De Slag bij Cold Harbor vond plaats tussen 31 mei en 12 juni 1864 in Hanover County, Virginia tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. De zwaarste gevechten vonden plaats op 3 juni. Het was de laatste grote slag tussen het leger van de Noordelijke luitenant-generaal Ulysses S. Grant en de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tijdens de Overland-veldtocht. Duizenden Noordelijke soldaten vonden de dood in verschillende frontale aanvallen op sterk verdedigde Zuidelijke stellingen.

Op 31 mei probeerde Grant via een flankeerbeweging opnieuw langs de rechterflank van Lees leger te manoeuvreren. Noordelijke cavalerie nam het strategisch belangrijk kruispunt bij Old Cold Harbor in op ongeveer 15 km ten noordoosten van de Zuidelijke hoofdstad Richmond. De cavalerie kon de vijandelijk aanvallen afslaan tot de Noordelijke infanterie arriveerde. Zowel Grant als Lee, die zware verliezen hadden geleden tijdens de veldtocht, ontvingen versterkingen. In de loop van de avond van 1 juni arriveerde het Noordelijke VI Corps en het XVIII Corps en vielen met enig succes de Zuidelijke stellingen ten westen van het kruispunt aan.

Op 2 juni arriveerde de rest van beide legers. De Zuidelijken legden een imposante defensieve stelling aan die 10 km lang was. In de vroege ochtend van 3 juni vielen drie Noordelijke korpsen de Zuidelijke stellingen aan. De aanval werd met zware verliezen afgeslagen. De daaropvolgende aanvallen kenden evenmin succes.

Grant schreef later in zijn memoires:”Ik heb nog altijd spijt dat de laatste aanval bij Cold Harbor werd uitgevoerd…Er werd geen enkel voordeel gehaald om de zware verliezen te compenseren.” De beide legers bleven in hun stellingen tegenover elkaar liggen tot 12 juni toen Grant zijn leger naar de James liet marcheren.

Achtergrond thumb|300px|Overzicht van de Overland-veldtocht Grants Overland-veldtocht maakte deel uit van een reeks van gelijktijdige offensieve acties tegen de Zuidelijke staten. Tegen eind mei 1864 boekten nog twee veldtochten vooruitgang, namelijk de Overland-veldtocht en de Atlanta-veldtocht aangevoerd door generaal-majoor William T. Sherman. Grants doel was niet de inname van de vijandelijke hoofdstad Richmond, maar wel de vernietiging van het Zuidelijke Army of Northern Virginia onder leiding van generaal Robert E. Lee. President Abraham Lincoln was reeds lang voorstander van deze strategie die ervan uitging dat de vernietiging van het belangrijkste Zuidelijke leger onvermijdelijk zou leidden tot de val van Richmond. Grant beval Meade: “Waar Lee is, daar moet jij ook zijn”.Hattaway & Jones, p. 525. Hoewel Grant hoopte op een snelle en beslissende overwinning, was hij bereid om een uitputtingsslag te leveren. Aan beide zijden zouden er veel slachtoffers kunnen vallen, maar de Noordelijken hadden meer reserves om de verliezen te vervangen.Eicher, p. 661-62; Kennedy, p. 282; Rhea, p. 369; Grimsley, p. 94-110, 118-29.

Op 5 mei stak het Army of the Potomac de Rapidan over en betrad de Wildernis bij Spotsylvania. Daar werd het aangevallen door Lees leger. Hoewel Lee in de minderheid was met 60.000 tegenover 100.000, kon zijn leger gebruikmaken van de terreinomstandigheden om de Noordelijken serieuze verliezen te berokkenen. Na twee dagen van slag leveren en 29.000 slachtoffers aan beide zijden was de strijd onbeslist. Lee had Grant opgehouden maar hem niet verslagen. Ook Grant kon Lees leger niet beslissend verslaan. Onder gelijkaardige omstandigheden zouden Grants voorgangers zich terug getrokken hebben. Grant zette echter door en gaf het bevel aan Meade om Lees rechterflank te flankeren en het belangrijke kruispunt bij Spotsylvania Court House in te nemen. Grant hoopte hiermee zijn leger tussen die van Lee en de Zuidelijke hoofdstad te positioneren om zo Lee tot een open veldslag te dwingen.Salmon, p. 253; Kennedy, p. 280-82; Eicher, p. 663-71.

Onderdelen van Lees leger slaagden er echter in om het strategisch kruispunt als eerste te bezetten waarna ze zich ingroeven. Ondertussen was Meade ontevreden over de resultaten van de Noordelijke cavalerie onder leiding van generaal-majoor Philip Sheridan. Meade stuurden Sheridan eropuit om de Zuidelijke cavalerie onder leiding van generaal-majoor J.E.B. Stuart te verslaan. In de Slag bij Yellow Tavern op 11 mei raakte Stuart dodelijk gewond. Sheridan zette zijn raid richting Richmond verder. Ondertussen had het Noordelijke leger geen volwaardige verkenningseenheden meer om de vijandelijke posities te achterhalen of hun eigen bewegingen af te schermen van nieuwsgierige ogen.Eicher, p. 673-74; Salmon, p. 270-71, 279-83; Kennedy, p. 283, 286.

Tussen 8 en 21 mei woedden de gevechten bij Spotsylvania Court House. Grant probeerde verschillende strategieën om door de vijandelijke linies te breken. Op 8 mei voerden de generaals-majoor Gouverneur K. Warren en John Sedgwick aanvallen uit op de Zuidelijke stellingen bij Laurel Hill echter zonder resultaat. Op 10 mei gaf Grant het bevel tot een algemene aanval langs de Zuidelijke stellingen die ondertussen reeds 6,5 km lang waren. Hoewel de Noordelijken opnieuw mislukten bij Laurel Hill, boekte de innovatieve aanval van kolonel Emory Upton enig succes.Salmon, p. 271-75; Kennedy, p. 285; Eicher, p. 671-73, 675-76.

Grant beval op 15 mei een nieuwe aanval gebaseerd op Uptons aanvalstechniek maar nu voor 15.000 soldaten onder leiding van generaal-majoor Winfield S. Hancock. Hancock kende initieel succes maar door de snelle Zuidelijke reactie kon hij zijn voordeel niet uitbuiten. Aanvallen door generaal-majoor Horatio G. Wright op het westelijke deel van de zogenaamde Mule Shoe (die later de naam Bloody Angle zou krijgen) duurde meer dan 24 uur. Het bestond uit hevige man-tegen-mangevechten. Ondersteunende aanvallen door Warren en generaal-majoor Ambrose Burnside kon het tij niet doen keren. Opnieuw was de strijd onbeslist. Met 32.000 slachtoffers aan beide zijden was dit een van de bloedigste veldslagen uit het conflict. Opnieuw zou Grant een flankeerbeweging uitvoeren om langs de vijandelijke stellingen te manoeuvreren.Salmon, p. 275-79; Kennedy, p. 285-86; Eicher, p. 676-79.

Het volgende doel van Grant na Spotsylvania was de North Anna op ongeveer 40 km in zuidelijke richting. Hij stuurde Hancocks Korps vooruit om als aas te dienen voor Lee. Lee hapte niet toe en arriveerde opnieuw als eerste bij de North Anna. Op 23 mei stak Warrens V Corps de rivier over bij Jericho Mills. Een Zuidelijke aanval door A.P. Hills korps werd afgeslagen door Warren. Ondertussen veroverde Hancocks II Corps de brug op de Telegraph Road. Lee werkte ondertussen een ingenieus plan uit waarbij hij stellingen liet aanleggen in een omgekeerde V-vorm ter hoogte van de enige verdedigbare oversteekplaats langs de rivier, namelijk bij Ox Ford. Lee hoopte door zich ten zuiden van de rivier terug te trekken, dat Grant dit zou zien als een aftocht. Indien Grant zou toehappen zou zijn leger verschillende rivieren dienen over te steken om de aanval in te zetten of ander korpsen te ondersteunen terwijl Lee met zijn stellingen zijn volledige leger kon inzetten zoals hij wilde door de zeer korte communicatielijnen.Welcher, 980; Grimsley, p. 141; Salmon, p. 285; Kennedy, p. 289. Grant liep bijna in Lees val. Hij viel de top en het rechterbeen van de omgekeerde V-vorm aan bij Ox ford. Lee was echter ziek gevallen door hevige diarree en kon niet inspelen op de bewegingen van de Noordelijken. Grant zag het gevaar op tijd, stopte de aanvallen en liet zijn soldaten eveneens borstweringen aanleggen.Jaynes, p. 137; Trudeau, p. 239; Grimsley, p. 145-48; Esposito, text for map 135.

Opnieuw, zoals na de Wildernis en Spotsylvania, plande Grant een nieuwe omtrekkende beweging. Hij marcheerde ten oosten van de Pamunkey om zijn bewegingen te maskeren. Op 27 mei verliet het Noordelijke leger zijn stellingen en begon aan de opmars. Lee reageerde door zijn leger naar Altee’s Station te laten marcheren op ongeveer 14 km ten noorden van Richmond. Daar liet Lee sterke defensieve stellingen bouwen langs Totopotomoy Creek om de Zuidelijke hoofdstad en haar toevoerlijnen te beschermen tegen de Noordelijken. Lee wist echter niet wat Grant precies van plan was. Indien Grant de Pamunkey niet zou oversteken bij Hanovertown, dan zou het Zuidelijke leger met gemak geflankeerd kunnen worden. Daarom stuurde Lee de Zuidelijke cavalerie onder leiding van generaal-majoor Wade Hampton III eropuit om de nodige verkenningen uit te voeren.Rhea, p. 32-37, 41-44, 50-57; Eicher, p. 671, 679, 683; Salmon, p. 288; Furgurson, p. 43-47; Grimsley, p. 149-51.

Op 28 mei botste Hampton op de Noordelijke cavalerie van brigadegeneraal David McM. Gregg in de Slag bij Haw's Shop. Geen van beide zijden kon de overwinning claimen. De Noordelijken werden 7 uur opgehouden. De Zuidelijken hadden nu de nodige informatie over de locatie van de Noordelijke hoofdmacht.Jaynes, p. 149; Furgurson, p. 49-52; Salmon, p. 288; Grimsley, p. 151-52; Rhea, p. 68-71, 87-88.

Nadat Grants infanterie de Pamunkey had overgestoken, zag Lee een kans om op 30 mei het V Corps van Warren aan te vallen met zijn Second Corps aangevoerd door luitenant-generaal Jubal Early. Early’s divisies aangevoerd door de generaals-majoor Robert E. Rodes en Stephen Dodson Ramseur dreven de Noordelijken terug in de Slag bij Totopotomoy Creek. Ramseurs opmars werd echter gestopt door hevig vijandelijk geweer- en artillerievuur. Diezelfde dag vond er een cavalerieslag plaats bij Old Church waarbij de Zuidelijke cavalerie verjaagd werd. Daarmee werd het kruispunt bij Old Cold Harbor het volgende strategisch belangrijke punt.Grimsley, p. 156-59; Kennedy, p. 290-91; Salmon, p. 290-94.

Ondertussen kreeg Lee informatie over versterkingen die op weg waren naar Grant. Het 16.000 man sterke XVIII Corps, aangevoerd door generaal-majoor William F. "Baldy" Smith, werd gedetacheerd van het Army of the James onder leiding van generaal-majoor Benjamin Butler en naderde langs de James en de York. Indien Smith rechtstreeks naar Old Cold Harbor zou oprukken naar Grants linkerflank. Dan zou de Noordelijke slaglinie de vijand met gemak overvleugelen. Op 1 juni om 15.00 uur arriveerde 10.000 soldaten bij Grant. De andere 6.000 bewaakten de communicatielijnen.King, p. 295-96; Welcher, p. 986-87; Kennedy, p. 291.

Ook Lee ontving versterkingen. De Zuidelijke president Jefferson Davis gaf het bevel aan generaal P.G.T. Beauregard om de 7.000 man sterke divisie van generaal-majoor Robert F. Hoke naar Lee te sturen. De voorhoede arriveerde op 31 mei. Lees Army of Northern Virginia telde nu 59.000 soldaten tegenover de 108.000 soldaten van Grant. Het Noordelijke overwicht was niet wat het geweest was. Het merendeel van Grants versterkingen bestonden uit onervaren soldaten en omgevormde artillerie-eenheden die Washington verdedigden. De meeste van Lees soldaten waren geharde veteranen die goed gebruik zouden maken van sterke defensieve stellingen.Rhea, p. 13, 162; Kennedy, p. 291.

Samenstelling van de strijdkrachten thumb|Luitenant-generaal Ulysses S. Grant in Cold Harbor in 1864. Generaal Robert E. Lee in 1865. Beiden foto’s werden genomen door Mathew Brady.

Grants Noordelijke leger bestond uit 108.000 soldaten. De strijdkrachten bestonden uit het Army of the Potomac aangevoerd door generaal-majoor George G. Meade en het XVIII Corps gedetacheerd van het Army of the James. De zes korpsen waren:Welcher, p. 994-97. II Corps aangevoerd door generaal-majoor Winfield S. Hancock bestaande uit de divisies van generaal-majoor David B. Birney en de brigadegeneraals Francis C. Barlow en John Gibbon. V Corps aangevoerd door Gouverneur K. Warren bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Charles Griffin, Henry H. Lockwood en Lysander Cutler. Op 6 juni werd het korps gereorganiseerd in de divisies van Griffin, Cutler en de brigadegeneraals Romeyn B. Ayres en Samuel W. Crawford.