De Tsjadische Burgeroorlog was een burgeroorlog in Tsjaad in Afrika die woedde tussen 2005 en 2010.
Men schat dat de huidige burgeroorlog in Tsjaad begint in december 2005, wanneer Mahamat Nour Abdelkerim, voorheen lid van de Alliance nationale de la résistance (ANR), de Rassemblement pour la Démocratie et les Libertés (RDL) vormt, maar de opstandige bewegingen waren al actief in het land sinds 1991. Er wordt eveneens overwogen dat de huidige burgeroorlog in Tsjaad begint op 25 september 2005 door een aan Hassan al-Djinnedi gelieerde raid dicht bij de stad Modoyna.
Aan dit conflict nemen naast het regeringsleger van Tsjaad verschillende opstandige bewegingen deel (onder meer de Forces unies pour le changement (FUC) en de Rassemblement pour la Démocratie et les Libertés (RDL)), die in de loop van de tijd veranderen van naam, allianties vormen en splitsingen kennen.
Het conflict impliceert eveneens deelname van de Janjaweed, maar vooral van de opstandelingen uit Darfur van de Beweging voor Rechtvaardigheid en Gelijkheid. Soedan wordt ervan verdacht om de opstandelingen in Tsjaad te ondersteunen, terwijl de regering van Tsjaad de Beweging voor Rechtvaardigheid en Gelijkheid ondersteunt. Libië en diplomaten van andere landen hebben gepoogd te bemiddelen in het conflict. Frankrijk heeft verschillende keren geïntervenieerd tegen de opstandelingen. Troepen van EUFOR (bestaande uit verschillende landen van de Europese Unie alsmede Rusland, Kroatië en Albanië) en troepen van verschillende Afrikaanse landen onder mandaat van de Verenigde Naties zijn ter plaatse aanwezig.
De regering van Tsjaad heeft in januari 2006 geschat dat 614 van haar burgers zijn gedood in grensgevechten.http://english.aljazeera.net/archive/2006/01/200849135456744628.html Op 8 februari 2006 zetten de Tsjadische president, Idriss Déby, de Soedanese president, Omar al-Bashir, en de Libische president, Moammar al-Qadhafi, de handtekening onder het "Akkoord van Tripoli",http://www.minbuza.nl/nl/Actueel/Kamerstukken/2008/02/Kamerbrief_inzake_Nederlandse_bijdrage_aan_de_militaire_operatie_van_de_EU_in_Tsjaad_en_de_Centraal_Afrikaanse_Republiek_EUFOR_Tchad_RCA dat effectief het Tsjadisch-Soedanees conflict, dat sinds december 2005 veel grenssteden in het oosten van Tsjaad en Darfur heeft verwoest, beëindigde.
Na het "Akkoord van Tripoli" ging het vechten, ondanks verschillende pogingen, echter door. Het conflict houdt eveneens verband met het Conflict in Darfur en de Centraal-Afrikaanse burgeroorlog.BBC NEWS | Africa | Darfur conflict zones map
Context Sinds 2004 lanceren de milities van de Janjaweed, betrokken bij het naburige Conflict in Darfur, raids op steden en dorpen in het oosten van Tsjaad, waarbij burgers worden gedood, vee wordt gestolen en huizen in brand worden gestoken. Meer dan 200.000 inwoners van Darfur zijn gevlucht en hebben asiel gevraagd in Tsjaad. Idriss Déby heeft Omar al-Bashir ervan beschuldigd het Conflict in Darfur opzettelijk te exporteren naar Tsjaad. Gelijktijdig wordt Tsjaad geconfronteerd met een stroom vluchtelingen uit de Centraal-Afrikaanse Republiek.
In 2005 wijzigde Idriss Déby de grondwet om een derde presidentsmandaat te kunnen verkrijgen, hetgeen massadesertie in het leger veroorzaakte.BBC NEWS | Africa | Chad troops battle against rebels Idriss Déby werd gedwongen om zijn presidentiële wacht te ontbinden en om een nieuw elitekorps te vormen. Zijn macht nam af en er vormden zich verschillende oppositionele gewapende bewegingen. De Rassemblement pour la Démocratie et les Libertés (RDL) zag het daglicht in augustus 2005 en de Socle pour le changement, l'unité et la démocratie (SCUD) twee maanden later. Enige tijd later verenigden zij zich met zes andere groepen om de Forces unies pour le changement (FUC) te vormen.Al Jazeera English - News - Chad's Spiralling Conflict
Chronologie Slag om Adré Op 18 december 2005 vielen de leden van de Rassemblement pour la Démocratie et les Libertés (RDL) en de Socle pour le changement, l'unité et la démocratie (SCUD) de stad Adré, dicht bij de Soedanese grens, aan. Het was de tweede aanval in de regio in drie dagen. De volgende dag kondigde de leider van de Socle pour le changement, l'unité et la démocratie (SCUD) aan de controle over de stad in handen te hebben. De gevechten veroorzaakten de dood van 100 tot 300 opstandelingen, drie tot vijf soldaten en drie burgers. Een helikopter van het Tsjadische leger werd vernietigd en een andere helikopter werd ernstig beschadigd. De Tsjadische minister van Communicatie beschuldigde de Soedanese regering, terwijl een woordvoerder van het Soedanese ministerie van Buitenlandse Zaken elke steun aan de opstandelingen ontkende. Tsjaad verklaarde zich in oorlog met Soedan en daartegenover werd Tsjaad door Soedan ervan beschuldigd zijn luchtruim te schenden.
Grensconflicten Op 6 januari 2006 staken de milities van de Janjaweed de Soedanese grens over om de Tsjadische steden Borota, Adé en Moudaina aan te vallen, waarbij negen burgers werden gedood en drie anderen verwond. Human Rights Watch bevestigde de aanval, alsmede verschillende andere aanvallen op een veertigtal dorpen in het gebied rondom Borota, waarbij tussen 16 en 20 januari 2006 16 doden en 6 gewonden werden geteld.
"Akkoord van Tripoli" Op 8 februari 2006 ondertekenden Idriss Déby, Omar al-Bashir en Moammar al-Qadhafi het "Akkoord van Tripoli" om een einde aan het conflict te maken. Het akkoord kwam tot stand tijdens een mini-topconferentie in Tripoli, georganiseerd door Moammar al-Qadhafi, met ondersteuning van de Congolese president Denis Sassou-Nguesso (als voorzitter van de Afrikaanse Unie), de Centraal-Afrikaanse president François Bozizé en de Malinese president Alpha Oumar Konaré. De Forces unies pour le changement (FUC) erkende het "Akkoord van Tripoli" niet.
Activiteiten van de opstandelingen 2006 Op 6 maart 2006 staken de milities van de Janjaweed de Soedanese grens over om in overtreding van het "Akkoord van Tripoli" de Tsjadische stad Amdjereme aan te vallen. De regering van Tsjaad beschuldigde de Janjaweed van de diefstal van honderden en soms zelfs duizenden landbouwdieren van Tsjadische burgers. Het leger van Tsjaad sloeg de aanval af, achtervolgde de Janjaweed terug over de Soedanese grens en keerde met het gestolen vee terug. Op 13 april 2006 naderden honderden opstandelingen van de Forces unies pour le changement de hoofdstad Ndjamena. Het leger van Tsjaad sloeg de aanval af en nam verschillende opstandelingen gevangen. Idriss Déby stelde de Soedanese regering verantwoordelijk en stelde dat de opstandelingen ofwel Soedanees waren ofwel door Soedan ondersteund. Idriss Déby verbrak de diplomatieke betrekkingen met Soedan en dreigde duizenden vluchtelingen uit Darfur uit te wijzen. Dezelfde dag werden een honderdtal burgers in het dorp Djawara in het oosten van het land door Tsjadische opstandelingen en milities van de Janjaweed afgeslacht. Volgens Human Rights Watch werden tussen 12 en 13 april 2006 minstens 43 andere personen in drie dorpen in de omgeving gedood.
In mei 2006 sloot Mahamat Nouri zich aan bij de opstandelingen. De oppositiepartijen boycotten de presidentsverkiezingen van 3 mei 2006, die Idriss Déby wint. In november 2006 kondigde de regering van Tsjaad de noodtoestand af in de hoofdstad en de noordelijke, oostelijke en zuidelijke regio's. De internationale hulporganisaties evacueerden een groot deel van hun personeel uit de oostelijke stad Abéché. In december 2006 braken er zware gevechten uit tussen het leger van Tsjaad en de opstandelingen, waarna Mahamat Nour Abdelkerim, de leider van de Forces unies pour le changement (FUC), een vredesverdrag met Idriss Déby sloot.
2007 Op 1 februari 2007 verklaarde een coalitie van vier gewapende opstandige bewegingen, gevormd uit de Mouvement pour la résistance et le changement, de Concorde nationale tchadienne en twee fracties van de Union des forces pour la démocratie et le développement (UFDD), dat ze de controle hadden over de stad Adré, dicht bij de Soedanese grens. Tsjaad weigerde de tussenkomst van troepen van de Verenigde Naties. In maart 2007 werd de vroegere opstandeling Mahamat Nour Abdelkerim minister van Defensie.
Begin oktober 2007 accepteerden de leiders van de vier gewapende opstandige bewegingen het aanknopen van vredesonderhandelingen met de regering. Nochtans braken er gevechten uit in het oosten. Arabische ruiters staken dorpen in brand die hoofdzakelijk door zwarten werden bewoond, waarbij 300 personen werden gedood. Gelijktijdig braken er vechtpartijen uit tussen de Tama en de Zaghawa gemeenschappen. Een gewapende groep Tama, die onder Mahamat Nour Abdelkerim hadden gediend, verliet de stad Guéréda om dichter bij de Soedanese grens te komen. Het gebied werd aldus geteisterd door een dubbel conflict, waarbij de regeringstroepen tegenover een nieuwe alliantie van opstandelingen kwamen te staan, die kort twee steden innamen. Op 16 oktober 2007 werd de noodtoestand afgekondigd voor het grootste deel van Tsjaad, inclusief de hoofdstad en de regio Borkou-Ennedi-Tibesti, dicht bij de Libische grens.
Op 26 oktober 2007 ondertekenden de Tsjadische regering en de opstandelingen een vredesovereenkomst.
In november 2007 beschuldigde Mahamat Nouri, de leider van de Union des forces pour la démocratie et le développement (UFDD), Idriss Déby ervan een aanval op zijn troepen in het oosten van het land te hebben bevolen. Het leger verklaarde honderden opstandelingen te hebben gedood bij de Slag om Abou Goulem op 26 en 27 november 2007. Abakar Tollimi, secretaris-generaal van de Union des forces pour la démocratie et le développement (UFDD), betwistte dit cijfer; de Union des forces pour la démocratie et le développement (UFDD) had slechts 17 doden te betreuren en verzekerde daartegenover een honderdtal soldaten te hebben gedood.
Op 30 november 2007 verklaarde de Union des forces pour la démocratie et le développement (UFDD) een staat van oorlog tegen Frankrijk en de in Tsjaad gestationeerde buitenlandse troepen, wat een waarschuwing leek tegen de komst van EUFOR, wat voorzag in de zending van 3.700 mannen in het kader van een vredesoperatie ter bescherming van de 400.000 Tsjadische en Soedanese vluchtelingen in het gebied.
2008 Op 31 januari 2008 kondigden de opstandelingen de inname aan van Oum Hadjer, een stad in de centrale regio Batha, 400 kilometer verwijderd van de hoofdstad Ndjamena. Op 2 februari 2008 slaagden de opstandelingen erin om de hoofdstad Ndjamena binnen te komen. De opstandelingen bewogen zich in de richting van het presidentiële paleis, waar gevechten plaatsvonden. Zonder een nederlaag te erkennen, trokken de opstandelingen zich de volgende dag terug naar Mongo en Bitkine. Op 10 februari 2008 verzekerden zij in bezit te zijn van Am Timan. Op 11 februari 2008 verlieten zij Mongo in de richting van de zuidoostelijke grens.
Op 15 februari 2008 werd de noodtoestand afgekondigd, terwijl de opstandelingen de gevechten voorlopig staakten om een gemeenschappelijke leider aan te stellen.
Na de aankondiging van een nieuw offensief van de opstandelingen, intensiveerden de in Tsjaad gestationeerde Europese troepen op 12 juni 2008 hun patrouilles rondom de vluchtelingenkampen en raadden ze de in de regio verblijvende humanitaire hulporganisaties aan om hun verplaatsingen tot een strikt minimum te beperken.