miniatuur|Een na de oorlog achtergebleven 'troostmeisje' in gesprek met een Britse officier miniatuur|'Troostmeisjes' die Japanse soldaten volgen door een rivier over te steken

Een troostmeisje (Japans: 慰安婦 ian-fu) was een jonge vrouw die in de periode 1932-1945 door het Japanse Keizerlijke Leger onder dwang in een bordeel tewerkgesteld werd. Officieel luidt het dat deze meisjes en vrouwen zich vrijwillig aandienden om troost te bieden aan militairen. In werkelijkheid waren deze vrouwen seksslavinnen die tegen hun wil werden vastgehouden en gedwongen werden zich te laten misbruiken en was het een vorm van oorlogsverkrachting.

Invoering van het systeem Achter het eufemisme 'troostmeisje' gaat een vorm van gedwongen prostitutie schuil. Het systeem van de comfort houses deed zijn intrede in Shanghai in 1932, vlak na de Japanse invasie in Mantsjoerije in 1931. Het systeem werd vervolgens uitgerold in ieder territorium dat bezet werd door het Japanse leger en de marine tot de Japanse overgave aan de geallieerden in 1945. Het systeem werd bedacht door de generaal Okamura Yasuji.

Om de reden achter het fenomeen te begrijpen, moet men teruggaan naar de Russische Burgeroorlog in Siberië en het Russische Verre Oosten. Bij afloop van die oorlog in 1922 bleek dat een derde van het Japanse expeditieleger was uitgeschakeld door syfilis en gonorroe ten gevolge van seksueel contact met prostituees. Om een herhaling van deze feiten bij verdere veroveringen te vermijden, vatte Japan het plan op om speciale, gesloten bordelen op te richten met strenge hygiënische voorschriften. Deze hadden als voordeel dat enerzijds de verspreiding van SOA's werd ingeperkt en anderzijds het moreel, en daarmee samenhangend de militaire verdiensten, van de troepen werd hooggehouden. Bovendien hadden de soldaten minder snel behoefte aan militair verlof dankzij de aanwezigheid van bordelen aan de frontlinie. Maar er waren ook nog andere redenen. Een daarvan was de vrees voor de nationale veiligheid; prostituees konden weleens spionnen zijn en de soldaten zouden hun mond weleens kunnen voorbijpraten. Verder moest het systeem van 'troostmeisjes' ook voorkomen dat de Japanse soldaten hun seksuele lusten botvierden op de bevolking van de bezette gebieden (zoals tijdens het Bloedbad van Nanking in 1937).

Overal waar Japan zijn troepen stationeerde, werden comfort houses geopend. Zij waren voornamelijk terug te vinden aan de frontlinie, omdat daar de meeste soldaten te vinden waren, en waren in handen van het leger, de lokale overheden en/of particulieren.

Aantal slachtoffers Exacte cijfers van het aantal vrouwen dat in Azië 'troost' bood aan de Japanse soldaten, kunnen op basis van het aantal Japanse militairen (4 miljoen) bij benadering berekend worden. Historici spreken van naar schatting 500.000 tot 800.000 vrouwen. De meisjes en vrouwen waren afkomstig uit ten minste 35 landen, stad-staten en autonome regio's, waaronder China, Japan, Korea, Taiwan, de Filipijnen, Brits-Maleisië, Birma, Nederlands-Indië, Thailand, Vietnam en een aantal eilanden in de Stille Oceaan. Onder de slachtoffers bevonden zich ook vrouwen met de Duitse, Franse, Engelse, Italiaanse, Nederlandse en Spaanse nationaliteit.

Nederlands-Indië In Nederlands-Indië, het enige land waar westerse vrouwen op grote schaal als dwangprostituee werden ingezet,Zie: 1930-1945 Verborgen geschiedenis van de troostmeisjes, Seniorplaza. werden onder de Japanse bezetting meer dan 70.000Molemans, Griselda; Levenslang Oorlog, uitgeverij Quasar Books & Multimedia, 2020, zowel inheemse als geïnterneerde Nederlandse (Nederlands-Indische en "Hollandse") vrouwenExacte aantallen zijn niet te achterhalen, omdat veel bewijsmateriaal is vernietigd. gedwongen als 'troostmeisje' te dienen. Het merendeel van deze slachtoffers was van inheemse afkomst, variërend van onder meer Javaans, Batak, Balinees tot Timorees en Papoea. De dwangbordelen bevonden zich zowel in interneringskampen als in villa's, scholen en militaire kampementen.

Onder de geïnterneerde vrouwen en meisjes brak in 1944 in kamp Gedangan verzet uit tegen het weghalen van de meisjes, nadat 200 meisjes door de Japanners waren weggehaald om aan de keuringscommissie te worden voorgeleid om als troostmeisje te dienen. De vrouwen vielen de Japanners bij hun volgende poging opnieuw een hoeveelheid meisjes weg te halen, met knuppels en gaspijpen aan.

Nakomelingen van Nederlandse vrouwen die ten gevolge van deze dwangprostitutie of uit liefdevolle relaties werden geboren, kwamen in de jaren '50 met hun moeders mee naar Nederland, waar zij door hun Japans (en soms Koreaans) uiterlijk, en gebrek aan een vader, opgroeiden in veelal moeilijke sociale omstandigheden, die met psychische problemen gepaard gingen. Voor hen is de stichting Japans Indische Nakomelingen (JIN) Stichting Japans Indische Nakomelingen in het leven geroepen. De stichting Sakura fungeert als contactorgaan voor nakomelingen van Japanse vaders en Indische dan wel Hollandse moeders. Stichting-Sakura

De rekrutering In eerste instantie deed men een beroep op vrouwen die vrijwillig hun diensten als troostvrouw aanboden. Het ging dan om vrouwen die reageerden op gedrukte advertenties die verspreid werden in Japan en zijn kolonies. De meesten onder hen waren prostituees. De eerste slachtoffers waren echter ook vaak vrouwen die door hun familie aan het leger werden verkocht omwille van financiële redenen. De vrouwen die zich spontaan aanboden om enkele maanden tot jaren van hun leven als troostvrouw door te brengen, waren eerder dun gezaaid. Bovendien zag het Japanse Ministerie van Buitenlandse Zaken snel af van het geven van reisvisa aan Japanse prostituees, omdat dit een smet was op het imago van het Japanse imperium. De legerleiding/particulieren gingen dan ook op zoek naar alternatieve, al dan niet legale, methoden om vrouwen te ronselen.

De eerste alternatieve wervingsmethode was het misleiden via valse advertenties. Vrouwen werden gelokt onder het voorwendsel van een baantje in een fabriek of als kokkin. Aangekomen op hun nieuwe werkplaats werden ze gedwongen zich in dienst te stellen van de soldaten. Vrouwen werden ook vaak ontvoerd door militairen of gevangengenomen bij invasies. Een derde methode was het aanspreken van lokale leiders. Deze werden dan verplicht meisjes en vrouwen uit hun gebied aan te bieden aan het leger. Het werven van jonge meisjes viel dus niet enkel onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van het Japanse leger. Vaak werd ook een beroep gedaan op tussenpersonen om advertenties te plaatsen of ontvoeringen uit te voeren. Naarmate de oorlog langer bezig was, vond deze laatste wervingsmethode steeds vaker plaats.

Eenmaal terechtgekomen in een comfort house, werden de meisjes behandeld als slaven. Ze moesten te allen tijde ter beschikking staan van de militairen en werden verkracht, gemarteld en zelfs gedood wanneer ze besmet waren geraakt met een geslachtsziekte. Er was voedsel, maar niet voldoende voor iedereen, met ondervoeding tot gevolg. De meisjes stonden onder medisch toezicht en moesten vaak een gedwongen sterilisatie of abortus ondergaan.

De Japanse prostituees, en dus de eerste 'troostmeisjes', die in de militaire bordelen verbleven, namen na een tijdje vaak de taak van karayukisan, oftewel 'bordeelmanager', op zich. Zij 'ontfermden' zich dan over de niet-Japanse troostmeisjes.

Toen het Japanse leger na april 1944 zich gedwongen terug moest trekken uit de bezette gebieden in Zuidoost-Azië werd een groot deel van de 'troostmeisjes' achtergelaten of gedood. Slechts enkelen slaagden erin terug te keren naar hun thuisland. Velen kwamen echter om van de honger, dorst en ontberingen waarmee ze tijdens hun terugtocht geconfronteerd werden.

Troostmeisjes en hun rechten Volgens een onderzoek uitgevoerd door de United States Office of War Information in 1944 verschilden de officiële levensomstandigheden van de troostmeisjes dag en nacht van de verklaringen van de slachtoffers in kwestie. Officieel had Japan een reglement uitgevaardigd dat het leven in de comfort houses in goede banen moest leiden. Zo kon enkel tussen 9 uur 's morgens en middernacht beroep gedaan worden op een troostmeisje, had elk troostmeisje recht op twee rustdagen per maand (tijdens de menstruatie), werden de kamers gedesinfecteerd, moesten de vrouwen verplicht op regelmatige tijdstippen op controle gaan bij de dokter op ziekten en kregen ze een behandeling als ze een geslachtsziekte opliepen. De Japanse legerleiding hechtte echter meer belang aan het moreel van haar soldaten dan aan het welzijn van de troostmeisjes. De minimale regels werden dan ook heel vaak overschreden. Vrouwen met een geslachtsziekte werden bijvoorbeeld verbannen of vermoord in plaats van verzorgd. Sommige vrouwen moesten ook tot 50 'klanten' per dag tevredenstellen, op elk uur van de dag. Als de 'klant' niet tevreden was, werden ze vaak geslagen, vernederd en soms zelfs vermoord.

De troostmeisjes werden ook ingedeeld in categorieën die gebaseerd werden op hun anciënniteit. De nieuw geworven vrouwen werden verondersteld vrij te zijn van soa's en behoorden tot de hoogste categorie. Naargelang de meisjes langer in dienst waren, daalden de vrouwen in categorie, omdat de kans groter was dat ze reeds besmet waren met een soa. Als ze te ziek waren of overbodig werden geacht, werden de vrouwen achtergelaten, vaak heel ver van huis en in een ander land. Maagden kregen een speciale behandeling. Zij werden meestal ter beschikking gesteld van de hoogste officieren voor de eerste verkrachting.

Na de Tweede Wereldoorlog Na afloop van de Tweede Wereldoorlog was het lange tijd stil rond de slachtoffers van Japanse dwangprostitutie. Dat in meer dan 50 rechtszaken Japanse militairen en collaborateurs veroordeeld zijn voor de oorlogsmisdaden verkrachting en dwangprostitutie is onbekend gebleven bij het grote publiek.

De slachtoffers zelf hebben lange tijd gezwegen. Ze schaamden zich ten aanzien van hun familie, hun omgeving en zichzelf over wat er gebeurde in de militaire bordelen. Na 37 jaar (de comfort houses hielden pas op te bestaan na de Japanse overgave in 1945) hoorde de wereld voor de eerste keer wat er achter de muren van de dwangbordelen gebeurde.

Eerste bevestiging De eerste persoon die het bestaan van troostmeisjes tijdens de Tweede Wereldoorlog openbaarde, is de Japanner Yoshida Seiji. In 1982 vertelde hij tijdens een bijeenkomst over zijn ervaring met het ontvoeren van vrouwen. Een jaar later, in 1983, publiceerde Yoshida Seiji zijn verhaal in Watashi no sensô hanzai ("Mijn oorlogsmisdaad") en plaatste hiermee de troostmeisjes onder de aandacht van het internationale publiek. Dertien jaar later, in 1996, gaf Yoshida toe dat het concrete verhaal uit zijn boek verzonnen was, waarbij hij zijn betrokkenheid bij soortgelijke ontvoeringen níet ontkende. Fictie of niet, steeds meer mensen raakten op de hoogte van het bestaan van de troostmeisjes en de troostmeisjes zelf namen afstand van hun schaamtegevoel en toonden hun gezicht en hun verhaal.

Eerste aanklachten In 1991 traden de vrouwen zelf voor het eerst zelf op de voorgrond. Kim Hak Sun diende een klacht in tegen de Japanse staat. Verschillende andere slachtoffers volgden haar voorbeeld, net als enkele "bronlanden", zoals Noord-Korea.

Tastbaar bewijs