right|150px|Kruis van een Ereridder in de Duitse Orde De Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht is een liefdadige ridderlijke orde die alleen Nederlandse protestantse edellieden toelaat. De orde is in de Reformatie afgesplitst van de katholieke Duitse Orde.
In 1518 bezat de Balije van Utrecht, een van de veertien balijen van de grote en rijke Duitse Orde, veertien commanderijen. De orde werd bestuurd door een landcommandeur vanuit het Duitse Huis binnen de muren van de stad Utrecht. Sinds de orde het Duitse Huis in 1992 heeft kunnen terugkopen is dat na een onderbreking van twee eeuwen weer het hoofdkwartier van de balije.
De veertien commanderijen De commanderij van Middelburg of Zandvoord (1248/71-in 1581 verkocht) De commanderij van Katwijk (en Valkenburg) (1241-vanaf 1388 in Katwijk gevestigd en vanaf 1599 samengevoegd met Leiden) De commanderij van Leiden (1268-rond 1650) De commanderij van Maasland of Hofdijk (1241-heden) De commanderij van Schoonhoven (1395-1578) De commanderij van Schelluinen (1220-1700) De commanderij van Tiel of Hemert (voor 1256-heden, vanaf 1328 in Tiel gevestigd) De commanderij van Rhenen (1277-1630) De commanderij van Doesburg (1286-1657) De commanderij van Dieren (1218-heden, vanaf 1434 behorend aan de balije Utrecht) De commanderij van Ootmarsum. Deze werd tussen 1262 en 1454 aan de balije Westfalen afgestaan, ze werd in 1811 geseculariseerd wat inhield dat ze verdween, maar werd in 2006 weer hersteld, nu als deel van de Utrechtse Balije.http://www.duitscheorde.nl/uploads/Pagina/Upswing_in_ootmarsum_20130706.pdfWensite van de Balije. Gezien op 24 november 2015. De commanderij van Nes (voor 1243-1604 door de Staten van Friesland geseculariseerd) De commanderij van Schoten of Schoterburen (voor 1299-heden) De commanderij van Bunne of Bonne (1272-1563)
De commanderijen waren kleine beheerscentra met eigen inkomsten uit voornamelijk pacht en kerkelijke inkomsten (aan veel commanderijen was een parochiekerk verbonden). De commandeur bestuurde het geheel en de op de commanderij levende priester- en ridderbroeders wijdden zich aan gebed en het beheer van de goederen. De geschiedenis van de Utrechtse balije is aan het einde van vijftiende eeuw opgetekend in de Croniken van der Duytscher Oirden (in Duitstalige literatuur beter bekend als de Jüngere Hochmeisterchronik).
De periode van de kruistochten lag in de zestiende eeuw al lang in het verleden en overal in Europa keken de vorsten met enige hebzucht naar de enorme bezittingen van de nutteloos geworden ridderorden. Zo werden militaire orden als de rijke Spaanse Orde van Calatrava binnen de machtssfeer van de koning gebracht. De Duitse Orde heeft dit lot, althans in Nederland, kunnen ontlopen. De Staten van Utrecht verboden in 1581 de katholieke eredienst en alle katholieke orden en instellingen. Hun bezittingen vielen toe aan de Staten van Utrecht. De Duitse Orde kon desondanks blijven bestaan, omdat landcommandeur Jacob Taets van Amerongen de Staten beloofde dat alle ridders protestant zouden worden. Daarmee verviel in theorie ook het verplichte celibaat van de ordebroeders. Het protestantisme wijst het celibaat af, maar het kapittel stond de Ridders van de Duitse Orde in haar Balije pas in 1638 toe om te trouwen. De Staten werden de grootmeester en beschermden als soevereine opvolgers van de afgezworen heer der Nederlanden Filips II de Duitse Orde.
De protestantisering van de orde verliep zeer geleidelijk. De laatste katholieke landscommandeur, Diederik de Bloys van Treslong, trad pas in 1619 af. Zijn opvolger Jasper van Lynden was de eerste van de sindsdien steeds protestantse bestuurders van de balije, maar de laatste katholieke commandeurs verdwenen pas in het midden van de 17e eeuw.
De ridders en commandeurs legden in de middeleeuwen, zoals in een kruisridderorde gebruikelijk, een gelofte van armoede, een gelofte van kuisheid en een gelofte van gehoorzaamheid af. Men kon dus spreken van ridder-monniken. De reformatie maakte geleidelijk een einde aan de naleving van deze geloften. Ten minste een van de landcommandeurs van de Utrechtse BalijeDaantje Meuwissen noemt op blz. 96 Landcommandeur van Egmont van Merestein en zijn bijzit Liesbeth Dircks. woonde op het terrein van het Duitse Huis samen met zijn concubine en zijn bastaardkinderen. In strijd met de gelofte bezaten commandeurs een eigen vermogen waarover zij ook testamentair beschikten zodat hun bezit niet langer automatisch toeviel aan hun orde. De officiële opheffing van het celibaat in 1637 wordt gezien als de definitieve breuk tussen de protestants geworden Utrechtse Balije en de katholiek gebleven balijen die onder het gezag van de Duitsmeester als katholiek instituut bleven voortbestaan.
Het losmaken van de Balije uit het juridische en economische geheel van de Duitse Orde heeft veel tijd gekost. Opvallend is dat de commanderijen van de balije Alden Biesen en de commanderij Ootmarsum, hoewel op het grondgebied van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gevestigd, tot de Duitse, katholieke, organisatie behoorden. thumb|Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam door George de Marees. Van Wassenaer draagt mantel en juweel van de Duitse Orde. De orde was nu een in veler ogen nutteloos maar lucratief instituut geworden. De twaalf commandeurs woonden op hun eigen kastelen en havezathen maar verdeelden wel onderling een groot deel van de inkomsten. De "grote prijs" was de rijke commanderij van Dieren die daarom na 1620 door de leden van de familie Nassau werd opgeëist. De kerken en huizen van de orde geraakten in verval omdat de commandeurs daar niet meer resideerden. De orde liet protestantse edelen met "Duits", dat wil zeggen Nederlands of Duits, bloed en vier adellijke kwartieren in haar midden toe als "ridders-expectant". Uit deze heren werd dan, zo er door overlijden een commanderij vrij kwam, een nieuwe commandeur gekozen. De Orde hield zich nog wel actief bezig met weeshuizen en verschafte geld aan de diaconieën in haar commanderijen. Deze deden op hun buurt aan armenzorg.
Een bijzondere plaats in de geschiedenis van de orde neemt landcommandeur Unico Wilhelm des H.R. Rijksgraaf van Wassenaer-Obdam (1692-1766) in. Hij hervormde de balije grondig. Zijn reorganisaties maakte de orde, zo schrijft J.A. van Zelm van Eldik, aan de vooravond van de revolutieperiode tot een goed functionerend instituut.
De Bataafse republiek verbood de adellijke orde niet en de bezittingen werden door een administrateur beheerd. In 1807 werd het Duitse Huis, min of meer vrijwillig en met recht van eerste koop, aan de regering van Lodewijk Napoleon afgestaan. Het koninkrijk Holland kwam niet aan het regelen van de Duitse Orde, die had moeten toezien hoe de Duitse tak van de orde in 1809 door Napoleon; die adellijke orden verafschuwde, werd opgeheven. In 1811 volgde de Balije Utrecht. Gelukkig voor de Duitse Orde pleegden de hier ten lande met de liquidatie van de orde belaste ambtenaren passief verzet tegen de Franse keizer en schoven ze de verkoop van de goederen op de lange baan.
De Orde in het Koninkrijk der Nederlanden Koning Willem I gaf de Balije Utrecht haar bezittingen, voor zover nog niet verkocht, weer terug. In een van de eerste wetten van het Koninkrijk der Nederlanden, op 8 augustus 1815, werd de Duitse Orde, ondanks een tegenstribbelende Staten-Generaal, erkend. De koning wees de titel van hoog- of grootmeester na enige aarzeling af, maar verkreeg wel het aggregatierecht. Alle benoemingen en bevorderingen in de Duitse Orde geschieden sindsdien bij Koninklijk Besluit. Opvallend is dat de orde geen regerende vorsten en geen prinsen der Nederlanden in haar midden heeft opgenomen.
De orde heeft tot 1945 ook Duitse ridders-expectanten en commandeurs gekend. Koning Willem III heeft zelfs tegen het grote aantal Duitse voordrachten geprotesteerd. Na 1871 werden er nog elf Duitse edelen tot kapittelridders benoemd. In 1937 werd vastgelegd dat de er geen Duitse onderdanen meer in de orde zouden worden opgenomen. In 1946 werden de Duitse leden geschrapt uit het ledenregister. De enige Duitse commandeur, Wolf Dietrich von Trotha, die sinds 1935 lid van het kapittel was, trof hetzelfde lot.
Mogelijke ridders-expectanten worden vaak al bij hun geboorte als "edelexpectant" aangemeld. Op hun 21e verjaardag kunnen zij als ridder-expectant tot de orde toetreden. Op hun dertigste jaar zijn zij verkiesbaar in het kapittel. Het entreegeld bedraagt 1200 gulden. De kapittelridders worden niet tot ridder geslagen, maar leggen een eed af. Het kapittel bestaat uit de landcommandeur, de coadjutor, elf commandeurs en de eerste en tweede kapittelridder.
De eis dat de Nederlandse ridders expectanten "zestien kwartieren oude adel niet besmet met bastaardij" moesten aantonen, werd afgezwakt tot "vier kwartieren met twee grootvaders van families die al vóór 1795 jaar tot de adel behoorden". Het kapittel achtte ook deze toelatingseis aan het begin van de 21e eeuw onhoudbaar en vroeg de Hoge Raad van Adel om een advies over nieuwe toelatingseisen, omdat het "voortbestaan van de orde" niet meer gegarandeerd kan worden.Jaarverslag Hoge Raad van Adel Aan de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, werd advies verstrekt inzake aanpassing van de toelatingseisen tot deze Orde. Volgens de laatstelijk in 1986 gewijzigde statuten dienen aspirant-leden van het mannelijk geslacht te zijn, de Nederlandse nationaliteit te bezitten, de “reformatorische” godsdienst te belijden en te kunnen bogen op vier adellijke kwartieren van ten minste 200-jarige adeldom. Uit verschillende de laatste jaren gedane onderzoeken is echter gebleken dat het aantal potentiële kandidaten dat aan deze toelatingseisen voldoet te gering is om aan de Orde voldoende toekomstperspectief te bieden. Gezien op 2 augustus 2013
Mede op grond van een reeds in 2003 uitgebracht advies van de Hoge Raad van Adel inzake aanpassing van de toelatingseisen, waar het de eis van vier adellijke kwartieren betreft, stelde de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, in 2006 nieuwe statuten vast. Sindsdien is slechts één adellijk kwartier paternel (aan de vaderszijde) van vóór 1795 en één adellijk kwartier maternel (aan de moederszijde) zonder ouderdomsgrens vereist.Jaarverslag 2006 - Hoge Raad van Adel op . Gezien 3 augustus 2013.
In 1992 werd het Duitse Huis gedeeltelijk teruggekocht. De orde heeft in Nederland 130 verpachte boerderijen en 1430 hectare landbouwgrond, waarvan het grootste deel in de provincie Utrecht. Uit de pachtopbrengsten wordt jaarlijks 1,2 miljoen euro uitgekeerd aan goede doelen.De landheer verpacht voor een aalmoes. de Volkskrant, 22 december 2020.
Activiteiten van de Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht
De dagelijkse leiding over de activiteiten berust bij de secretaris van de Duitse Orde. Er is ook een "Dirigerende commissie" waarvan de landcommandeur J.R. baron de Vos van Steenwijk, de coadjutor ir. B.W. baron Bentinck tot Buckhorst en de commandeurs mr. R.G.M.C. ridder van Rappard, drs. J-A.F. baron de Vos van Steenwijk en ds. B.F. baron van Verschuer deel uitmaken.Opgave op , de website van de orde. Gezien op 25 november 2015.
Voor bijzondere hulpverlening aan behoeftigen werd door de Duitse Orde de "Johan van Drongelenstichting" (vernoemd naar een voormalig Landcommandeur) opgericht. Per jaar worden ongeveer 500 aanvragen voor hulp en schuldsanering behandeld. Met twee andere Utrechtse fondsen werd een fonds voor individuele materiële noodhulp opgericht. Dit fonds, de "Stichting N(oodhulp) U(trecht)" kan, doordat de gemeente Utrecht de administratie voor haar rekening neemt, al haar middelen inzetten ter leniging van individuele noden in de stad. Het jaarlijks budget hiervoor ligt rond de € 120.000. Deze vorm van hulp voorziet in een grote behoefte.