Euoplocephalus is een geslacht van uitgestorven plantenetende en zwaar bepantserde ornithischische dinosauriërs, behorende tot de Ankylosauria, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De eerste fossielen van Euoplocephalus zijn in 1897 gevonden in Canada. In 1902 werden deze benoemd als de typesoort Stereocephalus tutus, waarvan de geslachtsnaam echter al bezet bleek door een kever. Daarom is het geslacht in 1910 hernoemd tot Euoplocephalus, wat zoiets als 'welgewapend hoofd' betekent. In het begin van de twintigste eeuw zijn nog veel meer van dit soort fossielen in Noord-Amerika gevonden en vaak benoemd als aparte geslachten. Op het eind van de eeuw wees men die vondsten allemaal aan Euoplocephalus toe, die zo als een van de best gekende dinosauriërs beschouwd werd. Tegenwoordig denken veel wetenschappers echter weer dat het toch om verschillende geslachten ging. Een half dozijn tamelijk volledige skeletten bleef van de echte Euoplocephalus over, zodat de geleerden desalniettemin een goed beeld hebben van de bouw van het dier.

Euoplocephalus werd vijf tot zes meter lang en ruim twee ton zwaar. Hij had een zeer platte schijfvormige romp die rustte op vier korte stevige poten aan de uiterste voorkant en achterkant. Een dikke lange nek droeg een stompe naar beneden gekromde kop. Met een brede hoornsnavel werden allerlei planten afgebeten om in de enorme buikholte verteerd te worden. Net als andere leden van de Ankylosauridae verdedigde Euoplocephalus zich met een benige knots op het einde van de staart tegen roofsauriërs als Gorgosaurus. Zijn lichaam en vooral de kop werd verder beschermd door een groot aantal kleine beenschubben. Rijen grote ovale beenplaten met bovenop een scherpe snijrand liepen over nek, romp en staartbasis naar achteren. De nek was ook omgeven door twee beenringen.

Vondst en naamgeving Op 18 augustus 1897 vond paleontoloog Lawrence Morris Lambe het eerste fossiel van Euoplocephalus in het gebied van het huidige Dinosaur Provincial Park in Alberta. De precieze locatie is tegenwoordig niet meer bekend, maar werd indertijd aangegeven als de oostelijke oever van de Red Deer River waar de Berry Creek erin uitmondt. In 1902 benoemde Lambe de vondst als Stereocephalus tutus. De geslachtsnaam was afgeleid van het Oudgriekse στερεός, stereos, 'solide', en κεφαλή, kephalè, 'hoofd', een verwijzing naar de bepantsering op de kop. De soortaanduiding betekent 'veilig beschermd' in het Latijn en verwijst opnieuw naar het pantser. De geslachtsnaam was echter al bezet door de kever Stereocephalus Lynch 1884 en moest dus vervangen worden om een geldige soortnaam op te leveren. In 1910 koos Lambe hiervoor de naam Euoplocephalus die is afgeleid van het Griekse eu, 'goed', en hoplo~, een woordelement dat in combinatie gebruikt wordt om een bewapening aan te geven. De naam betekent dus min of meer 'welgewapend hoofd'. Euoplocephalus tutus is daarmee de combinatio nova, de nieuwe combinatienaam, voor de typesoort van het geslacht, die Stereocephalus tutus blijft. left|thumb|De schedel van het holotype CMN 210 Het holotype CMN 210, eerder NMC 0210, is gevonden in een laag van de onderste Dinosaur Park Formation, die dateert uit het Campanien en ongeveer 76 miljoen jaar oud is. Het bestaat uit een schedel, een stuk van de voorste halsberg, zijnde een van de pantserringen om de nek, en een, nooit geprepareerde, rechteronderkaak. Een rib die vermoedelijk van hetzelfde individu afkomstig is, heeft het aparte inventarisnummer CMN 1463. thumb|De schedel van AMNH 5337 Uit het Campanien van Canada zouden daarna nog veel meer ankylosauride vondsten gedaan worden. Vaak werden die benoemd als aparte soorten. Lambe zelf bijvoorbeeld had in dezelfde publicatie waarin hij Stereocephalus beschreef een tand, specimen NMC 1349, benoemd als Palaeoscincus asper. In 1924 benoemde William Arthur Parks een Dyoplosaurus acutosquameus. In 1928 benoemde Franz Nopcsa een Scolosaurus cutleri. In 1929 benoemde Charles Mortram Sternberg een Anodontosaurus lambei.

Sommige wetenschappers meenden dat al die variatie maar schijn was en dat zulke soorten samengevoegd konden worden. In 1915 vond Edwin Hennig dat het geslacht Palaeoscincus identiek was aan Euoplocephalus en Euoplocephalus tutus dus een Palaeoscincus tutus moest zijn. In 1964 bracht Oskar Kuhn Euoplocephalus bij Ankylosaurus onder als een Ankylosaurus tutus. Deze twee namen bleven slechts curiosa waarvan het bestaan nauwelijks doordrong. In 1971 echter promoveerde Walter Preston Coombs op een zeer invloedrijke dissertatie waarin hij onder meer stelde dat al deze vormen identiek waren aan, en dus jongere synoniemen van, Euoplocephalus tutus. Zelfs de Aziatische Tarchia gigantea Maleev 1956 zou hij in 1978 hernoemen tot een tweede soort van Euoplocephalus: Euoplocephalus giganteus. In 2003 werd Coombs standpunt dat al het Noord-Amerikaanse ankylosauride materiaal slechts één soort vertegenwoordigde, Euoplocephalus tutus, nog verdedigd door Matthew Vickaryous.

In het begin van de eenentwintigste eeuw begon echter grote twijfel te ontstaan over de mogelijkheid dat één enkele soort zo'n groot bereik in ruimte en tijd zou hebben kunnen gehad. Door nieuwe vondsten en verbeterde inzichten en technieken werd het ook eenvoudiger het omvangrijke fossiele materiaal te dateren en te groeperen. Dat leidde ertoe dat Anodontosaurus en Scolosaurus weer als geldige taxa werden gezien. Daarbij werd er nog een geslacht benoemd: Oohkotokia. Tarchia was men eigenlijk altijd al als een apart geslacht blijven beschouwen.

Binnen de opvatting van Coombs was Euoplocephalus tutus verreweg de best bekende ankylosauride, waarvan het materiaal bestond uit ruim veertig specimina uit Alberta, Canada en Montana, Verenigde Staten van Amerika. De nieuwe interpretaties beperken de met zekerheid tot de soort behorende fossielen aanzienlijk, hoewel ze nog steeds de meerderheid van de Canadese vondsten vertegenwoordigt. Victoria Arbour stelde in 2013 bij een herziening van het geslacht een lijst op met toe te wijzen specimina. Daarbij verwijderde ze al het materiaal uit de V.S. en beperkte het voorkomen tot de onderste dertig meter van de afzettingen van de Dinosaur Park Formation. Over bleven toen: de specimina AMNH 5337, AMNH 5403, AMNH 5404, AMNH 5405, ROM 1930 en UALVP 31, alle gedeeltelijke skeletten met schedel; AMNH 5406, een gedeeltelijk skelet zonder schedel; CMN 842, een halsberg; CMN 8876, een schedel, TMP 1979.14.74, een fragmentarische schedel en UALVP 47977, een stuk schedeldak. Eerder is vaak gesteld dat van Euoplocephalus alle skeletelementen ontdekt waren, maar de beperking van het materiaal leidt tot hiaten in onze kennis: zelfs bij elkaar gevoegd levert het nu geen complete nek, rug of staart op en van de voet zijn alleen wat losse botten bekend. ROM 1930, in 1914 gevonden door George Fryer Sternberg, is de beste informatiebron aangaande het lichaamspantser met osteodermen in de oorspronkelijke positie en zelfs huidafdrukken. Ook dit specimen is op dit punt echter niet volledig.

In 2018 benoemde Paul Penkalski AMNH 5337 als een apart geslacht Platypelta waaraan hij ook AMNH 5403 toewees. AMNH 5404 wees hij toe aan Scolosaurus cutleri en ROM 1930 maakte hij een Scolosaurus thronus. AMNH 5405 was volgens hem een Scolosaurus sp. Zo bleven AMNH 5406, NHMUK R4947 en UA 31 over waaraan hij schedel TMP 1991.127.1 toevoegde.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|350px|Een vergelijking in grootte tussen Euoplocephalus en een mens. Bij deze afbeelding zijn de poten te lang en is de rug te gekromd Euoplocephalus is een middelgrote ankylosauride met een lengte van vijf tot zes meter en een gewicht van ruim twee ton. Enkel de Noord-Amerikaanse Ankylosaurus en Cedarpelta zijn overigens bewijsbaar groter.

Euoplocephalus liep op vier poten. Zijn lichaamsbouw is zeer bizar en wordt in veel illustraties en zelfs skeletopstellingen fout weergegeven. De romp is extreem afgeplat zodat hij de vorm heeft van een pillendoos. De bovenkant ervan heeft slechts een geringe en zeer geleidelijke kromming. De zijkanten vallen abrupt naar beneden weg. De poten zijn zeer kort en staan veel dichter op de middenlijn dan de uiterste zijkanten van de buikholte zodat die in vooraanzicht ver buiten de ledematen uitsteekt. De nek is tamelijk lang en dik en gaat naar voren over in een platte brede stompe kop waarvan de snuit sterk naar beneden gebogen is ten opzichte van de achterkant van de schedel. De staart heeft een dikke basis, maar versmalt al snel tot een hendel voor een hamervormige staartknots. Net als alle ankylosauriden, is Euoplocephalus zwaar bepantserd: vergroeide huidverbeningen vormen beenplaten die de staartbasis, romp, nek en kop volledig van boven bedekken. Op die platen staan rijen stekels.

Oudere diagnoses van Euoplocephalus zijn door de nieuwe inzichten achterhaald geworden. Arbour stelde in 2013 een nieuwe lijst kenmerken op waarin Euoplocephalus zich van verwante soorten onderscheidt. Deze eigenschappen zijn op zich niet uniek maar wel in combinatie. Euoplocephalus mist vergeleken met Anodontosaurus lambei en Scolosaurus cutleri ronde vastgegroeide huidverbeningen aan de bases van de hoorns op het squamosum en het quadratojugale. Hij mist vergeleken met Anodontosaurus lambei kleine pantserplaten op de voorste halsberg aan de bases van de grote osteodermen, maar heeft juist wel in bovenaanzicht halfronde grote osteodermen op de staartknots. Hij verschilt van Dyoplosaurus acutosquameus in het bezit van zijwaarts uitstekende sacrale ribben. Hij verschilt van Scolosaurus cutleri in het bezit van gekielde osteodermen met een ovale of ronde basis op de bovenkant en zijkanten van de eerste halsberg en in het bezit van een korter achterblad van het darmbeen. Euoplocephalus onderscheidt zich van Ankylosaurus magniventris in het bezit van voorwaarts gerichte neusgaten en door het ontbreken van een doorlopende kiel tussen de hoorn op het squamosum en de supraorbitalia.

Skelet Schedel thumb|De schedel van AMNH 5405 De schedel van Euoplocephalus is een gedrongen constructie, breder dan lang. Bij het grootste bekende exemplaar, specimen AMNH 5403, is het cranium 411 millimeter lang en 478 millimeter breed, gemeten over de quadratojugale hoorns. Het achterhoofd vormt in bovenaanzicht een bijna rechte rand waarvan de uiteinden, bekroond door hoorns op de squamosa, ver uit elkaar liggen. Het breedste punt van de bovenkant van de schedel ligt echter bij sommige exemplaren meer naar voren toe, boven de oogkassen die bovenop ook weer van hoorns voorzien zijn; de lijn tussen deze uitsteeksels en de hoorns op de squamosa is hol. Naar voren toe loopt de schedel uit in een korte stompe snuit. Dat levert in bovenaanzicht geen perfect tongvormig profiel op want de zijden ervan zijn wat ingevallen. De omtrek van de schedel als geheel is dus meer zeshoekig — maar is ook vergeleken met een afgeknotte gelijkzijdige driehoek. De voorkant van de snuit is relatief erg breed — ook vergeleken met veel verwante soorten — en in bovenaanzicht licht bol. left|thumb|De schedel van AMNH 5404; de label wijst naar het "verbeende ooglid"