De Skâns-Oostmahorn (officieel sinds 1 januari 2023, een combinatie van het Friese De Skâns, en het Nederlandse Oostmahorn) is een dorp in de gemeente Noardeast-Fryslân, in de Nederlandse provincie Friesland. Het valt onder het dorp Anjum.

Het ligt ten noordoosten van Engwierum en oostelijk van Anjum, aan het Lauwersmeer. De dorpskern ligt ingeklemd tussen het Lauwersmeer en een drietal recreatieparken. Lange tijd vormde het een buurtschap onder Anjum, maar in 2006 kreeg het de status van dorp.

Het verkreeg daarbij geen eigen postcode waardoor het formeel nog altijd onder Anjum valt. Het CBS rekent het als buurt. In 2018 telde het 80 inwoners, in 2023 85. Onder het dorp valt ook de buurtschap Abbewier. Ook de buurtschap Stiem wordt ook wel bij het dorp gerekend maar ook bij Ezumazijl.

Algemene geografie van het dorp Aan de noordzijde van De Skâns-Oostmahorn ligt een bungalowpark en een jachthaven (Lauwersmeer, vroeger Bootsgat, een oude werkhaven voor de indijking van de Lauwerszee) met bungalowcamping en drijvende vakantiewoningen. Aan de oostzijde liggen de pier met het veer, via het Vaarwater naar Oostmahorn, richting Schiermonnikoog.

Aan de zuidzijde ligt het pseudohistorische vakantiestadje Esonstad met nog een camping en aan west- en zuidwestzijde liggen twee pseudo-terpen met vakantiewoningen (Geuzenhoeke en Smokkelaarshoeke). Ten westen van De Skâns-Oostmahorn en de vakantieparken ligt de buurtschap Abbewier. Ten zuidwesten van de pseudo-terpen en Esonstad ligt een aardgaslocatie en ten zuiden daarvan ligt de buurtschap Stiem. Vanuit De Skâns-Oostmahorn loopt een pad langs Esonstad naar het zuidelijker gelegen plaats Ezumazijl.

Ten noorden van De Skâns-Oostmahorn loopt de dijk om de oude Anjumer- en Lioessenserpolder (ingedijkt 1592). Ten noorden daarvan ligt de Bantpolder (gefaseerd ingedijkt in 1945, 1951 en als laatste de Hoek van de Bant in 1969), die een belangrijke foerageerplaats vormt voor brandganzen en daardoor vele vogelaars trekt.

Geschiedenis De eerste vermelding van de plaatsnaam dateert van 1543, toen de plaats Oes(t)mehorne werd genoemd. In 1580 werd het vermeld als Oostumhorn, in 1630 als Schans van Oostmerhorn en in 1781 als Schans Oostmahorn. De plaatsnaam komt mogelijk van de gereconstrueerde naam Oostum, dat duidt op het feit dat het een oostelijk gelegen woonplaats (heem/um) was.

Er wordt ook wel gedacht dat het later verwijst naar de hoek van een dijk of uitstekende landtong, een horn. De naam zou dan ook kunnen worden vertaald als "oosthoek", maar dit wordt minder waarschijnlijk geacht. Vroeger werd vaker in het Fries de benaming Oastmahorn gebruikt. Een poging om de spelling Eastmaherne in gebruik te krijgen haalde het niet.

De Skâns-Oostmahorn lag tot de gemeentelijke herindeling van 1984 in de toenmalige gemeente Oostdongeradeel. Daarna viel het tot 2019 tot de gemeente Dongeradeel, waarna deze opging in de gemeente Noardeast-Fryslân.

De schans thumb|Gravure van Gaspar Bouttats van de schans in 1674. De kruiskerk en het kasteelachtige gebouw binnen de schans zijn waarschijnlijk aan de fantasie van de graveerder ontsproten. thumb|De kruitkelder uit 1810. Het plakkaat uit 1922 bevindt zich binnen aan de achterwand. Bij De Skâns-Oostmahorn is op kaarten uit de vroege 16e eeuw reeds een omwalde vesting te zien. Deze vesting was strategisch gelegen op een uitstekende landpunt en moest de toegangen naar Dokkum (via het Dokkumergrootdiep) en naar Groningen (via het Reitdiep) bewaken. De ingang van beide vaarwegen liep en loopt vlak langs De Skâns-Oostmahorn, waar de geul het diepst is vlak bij de kust.

Vanaf midden 16e eeuw werd het gebied rond de Lauwerszee in toenemende mate geteisterd door aanvallen van kapers en smokkelaars. In 1562 was de situatie zo ernstig geworden dat onder de bevolking stemmen opgingen om de Waddenzee met oorlogsschepen te beschermen. In 1569 kwamen Staatsgezinde opstandelingen hier aan land waarop besloten werd tot maatregelen. Een nieuwe Staatsgezinde aanval in 1571 kon daarop worden afgeslagen. Het jaar erop zette geuzenkapitein Gijsbrecht echter opnieuw enkele tientallen soldaten aan wal, die vervolgens te voet oprukten naar het 12 kilometer verderop gelegen Dokkum en de stad met hulp van de lokale bevolking bevrijdden. Dit kwam de bevolking duur te staan toen de Spaans-Portugese kolonel Caspar de Robles de geuzen vervolgens verjoeg en grote verwoestingen en een bloedbad aanrichtte onder de bevolking van Dokkum.

In 1575 kreeg geus Bartholt Entens van Mentheda van Willem van Oranje de opdracht om met 600 man vanuit Bremen per schip Friesland te veroveren. Hij wist De Skâns-Oostmahorn opnieuw in te nemen op 15 mei 1576 en bouwde de vesting in allerijl uit tot een schans. Een aanval van Robles werd daarop afgeslagen. Bij gebrek aan Staatse legersteun en als gevolg van honger moest Entens De Skâns-Oostmahorn echter al op 18 juni 1576 weer prijsgeven aan de Robles, waarop Rennenberg (toen nog in dienst van de Staatsen) de schans in 1577 liet slechten. In 1578 werd Friesland uiteindelijk toch veroverd door de Staatsen en kwam De Skâns-Oostmahorn definitief in Staatse handen. In 1580 liet graaf Filips van Hohenlohe de schans herbouwen. Dat jaar werd een nieuwe Spaanse poging ondernomen om Friesland in te nemen, maar de nieuwe schans van De Skâns-Oostmahorn werd zwaar verdedigd, waardoor dit deel van Friesland van verdere oorlogsschade verschoond bleef. In 1584 werd graaf Willem Lodewijk stadhouder van Friesland. Onder zijn bewind werd de strijd omgezet van een verdedigingsoorlog naar een aanvalsoorlog.

Aan het einde van de 16e eeuw waren er 14 vendels gelegerd van elk een paar honderd man. In 1589 gebruikte Willem Lodewijk de schans als uitvalsbasis voor de verovering van de schans bij Zoutkamp. Met 400 man wist hij de Spanjaarden te overmeesteren tijdens de Slag om Zoutkamp. Met deze slag werd een van de zeeverbindingen van de stad Groningen geblokkeerd. In 1593 voer Willem Lodewijk opnieuw uit vanuit De Skâns-Oostmahorn naar Bellingwolderzijl, waar hij de Oudeschans liet opwerpen. Een jaar later vond de Reductie van Groningen plaats. Daarmee verloor de schans deels zijn strategische waarde, maar nog tot diep in de 17e eeuw werd het strategisch belang van de schans ingezien voor de verdediging van Friesland. Op een kopergravure van Gaspar Bouttats I, die met Johannes Peeters meereisde is De Skâns-Oostmahorn te zien als een versterkte vesting met kanonnen.Opgenomen in: Bouttats, G. & I. Peeters (1674), Thooneel der Steden ende Sterckten van t' Vereenight Nederlandt met d'aengrensende Plaetsen soo in Brabandt Vlaenderen als anden Rhijn en elders verovert door de Waepenen der Groot-moghende Heeren Staeten onder het gheley vande seer Edele. I. Peeters = Ioannes (of Johannes of Jan) Peeters.

Op de gravure zijn onder andere een kruiskerk, kasteelachtig gebouw, standerdmolen en een baken te zien. Waarschijnlijk is deze prent enigszins overdreven, want van een kerk of kasteel is nooit sprake geweest bij De Skâns-Oostmahorn. Ergens tegen het einde van de 18e eeuw werd de schans versterkt, mogelijk vanwege de Nederlands-Engelse oorlogen. Er werd toen een kustbatterij aangelegd met 6 geschutstukken. Tijdens de Franse Tijd werd De Skâns-Oostmahorn weer versterkt tegen de Engelsen in het kader van het in 1807 afgekondigde continentaal stelsel. Tot 1813 waren er twee Franse detachementen gelegerd, waartoe ook een kazerne werd gebouwd. In 1810 werd de schans versterkt met een kruitmagazijn in de dijk. Deze kruitmagazijn bleef in gebruik tot 1849. De schans zal reeds voor 1840 zijn geslecht, want op de gemeentekaart van Wopke Eekhoff van 1855 wordt aangegeven "voorm. Schans" en Van der Aa beschrijft reeds in 1840 dat alleen nog het kruitmagazijn van de schans is overgebleven.

Havenactiviteiten en reddingswezen thumb|De haven van Oostmahorn aan het Lauwersmeer In de 18e eeuw werd een havenhoofd aangelegd bij De Skâns-Oostmahorn, zodat schepen er konden aanmeren. De ligging van De Skâns-Oostmahorn was strategisch in het Waddengebied en diep water was er tot vlak bij de kust. Er werd een post voor reddingsboten gevestigd en vanaf 1847 vertrok vanaf hier een geregelde veerbootdienst richting Schiermonnikoog en in 1855 werd er ook een postdienst van de PTT opgezet naar het eiland vanuit De Skâns-Oostmahorn.

Er werden ook een tweetal loodsboten gestationeerd voor het loodsen van schepen naar het Friese Gat (Noordergat en Plaatgat), alsook een recherchevaartuig van de douane. In het laatste kwart van de 19e eeuw verloor De Skâns-Oostmahorn de loodsfunctie echter toen boten die op Groningen voeren steeds vaker via het Eemskanaal hun producten naar hun bestemming brachten. Dit bracht een teruggang in de bedrijvigheid teweeg. In de jaren 1870 werd een plan gepresenteerd om van De Skâns-Oostmahorn een zeehaven te maken, maar dit plan haalde het uiteindelijk niet. Rond 1930 werd de haven uitgebreid met een havenlicht.

In 1927 werd de eerste zelfrichtende reddingsboot ter wereld in De Skâns-Oostmahorn gestationeerd. Deze Insulinde was gebouwd door scheepswerf Gebroeders Niestern uit Delfzijl naar een idee van Mees Toxopeus. Deze Mees Toxopeus kreeg dan ook van 1927 tot 1950 de leiding over deze boot van de NZHRM (sinds 1970 KNZHRM en door fusering sinds 1991 KNRM), die tot 1965 meerdere honderden mensen van zee redde. Eigenlijk was het de bedoeling geweest om de Insulinde te stationeren ten zuiden van Schiermonnikoog, maar omdat de gekozen plek te ver uit de wal lag en in het donker de vaargeul moeilijk te volgen was voor de redders, werd uiteindelijk voor het 12 zeemijl van de Waddenzee verwijderde De Skâns-Oostmahorn gekozen. In 1950 droeg Mees, die toen vanuit De Skâns-Oostmahorn reeds 237 mensen had gered, de Insulinde over aan zijn broer Klaas Toxopeus, die tot 1964 de leiding over de boot had, waarna Siep Zeeman nog 1 jaar de leiding had over de boot. In 1965 werd de Insulinde vervangen door de Gebroeders Luden, die in 1969 verhuisde naar de haven van Lauwersoog.

Tweede Wereldoorlog: Schermutseling Tijdens de nadagen van de Tweede Wereldoorlog werd De Skâns-Oostmahorn aangevallen door Duitse schepen. In de nacht van 13 op 14 april 1945 had de Duitse grenswacht van De Skâns-Oostmahorn opdracht gekregen om De Skâns-Oostmahorn onmiddellijk te verlaten nadat de Canadezen waren begonnen aan hun opmars naar Groningen. De aftocht naar Schiermonnikoog ging zo overhaast dat de voorraden achter waren gebleven en belangrijke documenten niet vernietigd waren. Toen commandant van Schiermonnikoog, kapitein-luitenant Wittko, hiervan hoorde, was hij woedend. Hij stuurde daarop op 15 zwaarbewapende Duitse soldaten om de papieren te vernietigen en de voorraden mee te nemen.

De veerboot Brakzand en reddingsboot Insulinde lagen nog in de haven van De Skâns-Oostmahorn en waren in het zicht van de Duitse soldaten door Toxopeus en helpers onklaar gemaakt, waarna de eigenaren onderdoken. Deze boten werden door de Duitsers meegesleept naar Schiermonnikoog. Wittko eiste daarop dat de stelling De Skâns-Oostmahorn heroverd zou worden, maar boten om de Duitsers ernaartoe te brengen konden die dag (15 april) niet uitvaren. Op 16 april voeren ondertussen een 126-tal Duitse SD'ers en SS'ers uit het beruchte Scholtenhuis in de stad Groningen op de vlucht voor de geallieerden op vier boten naar Schiermonnikoog, waarvandaan ze opgepikt hoopten te worden door Duitse schepen. Bij De Skâns-Oostmahorn werden ze door een groep van 20 BS-mannen uit Anjum onder vuur genomen, waarbij enkele Duitsers gewond raakten. Eenmaal aangekomen op Schiermonnikoog beviel een woedende Wittko dat deze aanval vergolden diende te worden. Er werden een aantal boten gevorderd en de aanval werd ingezet op De Skâns-Oostmahorn.