right|200px|Versierselen thumb|180px|Het juweel en de plaque van een commandeur. Particuliere verzameling, Groningen. De Orde van de Witte Valk (Duits: Orden vom Weissen Valken oder der Wachsamkeit), ook wel "Orde van de Waakzaamheid" genoemd was een op 2 augustus 1732 door hertog Ernst August I van Saksen-Weimar-Eisenach ingestelde ridderorde.
In 1732 ging het om een typisch barokke hoforde met de naam "Fürstlich Sächsisch-Weimarischer Ritter-Orden von der Wachsamkeit". Een dergelijke orde werd door de vorst, de prinsen en enkele uitverkoren hovelingen en militairen gedragen. Het ging daarbij eerder om hoge geboorte en persoonlijke gunst dan om verdiensten. Op een portret uit ongeveer 1763 draagt de tweede grootmeester, de tienjarige Karel August van Saksen-Weimar, een kruis aan een met diamanten versierde coulant-agraffe en een rood lint om de hals. De laatste verlening van deze orde vond in 1789 plaats. De nabestaanden van overleden ridders moesten het kruis aan de grootmeester terugzenden.
Het thema van een opstijgende en zeer opmerkzame valk ligt in een adelskaste waarin de valkenjacht nog werd beoefend voor de hand. De Duitse keizer mocht volgens het gebruik een adelaar ter jacht dragen. Voor een mindere potentaat als een Thürings-Saksische hertog was een slechtvalk voorgeschreven.
De orde werd met toestemming van keizer Karel VI gesticht. In de 18e eeuw werd het Duitse staatsverband steeds losser en de staten en staatjes die het rijk vormden werden steeds zelfstandiger. Dat uitte zich ook in het instellen van ridderorden. Ernst August I van Saksen-Weimar-Eisenach was keizerlijk generaal-veldmaarschalk. De eerste naam van de orde was in het Frans gesteld. De "Ordre de la Vigilance". Frans was aan de Duitse hoven de voertaal. Zoals met veel barokke hoforden het geval was raakte de orde in de loop der jaren ook weer in vergetelheid. Er werden geen nieuwe leden benoemd. Zo was er in 1806 nog maar één ridder in leven.
De uitbreiding van Saksen-Weimar-Eisenach met door de Reichsdeputationshauptschluss geseculariseerde kerkelijke bezittingen en de staatjes van de gemediatiseerde vorsten was, samen met de verheffing tot groothertog, voor Karel August van Saksen-Weimar-Eisenach aanleiding om de orde op 18 oktober 1815 nieuw leven in te blazen. De oude hoforde werd als een moderne orde van verdienste met meerdere graden hersteld. De naam was nu Duits Hausorden der Wachsamkeit of Hausorden vom Weißen Falken .Beschreibung sämtlicher Orden, deren Abbildungen in dem Farbendruck-Werk: Moritz Ruhl: Die Orden, Wappen und Flaggen aller Regenten und Staaten. Ruhl, Leipzig 1883-1887, OCLC 246599964 enthalten sind. (Nachdruck der Ausgabe 1884: Phaleristischer Verlag Autengruber, Offenbach am Main 1998, ) De 18e oktober was de feestdag van de Orde van de Witte Valk.
Bij de oprichting werd de orde, die de prinsen van het groothertogelijk huis en 12 grootkruisen, 25 commandeurs en 50 ridders omvatte, beschreven als een orde die "Duitse deugden" zou belonen. Vorstelijke personen uit regerende families, de zogenaamde "Fürstlichkeiten" kregen kruisen en sterren die groter waren dan die van de andere leden. Er zijn 107 van deze grootkruisen en sterren verleend. Vaak, maar niet altijd, hadden deze sterren stralen die gefacetteerd waren.
In 1840 werd voor de commandeurs in de Orde van de Witte Valk een rhombusvormige plaque, met in het midden het medaillon zoals dat op de ster is aangebracht, ingesteld.
In 1918 trad groothertog Willem Ernst van Saksen af en werd de Vrijstaat Saksen-Weimar-Eisenach een deel van Thüringen. De ridderorde werd samen met alle andere orden en onderscheidingen afgeschaft. Omdat een vorst van een huis dat na 1815 geregeerd heeft volgens het internationaal recht en het orderecht bepaalde onaantastbare rechten heeft bleef de orde als huisorde van het Groothertogelijk Huis Saksen bestaan. De huidige grootmeester is de in 1946 geboren prins Michael-Benedict van Saksen-Weimar-Eisenach titulair groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach.
Omdat de Oranjes en de familie Saksen-Weimar-Eisenach verwant waren en elkaar geregeld bezochten werden ook veel Nederlandse hoffunctionarissen met deze orde onderscheiden.
De versierselen left|150px|voor algemene verdienste Het lint van de orde was ponceaurood. De ordespreuk is "Vigilando ascendimus" (Latijn voor "(Door) waakzaam(heid) stijgen wij"). De orde werd aan militairen ook met zwaarden verleend. Omdat de commandeurs een ruitvormige ster, een zogenaamde "plaque", droegen zijn zij als grootofficieren te beschouwen. Tot 1870 droegen de militairen een trofee op de achterzijde van hun kruis. Die werd in dat jaar vervangen door gekruiste zwaarden op de ruiten in de armen van het kruis.
Het versiersel was een achtpuntig gouden kruis van Malta met op de punten kleine gouden ballen. De vier armen zijn op de voorzijde groen en op de achterzijde wit geëmailleerd. Het kruis is op een rood geëmailleerde achtpuntige gouden ster gelegd die de ruimte tussen de armen gedeeltelijk vult. De vier zichtbare punten van de ster eindigen in gouden lelies. Op de voorzijde ligt een gedetailleerd weergegeven gouden valk met uitgestrekte witte vleugels en gouden snavel. De achterzijde van de ster is groen. In het centrum van de achterzijde is binnen een gouden lauwerkrans gekroond een ovaal blauw medaillon aangebracht met het motto 'VIGILANDO ASCENDIMUS'.
In oorlogstijd en aan militaire personen werden het kruis en de ster voor militaire verdiensten ook "met de Zwaarden" uitgereikt. Er zijn sterren met gefacetteerde of gebrillanteerde stralen en sterren met gladde lancetvormige stralen bekend. De plaques hebben gladde stralen. De gouden of verguld zilveren zwaarden werden gekruist op de ster gelegd. Alle versierselen moesten na de dood van de drager aan de kanselier in Weimar worden teruggezonden.
De tussen 1840 en 1901 verleende versierselen van een ridder IIe Klasse, ook wel Erekruis (Duits: "Ehrenkreuz") genoemd hadden de vorm van een wit geëmailleerd verguld zilveren kruis pattée met een centraal gouden medaillon. Op het medaillon was een witte valk tegen een achtergrond van gouden stralen afgebeeld. Op de keerzijde was het medaillon donkerblauw met een sierlijk verstrengeld en gekroond gouden monogram "CA" op een donkerblauwe achtergrond. De gouden ring rond het medaillon is opvallend dik. Het kruis werd aan een verguld zilveren ring en een ponceaurood lint op de linkerborst gedragen. De ridder der IIe Klasse in de Orde van de Witte Valk met de Zwaarden droeg hetzelfde versiersel met gekruiste verguld zilveren zwaarden tussen de armen.
Tussen 1892 en 1902 verleende groothertog Karel Alexander commandeurs- en ridderkruisen "voor algemene verdienste". Deze voor verdiensten voor het groothertogelijk huis uitgereikte onderscheidingen misten de rood geëmailleerde ster onder het medaillon. Vanwege de frequente familiebezoeken aan Nederland droeg een aantal hogere Nederlandse hovelingen van koningin Wilhelmina deze versierselen. De witte valk lijkt bij deze kruisen vrij boven het groen geëmailleerde kruis te zweven. Op de keerzijde was geen ruimte voor een gekroond medaillon met lauwerkrans. In plaats daarvan was op de keerzijde een klein ovaal blauw geëmailleerd medaillon aangebracht met daarop het motto van de orde.
Anders dan in veel andere Duitse staten heeft het systeem van "zwaarden aan de ring" in het groothertogdom Saksen nooit ingang gevonden.
Versierselen van de eerste uitgave (1732–1789) De oudste sterren waren van zilverdraad, pailletten, gouddraad en (groen en blauw) borduurdraad op een achtergrond van vilt. Om deze de beschermen werd op de achterzijde een papier geplakt waarop meestal met de hand de fabrikant en bijzonderheden over de ster werden vermeld. De stralen eindigden in kleine lussen. Kruis met agrafe Geborduurde ster
Versierselen van de tweede uitgave (1815–1918) Sterren thumb|180px|Gefaceteerde ster van een prins, ster met zwaarden en een normale ster De metalen sterren uit de 19e eeuw zijn te verdelen in twee modellen. Sterren met gefacetteerde stralen en sterren met lancetvormige gladde stralen, beiden al dan niet met zwaarden. Prinsen uit regerende geslachten kregen sterren uitgereikt die een slag groter waren dan die van andere grootkruisen. Meestal waren deze grote sterren gebrillanteerd maar dat was geen wet van Meden en Perzen. De zilveren sterren zijn iets gebold en dragen op de achterzijde een medaillon met de naam van de fabrikant. Op de voorzijde is een groot gouden of verguld zilveren medaillon vastgeklonken. Dit medaillon is gedeeltelijk geëmailleerd. Het zilverkeur en andere stempels en keuren zijn meestal op de gesp aangebracht. Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de sterren steeds van edele metalen vervaardigd. Grootkruis Grootkruis met op de keerzijde een medaillon voor militairen (1815–1870) Grootkruis in iets grotere uitvoering voor vorstelijke personen Grootkruis met zwaarden in iets grotere uitvoering voor vorstelijke personen (1870–1918) Geborduurde ster Zilveren ster Zilveren ster in iets grotere uitvoering voor vorstelijke personen Zilveren ster met diamanten (1880–1910) Zilveren ster met zwaarden (1870–1918) Zilveren ster met zwaarden in iets grotere uitvoering voor vorstelijke personen (1870–1918) Grootkruis voor algemene verdienste (1872–1902) Ster voor algemene verdienste (1872–1902)
Commandeurskruisen Het emaille van de commandeurskruisen was breekbaar en de kruisen moesten geregeld worden vervangen of gerepareerd. De sterren zijn vrijwel allemaal van metaal, geborduurd sterren zijn zeldzaam. In bijzondere gevallen liet de groothertog een bijzonder fraai gesmede plaque uitreiken. Dat gebeurde onder andere bij de beroemde componist en pianovirtuoos Franz Liszt. Wanneer het commandeurskruis "met de zwaarden" werd verleend was het gebruikelijk om ook een plaque met twee gekruiste gouden zwaarden onder het centrale medaillon uit te reiken. Commandeurskruis Commandeurskruis voor algemene verdienste (1892–1902) Commandeurskruis met op de keerzijde een medaillon voor militairen (1815–1870) Commandeurskruis met zwaarden (1870–1918) Commandeurskruis met zwaarden en op de keerzijde een medaillon voor militairen (een overgangsmodel) Plaque voor een commandeur (in zilver en goud of in zilver en verguld zilver) (1840–1918) Plaque met zwaarden Plaque met zwaarden in verzilverd oorlogsmetaal (Eerste Wereldoorlog)
De kostbare gouden en zilveren versierselen van de commandeurs werden door juweliers in Saksen-Weimar en in de grote Europese hoofdsteden geleverd.
Ridderkruisen Ie Klasse thumb|180px|Ridderkruisen Ie Klasse De ridderkruisen van de Orde van de Witte Adelaar werden door juweliers zeer zorgvuldig en met veel aandacht voor details vervaardigd uit verschillende aan elkaar geklonken onderdelen. Het kruis van de ridder der Ie Klasse was oorspronkelijk van massief goud. In de loop van de 19e eeuw werden er steeds meer verguld zilveren kruisen uitgereikt. Toch werd er tijdens de economische crisis in de Eerste Wereldoorlog geen gebruik gemaakt van goedkope oorlogsmetalen zoals zink. Het kruis is met zorg blauw, rood en groen op een gegraveerd oppervlak geëmailleerd. De op het kruis gemonteerde valk is van wit geëmailleerd goud of verguld zilver. De holle plastisch uitgevoerde beugelkroon is niet gevoerd en beweegt ten opzichte van kruis en ring. Ridderkruis Ie Klasse (1815–1918) (in goud of verguld zilver) Ridderkruis Ie Klasse met op de keerzijde een medaillon voor militairen (1815–1870) Ridderkruis Ie Klasse met zwaarden en op de keerzijde een medaillon voor militairen (een overgangsmodel) Ridderkruis Ie Klasse met zwaarden (1870–1918) (in goud of verguld zilver) Ridderkruis Ie Klasse voor algemene verdienste (1892–1902)