De Tweede Tsjetsjeense Oorlog (Russisch: ) betrof een gewapend conflict tussen de Russische Federatie, de niet erkende Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië en verschillende islamitische groeperingen dat van augustus 1999 tot april 2009 plaatsvond in Tsjetsjenië en de aangrenzende deelrepublieken in de Noordelijke Kaukasus.
Op 9 augustus 1999 infiltreerden Tsjetsjeense islamitische strijders de Russische deelrepubliek Dagestan, waar ze de onafhankelijkheid van Dagestan uitriepen en een jihad proclameerden tot "alle ongelovigen zijn weggedreven". In september 1999 vond een reeks bomaanslagen op appartementen plaats in Russische steden, waarbij meer dan 300 mensen om het leven kwamen. Volgens sommigen, waaronder journalist Anna Politkovskaja en ex-FSB-agent Aleksandr Litvinenko, waren dat valse vlag-operaties om een Russische militaire operatie tegen Tsjetsjenië te rechtvaardigen. Russische troepen trokken in het najaar van 1999 Tsjetsjenië binnen en maakten een einde aan de de facto onafhankelijkheid van de Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië, waarmee het Russische federale gezag over het gebied werd hersteld.
Er werd een pro-Russische regering geïnstalleerd en Tsjetsjenië verkreeg autonomie binnen Rusland. Tegen 2009 had Rusland de Tsjetsjeense separatistische beweging grotendeels uitgeschakeld en werd de militaire operatie officieel beëindigd. Beide partijen werden sterk bekritiseerd voor de vele mensenrechtenschendingen. De Tsjetsjeense hoofdstad Grozny werd tijdens de eerste fase van het conflict vrijwel geheel vernietigd. De verbannen leider van de separatistische regering Achmed Zakajev riep op om de gewapende weerstand tegen de Tsjetsjeense politie te stoppen. De schattingen van het aantal slachtoffers lopen uiteen van 50.000 tot 200.000 burgerdoden aan Tsjetsjeense zijde en 8.000 tot 40.000 aan Russische.
Historische basis van het conflict
Keizerrijk Rusland
Tsjetsjenië ligt in de Noordelijke Kaukasus en heeft vaak gestreden tegen vreemde overheersing, waaronder in de 15e eeuw tegen het Ottomaanse Rijk. De Russische Terek-Kozakken vestigden zich in 1577 vanaf de Wolga in het Tsjetsjeense laagland, waarmee de Russische invloed in het gebied begon. In de 18e eeuw breidde het Keizerrijk Rusland haar invloed en macht uit richting de Kaukasus en begon gebieden in te lijven. In 1783 ratificeerden Rusland en het Georgische koninkrijk Kartli-Kachetië het verdrag van Georgijevsk waardoor het koninkrijk een Russisch protectoraat werd. Teneinde de verbinding met Georgië en andere Transkaukasische gebieden te verzekeren, breidde Rusland zijn invloedssfeer uit in de Kaukasische regio, wat leidde tot de Kaukasusoorlog van 1817. Russische troepen betraden in 1830 voor het eerst het Tsjetsjeense hoogland. Het conflict duurde tot 1859, toen een leger van 200.000 manschappen onder leiding van generaal Aleksandr Barjatinski de opstanden van de hooglanders een halt toeriep. In de Kaukasus vonden tijdens de Russisch-Turkse Oorlog frequent opstanden plaats.
Sovjet-Unie Na de Russische Revolutie in 1917 en tijdens de daaropvolgende Russische Burgeroorlog bestond er gecentreerd in Tsjetsjenië korte tijd in 1919-1920 een imamaat, het Noord-Kaukasisch emiraat onder leiding van Tsjetsjenen. Daarvoor was er korte tijd de pan-Kaukasische Bergrepubliek van de Noordelijke Kaukasus. Deze staten werden door beide partijen van de Russische Burgeroorlog tegengewerkt en het gebied werd in 1920 door het Rode Leger veroverd. In 1921 werd Tsjetsjenië een van de districten (okroeg) van de Autonome Socialistische Sovjet-Bergrepubliek van de Russische SFSR. In november 1922 werd Tsjetsjenië afgesplitst van de Bergrepubliek als Tsjetsjeense Autonome Oblast in de Russische SFSR van de Sovjet-Unie.
In 1936 fuseerden Tsjetsjenië en Ingoesjetië in de Tsjetsjeens-Ingoesjetische Autonome Socialistische Sovjetrepubliek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog brak in 1941 een Tsjetsjeense revolte uit onder leiding van Chasan Israilov. De Vajnachen, zoals de Tsjetsjenen en Ingoesjen werden genoemd, werden door Jozef Stalin beschuldigd van collaboratie met de Duitsers. Ze werden in 1944 massaal gedeporteerd naar Centraal-Azië, waarbij meer dan een kwart stierf tijdens deze gedwongen volksverhuizing. In 1957 stond Nikita Chroesjtsjov de Vajnachen toe om terug te keren en werd de Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR hersteld.
Eerste Tsjetsjeense Oorlog
Tijdens het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 riep Tsjetsjenië de onafhankelijkheid uit als Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië. In 1992 ondertekenden Tsjetsjeense en Ingoesjetische leiders een overeenkomst om de Tsjetsjeens-Ingoesjetische autonome sovjetrepubliek te splitsen, waarbij Ingoesjetië zich bij de Russische Federatie zou voegen en Tsjetsjenië een onafhankelijke staat zou worden. Uiteindelijk leidden de gesprekken tot een korte burgeroorlog, waarin de Russische autoriteiten de oppositietroepen tegen de Tsjetsjeense leider Dzjochar Doedajev steunden. Duizenden niet-Tsjetsjenen ontvluchtten Tsjetsjenië, wat leidde tot het instorten van de Tsjetsjeense industrie omdat Russische ingenieurs en arbeiders vluchtten of waren verdreven. De Eerste Tsjetsjeense Oorlog begon in 1994 toen Russische troepen Tsjetsjenië betraden om er de "grondwettelijke orde te herstellen". De oorlog kwam na bijna twee jaar van zware gevechten, waarbij naar schatting tienduizenden tot meer dan 100.000 mensen stierven, in 1996 tot een einde met de wapenstilstand van Chasavjoert. De Russische troepen trokken zich terug en de zelfverklaarde Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië kende een periode van de facto onafhankelijkheid.
Voorspel van de Tweede Tsjetsjeense Oorlog Chaos in Tsjetsjenië Door de eerste oorlog verzwakte de greep van de overheid op de chaotische republiek, voornamelijk buiten de vernielde hoofdstad Grozny. De gebieden die onder controle stonden van separatistenbewegingen groeiden steeds meer en in het land heerste almaar meer wetteloosheid. De oorlogsravages en het gebrek aan economische opportuniteiten zorgden voor een groot aantal zwaargewapende en wrede voormalige separatistenstrijders die zich enkel bezighielden met geweld. De overheid in Grozny werd betwist door extremistische krijgsheren zoals Arbi Barajev en Salman Radoejev. Meer en meer pleegden zij ontvoeringen en aanvallen in andere Noord-Kaukasische gebieden. In deze verwoeste economie werd kidnapping de voornaamste bron van inkomsten: een totaal van 200 miljoen dollar werd in drie jaar verkregen door ontvoeringen. Volgens schattingen werden tussen 1996 en 1999 meer dan 1.300 mensen ontvoerd, en in 1998 werden vier Westerse gijzelaars vermoord. Politiek geweld en religieus Wahabistisch extremisme waren eveneens alomtegenwoordig. In 1998 riep de overheid de noodtoestand uit. Verdere twisten leidden tot open gevechten zoals de confrontatie van juli 1998 in Goedermes waarbij een vijftigtal mensen omkwamen bij een gevecht tussen de Tsjetsjeense Nationale Garde en de islamitische militie.
Russisch-Tsjetsjeense betrekkingen 1996-1999 Bij de verkiezingen van 1997 werd de separatist Aslan Maschadov verkozen tot president. In 1998 en het jaar nadien overleefde hij verschillende moordpogingen waarvan de Russische inlichtingendiensten de schuld kregen. In mei 1999 werd gezant van het Kremlin Gennadi Sjpigoen ontvoerd en uiteindelijk dood teruggevonden in 2000.
De politieke spanningen werden deels aangewakkerd door vermoedelijke Tsjetsjeense of pro-Tsjetsjeense terroristen in Rusland, alsook door grensconflicten.
Russische oorlogsplannen Op 7 maart 1999 pleitte Minister van Binnenlandse Zaken Sergej Stepasjin voor een invasie in Tsjetsjenië, als reactie op de ontvoering van MVD-generaal Gennadi Sjpigoen. Desalniettemin werd Stepasjins plan opgeheven door premier Jevgeni Primakov. Stepasjin verklaarde nadien:
Volgens Robert Bruce Ware moeten deze plannen beschouwd worden als noodplannen. Echter, Stepasjin riep wel degelijk op tot een militaire campagne tegen Tsjetsjeense separatisten in augustus 1999 toen hij Russisch premier was, maar kort na dit televisie-interview waar hij sprak over deze plannen om de "grondwettelijke orde in Tsjetsjenië te herstellen", werd hij vervangen door Vladimir Poetin.
Aanvallen en grensconflicten Op 16 november 1996 vernielde een bom een appartementsgebouw in Kaspiejsk (Dagestan) waarin Russische soldaten gelegerd waren. Hierbij stierven 68 mensen. De oorzaak van de ontploffing werd nooit achterhaald, maar vele Russen beschuldigden de Tsjetsjeense separatisten. Op 23 april 1997 stierven drie personen bij een bomontploffing in het treinstation van Armavir, en twee anderen op 28 mei in het treinstation van Pjatigorsk.
Op 22 december 1997 vielen Dagestaanse militanten en de pro-Tsjetsjeense Arabische krijgsheer Ibn ul Chattab de basis van de Motorgeweer-brigade van het Russisch leger aan in Boejnaksk. Hierbij vielen vele doden en ook de uitrusting van de basis werd sterk aangetast. Eind mei kondigde Rusland aan de grens met Tsjetsjenië te zullen sluiten met als doel aanvallen te voorkomen en de criminele activiteiten te doen dalen in aantal. Hierbij werden grenspatrouilles bevolen om verdachten ter plekke neer te schieten. Op 29 juli 1999 vernielden Russische troepen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een Tsjetsjeense grenspost en veroverden ze een achthonderd meter lang strategisch stuk grond. Op 22 augustus werden in Noord-Ossetië 10 Russische politiemannen gedood door een antitankmijn. Op 9 augustus 1999 werden 6 militairen gekidnapt in Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië.
Invasie van Dagestan De Invasie van Dagestan was de trigger voor de Tweede Tsjetsjeense Oorlog. In augustus en september 1999 leidde Sjamil Basajev twee legers van meer dan 2.000 Tsjetsjeense, Dagestaanse, Arabische en internationale moedjahedien en wahabistische militanten naar Dagestan, buurland van Tsjetsjenië. In deze oorlog werden voor de eerste keer vanuit de lucht afgeleverde waterstofexplosieven gebruikt in bergachtige gebieden, vooral in het dorp Tando. Medio september 1999 werden de militanten teruggedreven naar Tsjetsjenië. Minstens honderden militanten werden gedood in deze gevechten. Volgens Russische federale bronnen stierven 279 soldaten en raakten er ongeveer 900 gewond.
Bomaanslagen in Rusland Nadat de gevolgen van de Dagestaanse invasie waren bedaard, vond een reeks bomaanslagen plaats in Rusland (in Moskou en Volgodonsk) en in de Dagestaanse stad Boejnaksk. Op 4 september 1999 stierven 62 mensen in een bomaanslag op een appartementsgebouw waarin families van Russische soldaten leefden. In de twee weken erna werden drie andere appartementsgebouwen en een winkelcentrum opgeblazen, met bijna 300 doden tot gevolg. Een gerechtelijk onderzoek en het erna komend vonnis besloten dat de aanslagen werden georganiseerd door Achemez Gochijajev (nog steeds voortvluchtig) en bevolen door Abu Omar al-Saif, die later werd vermoord. De aanslagen zouden worden gepleegd als vergelding voor het Russisch tegenoffensief tegen de inval in Dagestan. Echter, Russische FSB-troepen werden betrapt bij het planten van een van de bommen, maar werden later vrijgelaten op het bevel van Moskou. Vele waarnemers, o.a. Staatsdoema-afgevaardigden Joeri Sjtsjekotsjichin, Sergej Adamovitsj Kovaljov en Sergej Joesjenkov betwisten de officiële versie en wilden een onafhankelijk onderzoek. Anderen, waaronder David Satter, Joeri Felsjtinski, Vladimir Pribylovski en Aleksandr Litvinenko alsook de Tsjetsjeense separatistische overheid, beweerden dat de aanslagen in 1999 een valse vlagoperatie waren, gecoördineerd door de FSB met als doel de publieke opinie te winnen voor een volledige oorlog tegen Tsjetsjenië. Dit gaf de populariteit van de toenmalige premier en voormalige FSB-directeur Vladimir Poetin een boost en verschafte zetels aan de pro-oorlogse Eenheidspartij (Russisch: Единство) in de Staatsdoema in de verkiezingen van 1999. Uiteindelijk bemachtigde Poetin zelfs het presidentschap.