Pentaceratops is een geslacht van grote uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ceratopidae, dat in het Laat-Krijt (Campanien, 75 miljoen jaar geleden), leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De typesoort is Pentaceratops sternbergii.

De eerste fossielen van Pentaceratops werden in 1921 gevonden. Het dier kreeg in 1923 zijn naam die zoiets als 'vijfhoornig gezicht' betekent. In totaal is er een dozijn schedels en skeletten gevonden zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van de bouw van het dier. Van één heel groot skelet is het echter omstreden of het om een oud individu van Pentaceratops gaat of om een eigen geslacht Titanoceratops.

Pentaceratops was ongeveer zes meter lang en woog tegen de vijf ton. Het grote skelet wijst op een dier van ruim zes ton. Pentaceratops had een hoorn op zijn neus en lange naar voren gebogen hoorns boven zijn ogen. Daarnaast staken beide jukbeenderen als hoorns naar bezijden uit zodat het lijkt of er vijf hoorns zijn. Het nekschild was lang en rechthoekig. Het liep naar achteren uit in twee opvallende punten. De rand ervan was versierd met driehoekige uitsteeksels. Pentaceratops liep op vier stevige poten. Een zware nek droeg de kop. De romp was hoog en breed.

De spitse snuit van Pentaceratops droeg een hoornsnavel. Daarmee werden stukken plant afgebeten. In de kaken stonden talrijke tanden opeengepakt. Die verknipten het voedsel verder in kleinere delen die konden worden ingeslikt. In de grote buikholte werd het eten daarna verteerd door bacteriën. Met de hoorns en nekschild kon het dier zich verdedigen tegen roofsauriërs, maar ook indruk maken op zijn soortgenoten.

Ontdekking en naamgeving In 1921 begon de commerciële fossielenjager Charles Hazelius Sternberg in het noordwesten van New Mexico, ten noorden van de Tsaya Trading Post in San Juan County, opgravingen te verrichten in opdracht van Carl Wiman van de Universiteit van Uppsala. Vermoedelijk vonden die plaats in het huidige Fossil Forest. Hierbij werd in juli een ceratopide schedel gevonden, waarvan Sternberg dacht dat die van Triceratops was en op 3 september een ceratopide skelet zonder schedel dat hij per abuis aan Trachodon toeschreef. In 1922 besloot Sternberg, omdat Wiman slecht van betalen bleek, voor eigen rekening op te graven en hij ontdekte dat seizoen een grote ceratopide schedel en wist die voor tweeduizend dollar te verkopen aan het American Museum of Natural History. Het museum zond een team uit bestaande uit Charles Mook en Peter Kaisen om Sternberg bij het uitgraven te assisteren. Na het vervoeren naar New York had Kaisen nog vijf maanden nodig om het fossiel te prepareren. left|thumb|Charles Hazelius Sternberg, de grootste fossielenjager van zijn generatie Henry Fairfield Osborn, de toenmalige directeur van de paleontologische afdeling van het AMNH, beschreef de schedel in 1923, en benoemde een aparte soort die hij mede naar haar ontdekker vernoemde: Pentaceratops sternbergii. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse πέντε, pente, 'vijf', κέρας, keras, 'hoorn', en ὤψ, oops, 'gezicht' en betekent dus losweg vijfhoornig gezicht, een verwijzing naar het 'driehoorngezicht' Triceratops: naast de neushoorn en de twee wenkbrauwhoorns telde Osborn in dit geval ook de epijugalia mee die de jukbeenderen naar beneden verlengen. De geslachtsnaam was Osborn gesuggereerd door William Diller Matthew. De soortaanduiding eert Sternberg, als op zijn drieënzeventigste nog werkzame veteraan van het fossielenonderzoek. Van dit epitheton wordt ook wel de spellingsvariant sternbergi gebruikt, maar naar de huidige regels is zo'n emendatie onjuist. thumb|AMNH 6325, de schedel die het holotype is van Pentaceratops, nog voor de latere restauratie Het holotype AMNH 6325 is gevonden in een laag van de Fruitlandformatie die dateert uit het late Campanien en ruwweg vijfenzeventig miljoen jaar oud is. Het bestaat uit de door Sternberg gevonden schedel. Ook delen van de rest van het skelet werden door Sternberg aangetroffen maar achtergelaten, omdat ze van onvoldoende kwaliteit werden geacht: het fossiel diende allereerst als tentoonstellingsstuk. Begin juni 1923 werd nog een derde, wat kleinere, schedel door Sternberg opgegraven, specimen AMNH 1624; verdere vondsten in die periode zijn specimen AMNH 1622, een paar hoorns; en AMNH 1625, een stuk schedelkraag dat Sternberg vermoedelijk al in augustus 1921 ontdekt had maar eind juni 1923 opgroef. Overigens werden AMNH 1624 en 1625 niet vanzelfsprekend in de collectie van het museum opgenomen: Sternberg was in 1923 doorgegaan met opgraven in de hoop dat Osborn alles zou blijven afnemen maar diens budget moest in 1923 en 1924 volledig besteed worden aan het verwerken van de fossielen die de grote Aziatische expedities van het AMNH opzonden. Ondanks vele smeekbedes bleef de bijna failliete Sternberg in eerste instantie met zijn exemplaren zitten. Het vernoemen van de soortaanduiding naar hem was als een troost hiervoor bedoeld. Om de waarde van AMNH 1624 te verhogen deed Sternberg het voorkomen alsof het een heel nieuwe soort vertegenwoordigde. Osborn en Matthew lieten zich inderdaad overtuigen dat het om een vorm ging die speciaal dicht bij Anchiceratops stond. Toen het specimen uiteindelijk toch verworven werd, bleek het alsnog om een schedel van Pentaceratops te gaan. Om de 'miskoop' te verhullen werd deze schedel nooit beschreven, ondanks dat hij vollediger was dan het holotype.

Hoewel in de literatuur de vondst uit 1922 de meeste aandacht kreeg was in feite het naar Zweden gestuurde materiaal uitgebreider en omvatte een schedel, specimen PMU.R200 (later PMU 24923), en een skelet zonder schedel PMU.R286, in 1921 bij de Meyers Creek in de buurt van de Kimbetoh Wash gevonden in de Kirtlandformatie die boven de Fruitlandformatie ligt. In 1930 benoemde Wiman op basis hiervan een tweede soort: Pentaceratops fenestratus. De soortaanduiding verwijst naar een fenestra, een opening, hoog in het linkersquamosum. Later werd, ondanks de herkomst uit een andere formatie, meestal geoordeeld dat dit materiaal tot dezelfde soort behoorde als de later gevonden resten en P. fenestratus dus een jonger synoniem is van P. sternbergii. Het gaat om een kleiner exemplaar dat echter wel volwassen is. Meestal werden schedel en postcrania als één geheel behandeld maar sommige onderzoekers hebben steeds gesteld dat de schedel niet bij het skelet hoort. Dat is inderdaad vrijwel zeker: niet alleen lijken ze apart gevonden, PMU.R286 omvat behalve een onderkaak ook nog wat stukken schedelkraag die niet van PMU.R200 afkomstig zijn. De romp mist de rechterachterpoot en de linkervoorpoot maar vertegenwoordigt door spiegeling de meeste skeletelementen; alleen de ribben, handen en voeten ontbreken. Sternberg stuurde behalve de twee hoofdexemplaren nog een squamosum, een quadratum en een hoornbasis naar Zweden op. De schedel wordt tentoongesteld in het Evolutiemuseum van de universiteit. thumb|Het typische landschap van het vondstgebied Naast de oorspronkelijke exemplaren van C.H. Sternberg is nog twee dozijn specimina gevonden, bestaande uit gedeeltelijke schedels en delen van de postcrania. De toewijzing aan Pentaceratops is echter vaak niet onomstreden. Zo werd in 1998 door Thomas Lehman gesteld dat van alle landdieren die ooit op aarde leefden of leven Pentaceratops de grootst bekende schedel heeft, rond de drie meter. Deze claim, die zelfs in het Guinness Book of Records werd opgenomen, is echter gebaseerd op specimen OMNH 10165, in juli 1941 gevonden in New Mexico en bestaande uit een schedel en bijhorend skelet tentoongesteld in het Sam Noble Oklahoma Museum of Natural History die door sommige onderzoekers gezien wordt als een apart geslacht: Titanoceratops. Van een exemplaar in de verzameling van de University of New Mexico, specimen UNM FKK-081 dat voor een vrouwtje werd aangezien, is later vastgesteld dat het niet om Pentaceratops ging. Wel authentiek is vermoedelijk het in 1929 door de zoon van C.H. Sternberg, George Fryer Sternberg, gevonden specimen USNM V12002, een rechtersquamosum dat deel is van de collectie van het Smithsonian Institution. Andere specimina zijn: MNA Pl. 1668, een gedeeltelijk skelet met schedel; MNA Pl. 1747, wervels, ribben, onderkaken en schedel gevonden in 1975; UALP 13342, een schedel zonder kraag; UKVP 16100, een achterste schedelkraag gevonden in 1966; UNM B-1701, een hersenpan met bovenkaaksbeen; USNM 12741, een gedeeltelijke schedel; USNM 12743, stukken schedel waaronder een hoornkern; USNM 2416, een gedeeltelijk skelet met schedel; USNM 8604, stukken schedelkraag; YPM 1229, een vrij compleet skelet zonder schedel; SMP VP-1900, een bekken met heiligbeen en tandafdruk van een roofsauriër; SMP VP-1596, een quadratum, jukbeen en wat osteodermen; SMP VP-1488, een stuk jukbeen met oogkas; SMP VP-1500, een half nekschild; SMP VP-1712, een linkerjukbeen en quadratojugale; SMP VP-1508, drie ruggenwervels; SMP VP-1144, een draaier; NMMNH P-37880, een stuk nekschild in 1998 gevonden door Paul Sealey; SDMNH 43470, een schedel die in 2020 door Denver Fowler gezien werd als een aff. Pentaceratops sp., en NMMNH P-27468, een gedeeltelijk skelet met schedel dat in 2020 benoemd werd als het aparte geslacht Terminocavus. Vrij uitgebreide vondsten zijn daarnaast wel in de literatuur gemeld maar ontberen een inventarisnummer.

Een exemplaar dat het bekende bereik van het geslacht flink uitbreidt, is het juveniele SDMNH 43470, in 2006 gemeld uit de Williams Fork Formation van Colorado; het bestaat uit de rechteronderkaak en de onderkant van de rechterzijde van een schedel.

In 1987 hernoemde Gregory S. Paul Pentaceratops sternbergii Osborn 1923 in een Chasmosaurus sternbergi. Deze naam heeft geen navolging gekregen.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Pentaceratops heeft een vrij gedrongen romp Pentaceratops is een vrij grote ceratopide. De lengte ervan is echter nogal eens te hoog ingeschat doordat Amerikaanse onderzoekers niet afgingen op de bekende verhoudingen bij het Zweedse exemplaar, maar de grootte vergeleken met die van Triceratops. Zo kwam men op schattingen van wel acht meter. Peter Dodson gaf in 1996 een meting van het Zweedse specimen van ongeveer vijf meter en meende dat het dier in het AMNH dan zes meter lang moest zijn geweest. In 2010 gaf Gregory S. Paul, werkend vanuit een modelreconstructie, een lichaamslengte van 6,4 meter en een gewicht van 4,7 ton. De variaties in lichaamslengte komen overeen met problemen om de schedellengte te bepalen. Bij het holotype ontbreekt een gedeelte van de achterrand; Dodson schatte de lengte van AMNH 1624 op 2,3 meter. Lehman echter, maakte een composiet van drie exemplaren, AMNH 1624, MNA PL.1747 en UNM FKK-081, en kwam uit op 2,7 meter. Bij het Zweedse exemplaar is de lengte 2,16 meter. OMNH 10165 is gereconstrueerd met een 3,22 meter lange schedel, maar het nekschild ontbrak grotendeels bij dit exemplaar zodat deze afmeting zeer onbetrouwbaar is; daarbij gaan degenen die menen dat het een aparte vorm Titanoceratops betreft uit van de hypothese dat daarvan de schedelkraag juist kort is, als bij Triceratops. Zelfs Lehman moest toegeven dat hoe dan ook de reconstructie te lang was en 2,9 meter een correctere proportie opleverde. Een toewijzen van dit specimen aan Pentaceratops zou diens maximumgewicht wel aanzienlijk vergroten want schattingen daarvan variëren van 6,5 tot 9,5 ton. left|thumb|Is OMNH 10165 een oud exemplaar van Pentaceratops of een eigen taxon Titanoceratops? In het algemeen is Pentaceratops vooral een dier van grote uitgebreidheid: de skeletelementen zijn niet heel robuust, maar de schedel steekt ver naar achteren en boven uit en de romp is hoog en breed ten opzichte van de lengte.