thumb|Maagd met kind in het Museu Calouste Gulbenkian Jan Gossaert, ook wel: Jean, Iennin, Janin, Jennyn; Gossart, van Henegouwe, de Weale... (Maubeuge?, ca. 1478 – Antwerpen?, 1 oktober 1532) was een Zuid-Nederlandse kunstschilder, prentkunstenaar en ontwerper. Naar zijn vermoedelijke geboorteplaats Maubeuge in het graafschap Henegouwen werd hij ook vaak "Jan Mabuse" genoemd en men treft soms ook de Latijnse vorm "Malbodius" aan.

In het eerste decennium van de 16e eeuw behoorde Gossaert tot de zogenaamde Antwerpse maniëristen. Na zijn bezoek aan Italië (1508-1509) in het gevolg van de humanist Filips van Bourgondië, admiraal van Zeeland en later bisschop van Utrecht, speelde Gossaert een belangrijke rol in de introductie van de Italiaanse renaissance in de Nederlanden. Gossaert zou de grondslag leggen voor de schilderkunstige stroming die later met de term Vlaams Romanisme zou worden aangeduid, en die een sterke invloed onderging van de kunst van de Romeinse hoogrenaissance, met name Rafaël, Michelangelo en hun navolgers. Gossaert werd al kort na zijn dood beschouwd als de eerste Nederlandse kunstenaar die klassiek geïnspireerde mythologische taferelen met naakte figuren schilderde.

Leven en werken Afkomst, opleiding en verblijf in Antwerpen De handtekeningen op enkele van zijn schilderijen zoals "Iennin Gossart de Mabu[s]e" en later ook "Ioannes Malbodius" geven een sterke aanwijzing dat Gossaert in of rond Maubeuge geboren werd of dat ten minste zijn ouders uit die streek afkomstig waren.

Op dat moment hoorde deze stad nog bij het graafschap Henegouwen dat deel uitmaakte van de Habsburgse Nederlanden. Zijn geboortedatum is niet uit de archieven bekend maar is afgeleid van de inscriptie op een portret dat Gossaert in 1528 op vijftigjarige leeftijd zou hebben geschilderd.Dit portret is spoorloos, maar werd door Aernout van Buchel (Arnoldus Buchelius) beschreven in zijn Res Pictoriae uit 1623. Een andere indicatie is ook de aanvaarding als meester in het schildersgilde die meestal omstreeks de leeftijd van 25 jaar plaatsvond. Gossaerts aanvaarding als meester staat opgetekend in de liggeren van het Antwerpse Sint-Lucasgilde in 1503.Gossaert werd ingeschreven onder de naam ‘Jennyn van Henegouwe’, zie: Philippe-Felix Rombauts en Theodoor van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde, onder zinspreuk: Wt ionsten versaemt, 2 vols., Antwerpen - Den Haag, 1864-1876

Omtrent zijn opleiding en zijn vroegste werken is echter niets met zekerheid bekend. Op basis van bepaalde stilistische kenmerken in Gossaerts vroege werken hebben auteurs zoals Weisz (1912) en Winkler (1921) gesuggereerd dat Gossaert in Brugge in de omgeving van Gerard David een opleiding zou hebben genoten.Ernst Weisz, Jan Gossart gen. Mabuse, sein Leben und seine Werke : ein monographischer Versuch und Beitrag zur Geschichte der Vlämischen Malerei in der ersten Hälfte des XVI. Jahrhunderts, Vereinigte Friedrichs-Universität Halle-Wittenberg. Philosophische Fakultät, Diss. Doct. Phil., 1912, Halle a/d Saale, 1912 ; Friedrich Winkler, Die Altniederländische Malerei. Die Malerei in Belgien und Holland von 1400-1600, Berlijn, 1924 Tegenwoordig wordt echter aangenomen dat Gossaert in Antwerpen zijn opleiding ontving, waaruit ook zijn aanvaarding als meester in 1503 logisch volgt. Antwerpen was op dat moment de meest bloeiende handelsstad van Noord-Europa en de daar gevestigde schilders waren uit alle windstreken toegestroomd. De vermeende Brugse invloeden in het werk van Gossaert zijn zo ook makkelijk te verklaren.De Brugse meester Gerard David was zelfs een tijdlang als meester geregistreerd in Antwerpen wellicht omdat daar zijn schilderijen beter aan de man konden worden gebracht. Brugse schilders en hun werken waren zeker in het Antwerpse aan te treffen en kunnen zo de jonge Gossaert hebben beïnvloed. Na zijn aanvaarding als meester stichtte Gossaert in Antwerpen een atelier. In 1505 nam hij een zekere Hennen Mertens als leerling aan. In 1507 werd ook een zekere Machiel in't Swaenken in zijn atelier opgenomen. Gossaert bleef zeker tot 1507 in Antwerpen werkzaam.

Geen enkel vandaag bekend werk kan met zekerheid in de periode 1503-1507 worden gesitueerd. Slechts twee gesigneerde pentekeningen worden doorgaans als werken uit deze periode beschouwd. Dit zijn het Mystieke huwelijk van Sint-Catharina, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen) en het Visioen van Keizer Augustus, Berlijn, Kupferstichkabinett. Afhankelijk van de door verschillende auteurs voorgestelde datering van deze stilistisch duidelijk te onderscheiden werkjes, wordt Gossaert ofwel gezien als een centrale figuur binnen het Antwerps maniërisme, ofwel als een late epigoon van deze stroming beschouwd. De kleine Triptiek met de H. Familie, Sint-Catharina en Sint-Barbara (Lissabon, Museu Nacional de Arte Antiga) wordt niet algemeen als een eigenhandig werk van Gossaert geaccepteerd. Het weerspiegelt echter wel de vroege stijl van Gossaert die aanleunt bij het Antwerps maniërisme en ook de invloed van Gerard David vertoont.

Verblijf in Italië Na 1507 verdwijnt Gossaerts naam uit de Antwerpse archieven. Men neemt aan dat hij toen werd geëngageerd door Filips van Bourgondië om deel uit te maken van diens gevolg tijdens zijn zending naar het hof van Paus Julius II in Rome. Filips ondernam deze diplomatieke missie in opdracht van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Gossaert vertrok met de Admiraal en zijn gevolg in Mechelen op 26 oktober 1508 en op 14 januari 1509 kwam men in Rome aan.

Uit het verslag van Gerard Geldenauer uit 1529 is ook bekend dat Filips, die erg geïnteresseerd was in de overblijfselen uit de klassieke oudheid, Gossaert speciaal had aangezocht hem te vergezellen met het doel tekeningen te maken van de oudheden om als herinnering en documentatie terug mee naar huis te nemen. Gossaert maakte in Rome ongetwijfeld een groot aantal tekeningen naar de ontelbare antieke ruïnes en sculpturen die de stad rijk was. Vandaag zijn slechts vier overgebleven bladen bekend; een blad met de ruïne van het Colosseum (Berlijn, Kupferstichkabinett), een studie naar de zogenaamde Apollo Kitharoedos (Venetië, Accademia), een studie naar de zogenaamde Capitoleinse Hercules (Privécollectie, Londen), en een blad met studies naar onder meer de beroemde Spinario.Gossart's Spinario is door CODART geselecteerd als een van de top honderd kunstwerken in het boek 100 Masterpieces Dutch and Flemish Art 1350-1750 – CODART Canon en de tekening kan bekeken worden in de Digital Collections van de Universiteitsbibliotheek Leiden of “dorenuittrekker” (Universiteitsbibliotheek Leiden, Prentenkabinet).

Gossaert tekende deze klassieke modellen als een noordelijk kunstenaar die duidelijk niet vertrouwd was met het klassieke stijlidioom. De vormen zijn ietwat uitgelengd en de musculatuur van de figuren is zo gedetailleerd weergegeven dat het resultaat een heel ornamenteel karakter heeft dat het monumentale heroïsche karakter van de modellen niet optimaal tot zijn recht laat komen. Gossaerts interpretatie van het klassiek drapé is nog beïnvloed door de vrij hoekige behandeling waarmee plooien en stoffen in de noordelijke traditie werden weergegeven. Alles wijst er dus op dat Gossaert vrij plotseling met het klassieke idioom werd geconfronteerd en niet echt de gelegenheid had de geest van deze modellen voldoende te assimileren. Nochtans zal de aanblik van de volplastische klassieke sculpturen op Gossaerts stijl een definitieve indruk achterlaten die zich vooral manifesteert in de toegenomen volumewerking van zijn figuren.

Voor hij in Rome arriveerde is Gossaert tijdens zijn reis langs steden als Trente, Verona, Mantua en Florence ongetwijfeld in contact gekomen met de 15e- en vroeg-16e-eeuwse Italiaanse schilderkunst die daar ten overvloede aanwezig was. In Rome waren op dat moment Michelangelo en Rafael aan het werk; de eerste aan het plafond van de Sixtijnse Kapel, en de laatste aan de befaamde Stanze. Het is waarschijnlijk dat Gossaert als lid van het gevolg van een belangrijk gezant toegang heeft gehad tot deze plaatsen, of ten minste tekeningen en voorontwerpen heeft gezien van de werken die toen werden uitgevoerd. Het gezantschap keerde terug in juni 1509. Gossaert bleef echter nog wat langer in Rome, wat blijkt uit het feit dat hij er nog in juli van dat jaar actief was.

Middelburg, 1509-1517 thumb|start=2:23|thumbtime=2:40|Canon van Zeeland met aandacht voor Jan Gossaert thumb|Aanbidding der koningen, National Gallery, Londen

Na zijn terugkeer uit Italië vestigde Gossaert zich vermoedelijk onmiddellijk in Zeeland. Eind 1509 werd een zekere Janin de Waele geregistreerd als lid van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw in Middelburg. Deze Jan van Waalse afkomst is vrijwel zeker dezelfde als Jan Gossaert. Het is echter niet zeker of hij daar zijn vaste verblijfplaats had, aangezien hij een heel aantal opdrachten uit zeer verspreide streken ontving. Volgens de getuigenis van Gerard Geldenauer uit 1529 trad Gossaert pas eind 1515 in vast dienstverband bij Filips van Bourgondië. Dit wijst er vermoedelijk op dat Gossaert er als vrijmeester was gevestigd en dus van overal opdrachtgevers aantrok. De opdrachten die Gossaert kreeg waren dan ook meer van religieuze dan van seculiere aard. Samen met de meer traditionele smaak van zijn opdrachtgevers belette dit hem wellicht om de in Italië opgedane indrukken te verwerken in zijn werk. Classicerende composities werden buiten de omgeving van het hof door opdrachtgevers in de Nederlanden nog niet erg geapprecieerd. Hoewel Gossaert werd beperkt door het conventionele karakter van de onderwerpen die hij diende uit te beelden kenmerkt deze periode zich door verdere rijping en experiment.

thumb|left|200px|Sint-Lucas tekent de H.Maagd, Nationaal Museum, Praag

Door het feit dat hij zich opnieuw diende toe te leggen op religieuze taferelen kon Gossaert de band met de vertrouwde Nederlandse traditie gemakkelijker weer opnemen. Toch was zijn visie op de kunst van de Vlaamse Primitieven verrijkt met de invloeden die hij in Italië had opgedaan en met de inspiratie die hij wist te putten uit het grafische werk van tijdgenoten als Albrecht Dürer en Jacopo de' Barbari. Gossaerts werk fixeerde zich in deze periode uitermate sterk op de kunst van zijn beroemde Zuid-Nederlandse voorgangers zoals Jan van Eyck en Hugo van der Goes. Hij verfijnde zijn olieverftechniek naar het voorbeeld van deze oude meesters en liet zich door beroemde composities van hun hand inspireren. Een mooi voorbeeld uit deze scheppingsfase is het paneel dat Christus tussen Johannes de Doper en Maria voorstelt (Madrid, Museo del Prado). Het werk is een vrije kopie naar de Deiësisgroep uit het centrale deel van het Lam Gods van Jan van Eyck. De Aanbidding der Koningen (Londen, National Gallery), die hij tussen 1510 en 1512 schilderde voor de Benedictijnenabdij van Geraardsbergen verwijst duidelijk naar het werk van Hugo van der Goes, met name naar diens Monforteretabel (Berlijn, Gemäldegalerie) en naar voorbeelden van Gerard David. Gossaert signeerde dit werk op twee verschillende plaatsen; IENNI[N]/GOSSART/DE MABV[SE] en IENNIN/GOS[SART]. De perspectivische en ruimtelijke coherentie die Gossaert aan zijn werk wist te geven wijst op zijn kennis van de kunst van het Italiaanse Quattrocento en de grafiek van Dürer.