verworpen werd, zoals Jacobi beoogde, maar zorgde eerder voor een heropleving van de studie naar het werk van Baruch Spinoza (en diens verhouding tot Kant), die van cruciaal belang was voor de verdere ontwikkeling van het Duits idealisme. Deze hele controverse staat bekend als de pantheïsmestrijd (Pantheismusstreit).
Een andere vroege criticus was Gottlob Schulze (1761–1833), die een gelijkaardige kritiek uitwerkte. Kant stelde dat het Ding an sich, dat aan de oorsprong van zintuiglijke aanschouwingen, die samen met de categorieën van het verstand kenobjecten tot stand brengen, zelf onkenbaar is. Hoe weet Kant echter dan dat er zoiets als een Ding an sich bestaat? Doet hij in dit geval zelf niet beroep op een categorie van het verstand, namelijk die van de 'oorzakelijkheid'? Deze kritiek was in de eerste plaats van belang voor het tot stand komen van het werk van Arthur Schopenhauer (1788-1860), van wie Schulze een leermeester was.
Karl Leonhard Reinhold (1757–1823) onderschreef dat er problemen waren met het werk van Kant, maar accepteerde niet dat het werk van Kant daarom maar verworpen moest worden. Reinhold zag in het werk van Kant net de mogelijkheid om het eeuwenoude conflict tussen geloof en rede op te lossen. Reinhold verdiepte zich dan ook in het werk van Kant en probeerde in zijn Briefe über die Kantische Philosophie (1786) de fundamentele problemen die hij tegenkwam van een oplossing te voorzien. Hij kwam net als Jacobi tot de vaststelling dat er bepaalde inconsequenties en tegenstellingen zaten in het werk van Kant. Zo bleef de tegenstelling tussen verstand en waarneming behouden, die ook in het debat tussen het rationalisme en empirisme zo belangrijk was geweest. Daarom vraagt Reinhold zich af of er niet een diepere fundamentele grond bestaat waarop alle verdere categorieën van het verstand steunen, samen met de ideeën van ruimte en tijd, die de zintuiglijke ervaringen structureren. Reinhold kwam tot de oplossing dat de gemeenschappelijke grond van het aanschouwen en het denken lag in het feit dat beide vormen waren van 'voorstellen'.
Johann Gottlieb Fichte thumb|Johann Gottlieb Fichte Na Kant was het echter pas Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) die zich ontpopte tot een van de bekendste idealisten. Fichte was van arme komaf, maar had via een reeks beurzen toch aan de universiteit kunnen studeren en kwam daar in contact met het werk van Kant. Fichte probeerde vervolgens in contact te komen met Kant zelf, die in Koningsbergen zat, en circuleerde lang in zijn naaste kringen. Fichte kwam pas op de voorgrond toen Kant zijn drie grote kritieken al geschreven had, waarvan de laatste, Kritik der Urteilskraft verscheen in 1790. Het grote publiek, dat al met het werk van Kant vertrouwd begon te raken, verwachtte dat er hierna nog een vierde kritiek zou komen, namelijk een die zou handelen over de religie. Fichte, die zelf ondertussen een boek had geschreven, legde dit werk aan Kant voor, die er zich positief over uitliet. Met behulp van diens contacten slaagde Fichte erin zijn werk, Versuch einer Critik aller Offenbarung, in 1792 te publiceren. Het werd echter anoniem gepubliceerd, zogenaamd omdat er 'delicate zaken in worden behandeld', maar waardoor iedereen dacht dat het van de hand van Kant zelf was. Enkele maanden na de publicatie maakte Kant openbaar dat het niet van zijn hand was, maar van de jonge, nog onbekende Fichte. Hierdoor werd Fichte in een klap een grote naam in de filosofie.
Doorheen zijn carrière profileerde Fichte zich steeds als volgeling van Kant. Wat hij in wezen deed, aldus Fichte, was niets meer dan het werk van Kant verder uitleggen of hoogstens uit een ander perspectief belichten. En net als Kant typeerde Fichte zijn filosofie ook als 'transcendentaal', hoewel hij zelf liever sprak over een wetenschapsleer (Wissenschaftslehre). Het grote verschil is wel dat Kants opzet nog kritisch van aard was, terwijl Fichtes insteek eerder systematisch was. Terwijl Kant wilde nadenken over de fouten van de vroegere metafysici, wilde Fichte zelf een geheel kennissysteem uitdenken binnen deze nieuwe grenzen van de filosofie. Kant zelf was hier niet altijd mee opgezet en ging na een tijd zelfs over tot het publiceren van een openlijke brief om zich van de stellingen van Fichte te distantiëren.
Het centrale idee van Fichte is dat de mens volledig vrij is en zichzelf de wet stelt, en dus auto-noom is. In die zin is het dan ook cruciaal dat de mens, als denkend en handelend wezen, zich niet laat bepalen door dingen van buitenaf. In feite is er niet echt een verschil tussen denken en handelen, want denken is voor Fichte ook een handeling: een denkact brengt namelijk een eenheid tot stand, namelijk het kenobject. Als een mens denkt 'het gras is groen', dan heeft hij in feite een hele reeks chaotische aanschouwingsbeelden tot een eenheid gebracht van het groene gras, via categorieën zoals substantie en kwaliteit.
Dit alles komt nog zeer kantiaans over, maar het is hier dat hij een nieuw element toevoegde. Fichte is zich bewust van de vele kritieken op de nog bestaande tegenstellingen en inconsequenties in het werk van Kant. Daarom gaat hij ook op zoek naar een grondprincipe die al deze tegenstellingen kan overwinnen, en dat vindt hij in de idee van de transcendentale apperceptie van Kant: het Ich denke. Voor Fichte ligt aan de basis van alle kennis het axioma van het absolute Ik dat zichzelf stelt als Ik, een absoluut Ik dat bewust wordt dat Ik het ben dat denkt. Dit fundament stelt hij ook weleens als 'Ik=Ik' voor. In die zin is er ook geen behoefte meer aan een extern Ding an sich, want het is dit absolute Ik dat volgens Fichte in zichzelf een 'niet-Ik' onderscheidt: het is het absolute Ik dat stelt dat de stoel, de tafel, de wereld iets anders is dan Ik. En het is net via dit stellen van een niet-Ik dat het absolute Ik ook inhoud geeft aan zijn eigen Ik. Het absolute Ik kan stellen dat 'Ik een mens ben' doordat het zich kan contrasteren met niet-mensen.