Agujaceratops is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs behorende tot de groep van de Ceratopia dat tijdens het Late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De enige benoemde soort is Agujaceratops mariscalensis.
Vondst en naamgeving Het geslacht is in 2006 door Spencer Lucas, Robert Sullivan en Adrian Hunt toegekend aan de in 1989 door Thomas Lehman benoemde soort Chasmosaurus mariscalensis, waarvan de soortaanduiding verwees naar de berg Mariscal, die men een eigen genus waardig achtte. Het gaat dus niet om een geheel nieuwe vondst. De geslachtsnaam verwijst naar de Agujaformatie in Texas en verbindt dit met een Klassiek Grieks keras, "hoorn" en oops, "aangezicht". De typesoort van het geslacht is Chasmosaurus mariscalensis. De combinatio nova is Agujaceratops mariscalensis. Niet alle onderzoekers hebben de plaatsing in een eigen geslacht aanvaard. In 2011 sprak Lehman zelf nog van een Chasmosaurus mariscalensis. left|thumb|Het woeste vondstgebied in de Big Bend Het holotype, UTEP P.37.3.086., is in 1938 onder leiding van William Samuel Strain, de directeur van het Centennial Museum and Gardens, gevonden in de Big Bend bij de Rattlesnake Mountain ten noordoosten van de Sierra Aguja, in het westen van het Big Bend National Park, Brewster County. De Mariscal Mountain ligt niet in de directe omgeving van de vindplaats. Het holotype is opgegraven in een laag van de onderste Upper Shale Member van de Agujaformatie die dateert uit het late Campanien, ongeveer tweeënzeventig miljoen jaar oud. Het bestond uit een gedeeltelijke schedel met onderkaken. Bewaard zijn ervan gebleven een hersenpan, de linkerwenkbrauwhoorn, het linkerbovenkaaksbeen en een rechterdentarium. De vondsten kwamen min of meer toevallig tot stand. Strain was ook professor bij het College of Mines and Metallurgy te El Paso. In 1938 kreeg hij in het kader van de Works Progress Administration, werkverschaffingsprojecten die door Franklin Delano Roosevelt waren bevolen om de werkloosheid ten tijde van de Grote Depressie te bestrijden, de beschikking over honderden arbeiders die hij onder toezicht van Ray Miller opgravingen liet verrichten in de woestijn bij de Rio Grande. Op drie verschillende locaties, in vijf groeven, werden dat jaar en in 1939 342 beenderen geborgen.
De vondsten werden opgeborgen maar niet beschreven. In de jaren vijftig wees Edwin Harris Colbert de fossielen toe aan Chasmosaurus. Pas begin jaren tachtig begon Lehman het geheel systematisch te ordenen en determineren. In 1982 meldde hij de eerste resultaten. Tweeënzeventig procent van de botten bleken te behoren aan een nog onbekende ceratopide die hij in 1989 Chasmosaurus mariscalensis doopte. In 1989 ook wees Lehman de grote hoeveelheid fragmentarisch materiaal, grotendeels uit de postcrania, het achterste deel van het skelet, aan deze soort toe. De botten vertegenwoordigen minstens twaalf en vermoedelijk een vijftiental individuen waaronder jongen. Het is wel verondersteld dat het om een kudde gaat die in één keer is omgekomen. Het betreft de specimina UTEP P.37.7.142: een rechterravenbeksbeen; UTEP P.37.7.146: een rechterschaambeen; UTEP P.37.7.067: een praemaxilla; UTEP P.37.7.042, UTEP P.37.7.043, UTEP P.37.7.044, UTEP P.37.7.074, UTEP P.37.7.075, UTEP P.37.7.076, UTEP P.37.7.077, UTEP P.37.7.078, UTEP P.37.7.079, UTEP P.37.7.082, UTEP P.37.7.086, UTEP P.37.7.089, UTEP P.37.7.090. UTEP P.37.7.091, TMM 4138-11 en TMM 4138-13: wenkbrauwhoorns; UTEP P.37.7.068, UTEP P.37.7.086, UTEP P.37.7.089, UTEP P.37.7.092, UTEP P.37.7.093: hersenpannen; UTEP P.37.7.063, UTEP P.37.7.064, UTEP P.37.7.089, UTEP P.37.7.093: wandbeenderen; UTEP P.37.7.070, UTEP P.37.7.071: epoccipitalia; UTEP P.37.7.045, UTEP P.37.7.046, UTEP P.37.7.052-062, UTEP P.37.7.066, UTEP P.37.7.089: squamosa; UTEP P.37.7.050, UTEP P.37.7.080: quadrata; UTEP P.37.7.069, UTEP P.37.7.081: jukbeenderen; UTEP P.37.7.082, UTEP P.37.7.084-088, UTEP P.37.7.218: bovenkaaksbeenderen; UTEP P.37.7.073, UTEP P.37.7.086, UTEP P.37.7.087, UTEP P.37.7.089, UTEP P.37.7.094, UTEP P.37.7.095, UTEP P.37.7.096: dentaria; UTEP P.37.7.072, UTEP P.37.7.073: predentaria; UTEP P.37.7.212-217, TMM 42302-1: halswervels; UTEP P.37.7.188-189, UTEP P.37.7.201-211: ruggenwervels; UTEP P.37.7.176-187: staartwervels; UTEP P.37.7.001, UTEP P.37.7.166, UTEP P.37.7.168, UTEP P.37.7.169: heiligbeenwervels; UTEP P.37.7.023, UTEP P.37.7.134-140, TMM 42302-1, TMM 42534-19, TMM 42534-20: schouderbladen; UTEP P.37.7.032, UTEP P.37.7.140-143, TMM 42303-1: ravenbeksbeenderen; UTEP P.37.7.026, UTEP P.37.7.097-108: opperarmbeenderen; UTEP P.37.7.012, UTEP P.37.7.161, UTEP P.37.7.162, UTEP P.37.7.163: ellepijpen;UTEP P.37.7.013, UTEP P.37.7.159, UTEP P.37.7.160: spaakbeenderen; UTEP P.37.7.021: een middenhandsbeen; UTEP P.37.7.165: vingerkootjes; UTEP P.37.7.039, UTEP P.37.7.147-156: darmbeenderen; UTEP P.37.7.1543-146: een schaambeen; UTEP P.37.7.157, UTEP P.37.7.158: zitbeenderen; UTEP P.37.7.009, UTEP P.37.7.016-018, UTEP P.37.7.031, UTEP P.37.7.040, UTEP P.37.7.109-120: dijbeenderen; UTEP P.37.7.010, UTEP P.37.7.011, UTEP P.37.7.035, UTEP P.37.7.122-133, UTEP P.37.7.297: scheenbeenderen; UTEP P.37.7.014, UTEP P.37.7.121, UTEP P.37.7.164, UTEP P.37.7.289, UTEP P.37.7.290: kuitbeenderen; en UTEP P.37.7.037: een middenvoetsbeen.
Pas in 1991 vond Paul Sereno een vrijwel complete schedel van een volwassen exemplaar op de Rattlesnake Mountain bij Windy City, specimen TMM 43098. Dit werd in 1993 beschreven.
In 2007 meldde Lehman dat het aantal vindplaatsen was toegenomen tot tien, alle nog geen vijftig kilometer van elkaar gelegen, met een minimum van twintig individuen; die laatste schatting lag ook hoger door een andere methode van analyse. Het aantal botten werd nu geschat op een kleine vierhonderd. In zeven van de tien locaties waren alleen jonge dieren gevonden. Hij meldde ook dat het allereerste skelet in de zomer van 1938 niet door de teams van Strain was gevonden maar door Wann Langston jr., samen met Donald Elvin Savage en William Noel McAnulty, voor de University of Oklahoma. Dit specimen, OMNH 10081, was nooit beschreven, maar verschaft, ondanks zijn fragmentarische staat, belangrijke informatie over de proporties van het dier. Het omvat onder andere een dijbeen en een wenkbrauwhoorn. Het was de eerste dinosauriër die Langston ooit opgegraven had.
In 2010 gaf Gregory S. Paul aan dat hij de voorkeur gaf aan de naam Chasmosaurus mirascalensis maar ook dat als men de soort niet bij het geslacht Chasmosaurus wilde onderbrengen het als een soort van Pentaceratops beschouwd moest worden, als een Pentaceratops mirascalensis. Die suggestie is nog door niemand gevolgd.
In 2016 benoemde Lehman TMM 43098 als een aparte soort: Agujaceratops mavericus. De soortaanduiding verwijst zowel naar de Old Maverick Road alwaar het holotype gevonden werd, als naar het feit dat het specimen volgens Lehman een maverick was, een afwijkend exemplaar, wat weer de benoeming als soort rechtvaardigde. Bij deze gelegenheid aanvaardde Lehman de geslachtsnaam Agujaceratops.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Agujaceratops in grootte vergeleken met een mens Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op 4,3 meter, het gewicht op anderhalve ton. In 1996 berekende Peter Dodson door vergelijking van het materiaal van Strain met NMC 2245, een specimen van Chasmosaurus belli, dat de jonge dieren tussen de 234 en 360 centimeter in lengte waren en de volwassen individuen tussen de 514 en 529 centimeter. De laatste lengte zou een gewicht van zo'n twee ton opleveren. In 2007 schatte Lehman de dijbeenlengte van specimen OMNH 10081 op zevenenzeventig centimeter en leidde daar met toepassing van de methode van John F. Anderson een gewicht van 2359 kilogram uit af.
In 1989 stelde Lehman een diagnose op van vijf kenmerken. Het squamosum is breed. Er zijn zes grote epoccipitalia. Er bevindt zich geen beenplateau op de zijkant van het bovenkaaksbeen. De praemaxilla heeft geen lange tak naar boven en achteren lopen. De wenkbrauwhoorns zijn lang. In 1993 werden al deze kenmerken verworpen of althans bijgesteld. Het squamosum is achteraan wel breed maar is wat de grootste breedte betreft niet breder dan bij andere chasmosaurinen. Het aantal episquamosalia alleen al ligt hoger dan zes, namelijk tot tien. Daarbij zijn ze niet speciaal groot en eerder vrij laag. Dat het bovenkaaksbeen minder inspringt dan bij sommige exemplaren van Chasmosaurus kan veroorzaakt zijn doordat die verticaal samengedrukt werden. Daarbij is de inspringing bij andere soorten vaak even gering. De kortheid van de premaxillaire lijkt veroorzaakt te zijn door beschadigingen. De wenkbrauwhoorns zijn inderdaad langer dan bij Chasmosaurus maar dat zou een plesiomorfie kunnen zijn: lang hoorns zijn wellicht oorspronkelijk voor de chasmosaurinen.
In 1993 stelden Catherine Forster e.a. drie andere onderscheidende kenmerken vast. De neusbeenderen steken naar voren diep tussen de praemaxillae. De wenkbrauwhoorns steken bij volwassen dieren bijna recht omhoog, onder een hoek van 85° met de tandrij. De zijkanten van het nekschild, de squamosa, zijn bol afgerond. Als een mogelijk vierde onderscheidende kenmerk werd de extreme afplatting overdwars van de neushoorn aangegeven.
Bij de benoeming van Agujaceratops in 2006 werden geen autapomorfieën aangegeven maar is een vergelijking gemaakt met zowel Chasmosaurus als Pentaceratops. Een kenmerk waarin Agujaceratops van beiden afwijkt, is het korte en brede squamosum, waarvan de breedte meer dan de helft van de lengte bedraagt.
In 2016 gaf Lehman vier kenmerken waarin A. mavericus van Agujaceratops mariscalensis afwijkt. Het squamosum is lang. Het squamosum draagt tien episquamosalia in plaats van zes. De episquamosalia zijn klein en ovaal. De wenkbrauwhoorns hebben een geringe omtrek aan de basis en nemen naar de punt toe slechts zeer geleidelijk in doorsnede af.
Skelet thumb|upright=1.7|Agujaceratops Schedel De schedel van specimen TMM 43098-1 heeft een bewaarde lengte van 152 centimeter. Agujaceratops heeft een tamelijk korte en hoge snuit met een korte hoorn op de neus. De wenkbrauwhoorns zijn zeer lang. De punten ervan bereiken bijna de hoogte van het nekschild hoewel dat zelf hoog naar boven kromt.
De snuit is ongeveer tweemaal zo lang als hoog. Het rostrale, de beenkern van de bovensnavel, kromt vrij ver naar beneden en heeft een holle onderrand. De praemaxilla heeft een ronde uitholling op de zijwand die dieper is aan de onderrand. De uithollingen van beide zijden zijn niet verbonden door een doorboring. Vóór de uitholling ligt een kleinere ondiepe ovale verlaging aan de rand van het rostrale. De beenbalk tussen de grote uitholling en het neusgat helt naar voren. Deze balk heeft een afgeplatte verticale zone over de volle lengte van achterrand, net als bij Chasmosaurus maar afwijkend van andere chasmosaurinen waar deze richel zich of beperkt tot de bovenkant of afwezig is. Vanuit de voorste onderhoek van het neusgat steekt de hoek van een klein vierkant schuin naar boven en achteren. De opgaande tak van de praemaxilla vormt de bovenrand van het neusgat en wordt zijdelings overlapt door het neusbeen. De achterste tak van de praemaxilla steekt onder het neusgat vingervormig in een gevorkte tak van het neusbeen. left|thumb|Een ten dele authentieke schedel Het neusbeen draagt een beenkern van een neushoorn die boven de achterrand van het neusgat geplaatst is. De neushoorn is uitzonderlijk sterk overdwars afgeplat en eindigt achteraan in een scherpe rand. De hoorn is tamelijk kort met een lengte van vijftien centimeter. De kern toont geen beennaden in de lengterichting of een naad overdwars als teken van een apart epinasale. De hoorn is iets naar voren gekromd en eindigt in een vrij stompe punt. Van de voorste basis van de neushoorn uit dringen de vergroeide neusbeenderen uitzonderlijkerwijs over een lengte van acht centimeter tussen de praemaxillae om te eindigen in een wigvormige punt.