thumb|Bladeren thumb|Eikel miniatuur|Stam
Zomereik (Quercus robur) is een plantensoort uit het geslacht eik (Quercus). Het is een zeer langlevende, Europese, hardhout leverende boom. De gevallen bladeren van zomereik verteren langzaam, wat zijn invloed heeft op de strooisellaag.
Zomereik heeft zich sinds de laatste ijstijd (Weichselien) vanuit Zuid-Spanje, Zuid-Italië en het zuiden van de Balkan naar het noorden over Europa verspreid. Door de mens zijn er in Nederland en België daarnaast uitheemse soorten eiken aangeplant.
Eik en het bos Zomereik is historisch, samen met de beuk de dominante boomsoort in het West-Europese bos of 'beuken-eikenbos', waarbij de beuk, althans op voldoende vochtige bodems, uiteindelijk dominant wordt, in de climaxvegetatie van het 'bochtige smele-beukenbos'. Eiken hebben licht nodig om te ontkiemen en op te groeien tot een boom (het is een uitgesproken lichtminnende boomsoort). In een 'natuurlijk' vochtig bos, zonder grote grazers, is de concurrentie voor zonlicht in het nadeel van de eik. Schaduwverdragende soorten als beuk en haagbeuk zijn beter in staat om die gaten te dichten.
In een natuurlijke wildernis met grote grazers (rund, paard, herten, eventueel wisent en eland) bestaat een bos uit een boomgroep omgeven door bosranden van struweel. Dat struweel, bestaande uit sleedoorn, braam, meidoorn en roos, is in eerste instantie boomloos. De zaden van eiken (eikels) worden hoofdzakelijk door de gaai en de bosmuis verspreid. De gaai transporteert ze over langere afstanden (tot enkele kilometers ver), terwijl de bosmuis ze vooral binnen het bos verspreidt (tot zo'n 50 m). Indien de kiemplanten beschermd zijn tegen de grazers, kan de eik er opgroeien tot een boom, en is er een begin van een bos. In dergelijke begraasde gebieden is de eik door deze hulp en door zijn krachtige wortelstelsel in het voordeel ten opzichte van andere boomsoorten.
Determinatie Het blad van zomereik is onregelmatig gelobd, met drie tot zeven diepe bochtige insnijdingen en heeft een asymmetrische vorm. Het blad is kaal en heeft zijn grootste breedte boven het midden. De bladsteel is kort (1–9 mm); de bladvoet is hartvormig en aan beide zijden oorvormig teruggebogen. De bladvorm is het makkelijkst te herkennen onderscheid met de nauw verwante wintereik. De bladeren zitten voornamelijk in kortloten, in groepjes nabij de toppen van de twijgen. Hierdoor en doordat de bladeren onregelmatig gericht staan, maakt de kroon een losse en rommelige indruk.
De eik verliest heel laat zijn bladeren. Jonge eiken houden vaak gedurende de hele winter hun verdorde blad vast. De bladontplooiing in de lente vindt plaats eind april, begin mei.
De knoppen zijn kort en stomp, glanzend lichtbruin en meestal kaal, maar erg variabel.
Zomereik is eenhuizig. De mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in aparte bloeiwijzen op de boom voor.
De 2–3 cm lange eikels staan, vaak gepaard, op flinke (5–12 cm) lange steeltjes (vandaar de Duitse naam: "Stieleiche").
De schors van jonge bomen is glad en zwak grauwgroen glanzend, van oudere bomen wordt de schors diep en vrij onregelmatig gegroefd en grijsgroen van kleur. Naast lengtegroeven zijn er, in tegenstelling tot bij de wintereik of de tamme kastanje, ook vaak horizontale dwarsgroeven. Zeer oude eiken vertonen vaak zeer diepe groeven.
Zomereik is zeer variabel van groeivorm. Er is een grote variatie in genetische herkomst bij zomereiken, wat zijn weerslag heeft op uiterlijke kenmerken. In vrije stand vertakt de stam zich meestal spoedig en vormt op den duur een brede, losse kroon van zware, vaak grillig kronkelende takken.
Afhankelijk van de standplaats worden vrijstaande eiken 15–25, soms 30–35 meter hoog. De kroon kan zeer breed uitgroeien, tot een koepel van 25 en soms 35–40 meter breed. In gesloten opstanden daarentegen vormt zomereik een lange, rechte stam met een hoog aangezette, relatief kleine kroon. In bossen bereiken eiken hoogtes van 20–30, in optimale omstandigheden 35–40 meter. Op arme bodems groeien eiken langzaam en ontwikkelen er meestal spichtige of gedrongen vormen. Op vruchtbaarder en voldoende vochthoudende bodems groeien ze veel sneller en kunnen dan formidabele afmetingen bereiken. De dikste eik van Nederland, op landgoed Verwolde, Laren - Gelderland, heeft een stamomtrek van 765 cm bij een hoogte van 25 m. In de omringende landen staan echter vele dikkere eiken, met een stamomtrek tot 12–14 meter. De wat betreft het houtvolume grootste eik van Europa is vermoedelijk de grote eik van Ivenack, Duitsland, met een hoogte van 32,2 meter en een stamomtrek op borsthoogte van 11 meter.
Voorkomen en verspreiding thumb|Kaart van het Europese verspreidingsgebied van de zomereik thumb|Boom in Hilverbeek te 's Graveland van ± 300 jaar oud.
Zomereik komt in de Lage Landen en in een groot deel van Europa algemeen voor. Ook autochtone herkomsten zijn nog voldoende aanwezig en zijn opgenomen in de Rassenlijst voor Bomen.
Het is de eik met het grootste verspreidingsgebied in Europa, dat loopt van Ierland en Noord-Portugal in het westen tot de Oeral, de Kaukasus en Noord-Turkije in het oosten. De zomereik ontbreekt slechts in het zuiden van het Iberisch Schiereiland, Sicilië, Zuid-Griekenland, het noorden van Scandinavië en noordelijk Rusland.
Binnen Nederland is zomereik vooral algemeen op de hogere zandgronden in het zuiden en oosten. Op de zandige stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe gaat het vaak om voormalig hakhout. In de oude cultuurlandschappen op de zandgronden betreft het talrijke kleine bosjes, houtwallen, landgoedbossen, brinken en vrijstaande bomen. Zomereik is hier al eeuwenlang de dominante boomsoort. Dit geldt voor het oude esdorpenlandschap van Drenthe, het kampenlandschap in grote delen van Overijssel en de Achterhoek en in mindere mate voor delen van Noord-Brabant en Limburg. Goede voorbeelden van een eikenrijk cultuurlandschap geven Noordoost-Twente, op landgoederen als Twickel nabij Delden en Eerde nabij Ommen, en het gebied rond Winterswijk.
Ook in de omringende landen is zomereik algemeen. Dit geldt zeker voor Engeland, waar men spreekt van 'the English oak'. Veel gebieden in Engeland hebben een golvend coulisselandschap met kleine bosjes, houtwallen en veel vrijstaande bomen. De eik is voor dit landschap de bepalende boom, zeker sinds de eveneens algemene iep door de iepziekte is weggevaagd. Overigens is met name in het westen van Groot-Brittannië ook de wintereik erg algemeen. Ook in delen van Duitsland en Frankrijk zijn zomer- en wintereik zeer algemeen. Hier is de eik na de beuk ook in bossen de meest voorkomende loofboom.
Het beste ontwikkelt zomereik zich op voedselrijke, diepe (eventueel zandige) leem- en kleibodems. Dankzij de grote wortelenergie kan deze soort zich ook op tamelijk natte pseudogley- en gleybodems handhaven. Zomereik heeft veel licht nodig (het is een lichtminnende boomsoort) en wordt in West- en Centraal-Europa op normale groeiplaatsen verdrongen door de schaduwtolerante en sterk concurrerende beuk. Hierdoor is zomereik van nature alleen op bijzondere plaatsen overheersend: in de periodiek overstroomde gebieden langs grote rivieren in het zogenaamde hardhoutooibos, in kleiige eiken-haagbeukenbossen met stagnerend grondwater, en op voedselarme, zandgronden in berken-eikenbossen en eiken-dennenbossen. In Oost-Europa komt beuk door zomerdroogte en late nachtvorst niet voor en is zomereik een dominante soort op de meeste bodems.
Veel wilde dieren eten eikels. Eekhoorns en Vlaamse gaaien verzamelen de vruchten en verstoppen ze als wintervoorraad, waarbij een flink deel wordt vergeten. Hierdoor zorgen ze tevens voor de verspreiding van de eik.
Betekenis voor de mens Eikels Zomereik is vele eeuwen van groot belang voor de mens geweest. Wanneer de eikels rond oktober en november uit de boom vallen, is er veel voedsel aanwezig voor dieren. De eikels zijn zeer voedzaam en bevatten tot 38% vet. Door de tannine zijn deze echter onbewerkt, voor mensen ongenietbaar.
Varkensvoer van eikels en beukennoten werd mast genoemd. In de Middeleeuwen werden de varkens in de herfst de bossen ingedreven en "vetgemast". In die tijd ontstond ook het gezegde "op eiken groeit het beste spek". Vanwege dit belang mocht de eik niet zomaar gekapt worden. Hij kreeg daardoor een belangrijk aandeel in de bossen. Omdat zomereik meer en grotere eikels produceert dan de wintereik, werd de eerste veel meer aangeplant.
Hout thumb|Doorsnede van ongeveer 25 jaar oude zomereik. thumb|Langshout thumb|Mast
Eiken is hard, taai, zeer duurzaam en goed te bewerken. Zomereik kan op het kopse vlak qua uiterlijk sterk variëren. Het verse hout heeft doorgaans een goed te onderscheiden, licht- tot donkerbruin kernhout, met bleekbruin spint. Onder invloed van licht verdwijnt het kleurverschil geleidelijk. Eikenhout heeft een karakteristieke geur als men het bewerkt, en kenmerkend zijn ook de zogenaamde "spiegels", die vaak zichtbaar zijn op het dosse vlak. Het kernhout bevat veel looistoffen, waardoor het hout blauw uitslaat als het in aanraking komt met metaal.
Eikenhout kent veel toepassingen: als bouwhout voor woningen en grotere gebouwen, in de waterbouw, voor spoorbielzen, palen en masten en in de scheepsbouw. Binnenshuis is het geschikt voor parket, trappen en als meubelhout.
De breedte van de jaarringen kan bij eiken enorm variëren, en is van veel milieufactoren afhankelijk, zoals de standplaats, de temperatuur, hoeveelheid neerslag, de bodemgesteldheid, de soort, de concurrentie van andere bomen en de genen van de boom. De ringen kunnen in dikte variëren van 0,3mm tot 15mm. Dit kan het schatten van de leeftijd van een eik bemoeilijken.
Vanaf de Romeinse tijd werd in grote delen van Europa eikenhout gebruikt voor balken in woningen en andere gebouwen. Inlandse eiken hadden in de middeleeuwen meer groeiconcurrentie te duchten van andere boomsoorten, in de nog onontgonnen wouden met een hogere soortenrijkdom. Het hout uit deze tijd is door de relatief tragere groei vele malen beter van kwaliteit dan dat van eiken die ongehinderd, snel kunnen groeien. Monumentale boerderijen hebben vrijwel altijd eikenhouten gebinten.
Door de bestudering van het patroon van de jaarringen door de 'dendrochronologie' zijn vele reeksen schriftelijk vastgelegd. Hiermee kan de bouwgeschiedenis van veel bouwconstructies nauwkeurig worden bepaald. Ook levert jaarringonderzoek van gekapte bomen informatie op over het klimaat van de laatste duizenden jaren.
Hakhout thumb|left|Groep eikenstammen in natuurgebied De Wilde Kamp bij Garderen.
De bast van de eik werd vroeger veel gebruikt voor de leerlooierij. Hierdoor ontstond al vanaf de vroege middeleeuwen het eikenhakhout. Jonge eiken werden op geringe hoogte afgezet, waarna er meerdere nieuwe uitlopers groeiden. Elke 10 tot 12 jaar werden deze opnieuw gehakt. Het hout werd als brandhout gebruikt. Tot begin twintigste eeuw kwamen nog grote oppervlakten eikenhakhout voor, met name op de Veluwe.
Daarna raakte deze cultuur in onbruik. Veel hakhoutpercelen werden 'op énen gezet' ofwel omgezet in 'spaartelgenbos'. Op de Veluwe kunnen nog veel voormalige hakhoutpercelen worden aangetroffen. Recent zijn er, bij een inventarisatie van inheemse houtgewassen, op de Veluwe meerdere zeer grote groepen van zomer- en wintereik gevonden. Aanvankelijk werd verondersteld dat deze groepen restanten waren van eeuwenoud hakhoutbeheer, en werden leeftijden geschat tot 1500 à 2000 jaar. Recent is aangetoond dat veel van deze groepen op een andere wijze dan als hakhout zijn ontstaan, en dus van veel recenter oorsprong zijn (tot enkele honderden jaren oud). Dit kan o.a. zijn door instuiving en begrazing.
Symboliek en mythologie